De leefwereld van prostituees tussen 1850 en 1950

-Tuur Bisschop, masterstudent UGent

In het recente historisch onderzoek naar prostitutie zien we een grote interesse voor de leefwereld van de prostituee en de wederzijdse interactie met de stedelijke politie.

In navolging van het artikel van Pieter Vanhees over prostitutie in de Belgische geschiedschrijving bespreek ik deze ontwikkeling binnen de historiografie van prostitutie. Hoe onderzoeken historici de werk- en leefomstandigheden van sekswerkers? Hoe brengen ze onderbelichte actoren zoals klanten in beeld? Ik leg mijn focus op de onderzoeken naar de relatie tussen ruimte, politiehandhaving en prostitutie in internationale steden tussen 1850 en 1950.

In deze tekst gebruik ik “sekswerk” en “prostitutie” als synoniemen. Dit heeft te maken met de hedendaagse tendens om prostitutie als arbeid te omschrijven na de opkomst van de sekswerