Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2016 Nummer 2

Voorwoord

De Belgische historici in de internationale wandelgangen

Joris Vandendriessche en Quentin Jouan1

‘to go beyond the nation is not to abandon the nation’ (Daniel Laqua)

Op 29 april 2016 verzamelden meer dan honderd historici en archivarissen aan de ULB om deel te nemen aan de Dag van de Nieuwste Geschiedenis, de tweejaarlijkse bijeenkomst georganiseerd door de Belgische Vereniging voor Nieuwste Geschiedenis (BVNG). Het overkoepelende thema van deze editie was de toenemende internationalisering van ons vakgebied. Welke plaats blijft er nog over voor ‘nationale’ geschiedschrijving? Welke bijdrage kunnen en willen Belgische historici leveren in de internationale wandelgangen?

Kenneth Bertrams verwelkomde alle aanwezigen in naam van het Centre de Recherche ‘Mondes modernes et contemporains’ (ULB), dat als gastinstelling optrad. Vervolgens introduceerde Daniel Laqua de thematiek met een historiografisch overzicht waarin hij de recente aandacht voor de internationale dimensie in het historisch onderzoek verbond aan oude en nieuwe, ophefmakende publicaties. Hij wees ook op nieuwe onderwerpen als de geschiedenis van humanitaire en andere internationale organisaties, en op nieuwe perspectieven in de geschiedschrijving over het kolonialisme. Verder opende Laqua het debat over wat Belgische geschiedenis specifiek en relevant maakt voor een buitenlands publiek, al was de discussie zeker nog niet beslecht. Hij concludeerde met de opmerking dat ‘to go beyond the nation is not to abandon the nation’. De uitdaging lijkt veeleer de verschillende niveaus (lokaal, nationaal, internationaal) op creatieve manieren in onze geschiedschrijving te integreren. In de acht daaropvolgende parallelsessies werd dieper ingegaan op deze problematiek binnen verschillende subdisciplines.

Kenneth Bertrams verwelkomde alle aanwezigen.

 

Daniel Laqua gaf een keynote lezing over de internationale dimensie in het historisch onderzoek.

Parallelsessies

In de sessie ‘Internationale mobiliteit en de omgang van het nationale verleden’ bespraken Kasper Swerts, Jolien Gijbels en Maud Gonne de invloed van hun verblijf in het buitenland op hun onderzoek naar historische cultuur en culturele transfers. Swerts legde uit hoe zijn reizen naar Quebec, en zijn huidige verblijf in Schotland – hij doctoreert aan de University of Edinburgh – zijn blik op de nationalistische historiografie in Vlaanderen en Quebec in het interbellum hebben veranderd. Gijbels sprak over haar onderzoek naar het 19de-eeuwse toerisme op en rond het slagveld van Waterloo. Haar verbondenheid aan het Nederlandse Rijksmuseum, zo stelde ze, droeg bij tot haar inzicht in de rol van nationale identiteiten en mythevorming in dit toerisme. Maud Gonne trok voor haar onderzoek naar de Belgische schrijver Georges Eekhoud naar Zuid-Afrika. Door (letterlijk) afstand te nemen, zo gaf ze aan, kon ze de heterogene realiteit waarin Eeckhout zich bewoog en de praktische problemen waarmee hij werd geconfronteerd, beter begrijpen. Dat hielp om een al te ‘strategische’ lezing van zijn werk te vermijden. Tom Verschaffel leidde de sessie in goede banen, inclusief een korte discussie over de (te) grote fixatie op het ‘belang’ van de eigen nationale context wanneer Belgische historici hun werk voorstellen aan een internationaal publiek. Biedt transnationalisme net niet de kans afstand te nemen van een ‘nationalistische’ kadering van het eigen onderzoek? In de praktijk blijkt de eigenheid van de Belgische casus toch ook een manier om het eigen onderzoek te ‘verkopen’ in de internationale gemeenschap.

De sessie ‘Collective memories and social identities’ gaf een overzicht van de recente kruisbestuiving tussen de cultuurgeschiedenis, de geschiedenis van de didactiek en de sociale psychologie. In de sessie kwamen onderzoekers aan bod die een aspect van de Belgische geschiedenis benaderen vanuit verschillende disciplines (elk met hun eigen theoretische en methodologische raamwerk) en geworteld in een transnationaal kader. Historica Aurélie Van der Haegen presenteerde haar onderzoek naar de historische gegevens en de persoonlijke herinneringen rond WOII bij verschillende generaties van een familie. Sociaal psycholoog Pierre Bouchat stelde zijn een onderzoek voor naar de kennis over WOI van Europese jongeren en een eventuele link tussen het huidige pacifisme en WOI, inclusief een databank met gegevens die ook voor historici interessant zou kunnen zijn. Zijn collega Laura De Guissmé besprak haar onderzoek naar het collectieve geheugen betreffende de collaboratie tijdens WO II. Historicus Karel Van Nieuwenhuyse ging tot slot in op nationale identiteit bij jongeren, vanuit zijn onderzoek naar het vak geschiedenis in het middelbaar onderwijs. Chantal Kesteloot vatte de sessie samen met een pleidooi pro de kruisbestuiving tussen geschiedenis en psychologie, omwille van de mogelijkheden om het menselijke aspect (emotie) te combineren met historische inzichten.

De sessie ‘Historicizing Marginality and Subalternity’ behandelde de mogelijkheden van de internationaal gevestigde concepten ‘marginality’ and ‘subalternity’ voor de 19de en 20ste-eeuwse Belgische geschiedenis. Het doel was om het debat over het marginale te stimuleren en te vernieuwen door verschillende types onderzoek met elkaar in verband te brengen (onder meer onderzoek naar gender, ras, status, seksualiteit, arbeidsgeschiktheid, ouderdom enz.). Amandine Lauro en Magaly Rodriguez Garcia leidden het onderwerp in en bespraken de evolutie in de internationale historiografie over marginaliteit en de constructie van ‘de andere’. Zij stelden ook het themanummer in het Journal of Belgian History over dit onderwerp voor. Daarin verschijnen bijdragen van Marnix Beyen (over deserteurs), Josephine Hoegaerts (over scholieren), Veerle Massin (over jonge delinquenten) en Sophie Richelle (over ouderlingen). Josephine Hoegaerts en Veerle Massin presenteerden vervolgens hun artikel. Hoegaerts besprak de manier waarop historici de stemmen van ‘the subaltern’ - in haar werk: de 19de-eeuwse Antwerpse schoolkinderen - op het spoor kunnen komen. Massin behandelde de evolutie in de evaluatiemethodes van delinquente jonge vrouwen - ‘marginalen’ – in de loop van de 20ste eeuw.

Tinne Claes sprak over de negentiende-eeuwse anatomie in de sessie over medische geschiedenis.

In de sessie over medische geschiedenis werd gereflecteerd over de particulariteit van het Belgische medische veld in een internationaal kader, en over de manier waarop die eigenheid kan worden duidelijk gemaakt aan een buitenlands publiek. Joris Vandendriessche stelde het onderzoeksveld, dat sinds kort over een eigen professioneel netwerk beschikt – het Belgian Network for Medical History – kort voor. Veronique Deblon en Tinne Claes presenteerden vervolgens hun onderzoek naar de negentiende-eeuwse anatomie in België. De Belgische anatomen, zo stelden zij, worstelden zelf met de vraag van de ‘eigenheid’ van de Belgische anatomie. Toch waren er duidelijke verschillen met andere landen. Het sterke protest tegen het gebruik van de lichamen van armen voor dissectie in de Angelsaksische wereld lijkt zich niet in dezelfde mate te hebben voorgedaan in België. Julie De Ganck pleitte voor een internationale blik op de geschiedenis van de gynaecologie. Zij wees onder meer op de tegenstellingen tussen de Franstalige en Angelsaksische literatuur. In haar onderzoek naar de Brusselse gynaecologie ca. 1900 had zij aandacht voor de verschillende niveaus van interactie: het stedelijke, nationale en internationale niveau. In de afsluitende discussie participeerde ook Laura Di Spurio, die parallellen trok met de geschiedschrijving over adolescentie.

De sessie ‘Migratiegeschiedenis in en over België in internationaal perspectief’ werd begeleid door Torsten Feys. Frank Caestecker stelde in de inleiding vast dat migratiehistorici in België zich hebben beziggehouden met een grote verscheidenheid aan onderwerpen, maar dat migratie als thema weinig aandacht krijgt in overzichtswerken over Belgische geschiedenis. De bijdragen in het panel weerspiegelden die verscheidenheid en dienden als opstap om het debat verder aan te wakkeren. Eerst presenteerde Mazyar Khoojinian ‘La Police des Etrangers dans la Belgique des Golden Sixties : gouvernementalité sécuritaire et gestion différentielle du séjour illégal (1962-1967)’, een paper over de onderzoeksmogelijkheden omtrent de zogenaamde ‘illegale migratie’ naar België. Sara Cosemans toonde hoe Belgische historici, al dan niet vanuit Belgisch perspectief, internationaal migratieonderzoek kunnen voeren. Haar onderzoek richtte zich op het ontstaan van een internationale postkoloniale diaspora, ‘The case of the East African Asians (1967-1975)’. Tenslotte stelde Anne Winter een gloednieuw Brain/Belspo project in verband met migratie voor: ‘Outcast or Embraced? Clusters of Foreign Immigrants in Belgium, c. 1840s-1910s’ (zie hier voor meer info). Het project is een samenwerking tussen het Belgisch Rijksarchief, de VUB, de ULB en de Universiteit van Antwerpen en heeft als doel bronnen over verschillende categorieën immigranten aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw ter beschikking te stellen, zowel voor onderzoekers als voor een breed publiek. In de afsluitende discussie, die geleid werd door Idesbald Goddeeris, werd de nood aan een platform voor migratiehistorici geformuleerd, een idee dat gretig weerklank vond bij de aanwezige onderzoekers.

Het panel gewijd aan de Belgische economie in tijden van imperialisme en globalisering (ca. 1870-1914) bestond uit Nicholas Coupain (Solvay), Frans Buelens (UA), Tobit Vandamme (UGent) en Kenneth Bertrams (ULB), die de sessie voorzat. Coupain besprak de expansie van de multinational Solvay, waarnaar ook Bertrams eerder onderzoek deed. Hij stelde een hiaat vast in de historiografie over dit onderwerp en benadrukte de eersterangs rol van het bedrijf in de economische globalisering en in de investeringen in nieuwe domeinen in het derde kwart van de 19de eeuw. Technische excellentie, competitiviteit en geheimhouding waren deel van de bedrijfscultuur. Coupain maakte ook een vergelijking tussen Solvay en Nobel. Frans Buelens behandelde de investeringen in Rusland voor de revolutie van 1917. In die periode behoorde België tot de vijf belangrijkste investeerders in de wereld, met een climax in de periode tussen 1890 en 1900. Tobit Vandamme, tot slot, focuste op de figuur van Édouard Empain (1852-1929), hoofd van een internationaal bedrijf. Zijn (familiale) strategieën kunnen verder onderzoek inspireren naar de planningspolitiek en toekomstvisie van bedrijven.

Carmen Van Praet leidde de sessie over internationale congressen in de 19de eeuw in.

De sessie over internationale congressen in de negentiende eeuw werd ingeleid door Carmen van Praet. Zij beschreef hoe vanaf het midden van de negentiende eeuw artsen, statistici, geëngageerde liberalen, filantropen en ambtenaren oplossingen zochten voor de opkomende problemen rond urbanisering, globalisering en modernisering. Die zoektocht gebeurde inderdaad op een nieuw forum: het internationale congres. Thomas D’haeninck besprak hoe men kunst beschouwde als morele verheffing voor een moderne samenleving en ging dieper in op de figuur van Auguste Wagener, een liberaal die openstond voor de ideeën van Froebel en de betekenis van kunst in onderwijs. Amandine Thiry sprak over de hervormingen in Belgische gevangenissen tussen 1830 en 1914. Zij verbindt in haar onderzoek de geschiedenis van de westerse ideeën over penitentiaire instellingen met de hervormingen in België. Julie Louette behandelde tot slot de Belgische gerechtelijke statistieken. Zij ging na hoe en waarom wetenschappelijke genootschappen in de late negentiende eeuw Belgische gerechtelijke hervormingen beïnvloedden. Tijdens de daaropvolgende discussie werd vertrokken vanuit de hypothese dat de internationale congressen zowel scènes van maatschappelijke vernieuwing als van nationale tegenstellingen waren. Anne Winter en Van Praet traden op als referenten in deze discussie.

De sessie ‘Locating Belgian historians on the European digital humanities map’ werd geopend door Sally Chambers die verschillende initiatieven in dit veld in de kijker zette. Zij wees op de website The Programming Historian, die tips en handleidingen over digitale tools bevat, en stelde DARIAH-BE voor, de Belgische afdeling van het Europese initiatief ‘Digital Research Infrastructure for the Arts and Humanities’. Nel de Muêlenaere lichtte vervolgens de platformen DIANE en NISE toe, beide digitale toepassingen in het onderzoek naar nationalisme. Françoise Muller en Aurore François bespraken vervolgens hoe zij gebruik maakten van digitale tools in hun onderzoek binnen de geschiedenis van het gerecht. Veerle Vanden Daele belichtte onder meer de Belgische participatie in EHRI, de European Holocaust Research Infrastructure. Seth Van Hooland leidde ten slotte een discussie over het gebruik van Digital Humanities in de opleiding van historici.

Slotdebat

In het slotdebat, gemodereerd door Pieter Lagrou, werd de toekomst van de ‘Belgische’ geschiedschrijving – als onderzoeksobject, als actor en als gemeenschap van onderzoekers – bediscussieerd. Idesbald Goddeeris, Eric Vanhaute, Geneviève Warland en Daniel Laqua reflecteerden over de manier waarop het nationale niveau (naast het lokale niveau) kan worden ingepast in nieuwe vormen van geschiedschrijving. Zij wezen ook op het blijvende belang van contacten tussen onderzoekers in het domein van de hedendaagse Belgische geschiedenis, op een moment dat historici zich steeds meer op internationaal vlak profileren vanuit hun subdisciplines. Er is immers meer dat deze historici verbindt dan een ‘nationaal’ onderzoeksperspectief. De toenemende diversiteit binnen die gemeenschap van onderzoekers, waarin ook steeds vaker buitenlandse historici participeren, stelt uitdagingen voor de toekomst. Ook de BVNG hoopt in de toekomst die laatste groep sterker te betrekken bij bijeenkomsten als de Dag van de Nieuwste Geschiedenis.

Panelleden Daniel Laqua, Eric Vanhaute, Idesbald Goddeeris en Geneviève Warland debatteerden over de toekomst van de ‘nationale’ geschiedschrijving.

Joris Vandendriessche sloot in naam van de BVNG de Dag van de Nieuwste Geschiedenis af. Daarbij bedankt hij in het bijzonder de andere leden van het organisatiecomité: Vincent Genin, Rose Spijkerman, Giselle Nath en Laura Di Spurio, en de collega’s van de ULB voor hun gastvrijheid. Ook dankt hij het FNRS en het Fonds ‘Omkadering Jonge Onderzoekers’ van de KU Leuven voor de financiële ondersteuning van deze bijeenkomst. Afspraak over twee jaar voor een nieuwe Dag van de Nieuwste Geschiedenis!

- Joris Vandendriessche en Quentin Jouan

Webreferenties

  1. Belgian Network for Medical History: https://belgianmedicalhistory.wordpress.com/
  2. hier: http://www.immibel.arch.be
  3. The Programming Historian: http://programminghistorian.org/
  4. DARIAH-BE: http://be.dariah.eu/
  5. NISE: http://nise.eu/
  6. EHRI: http://www.ehri-project.eu/

Referenties

  1. Hartelijk dank aan Vincent Genin, Veerle Massin, Sofie Vrielynck, Sara Cosemans, Rose Spijkerman en Giselle Nath voor hun inbreng en hulp bij de redactie van dit verslag.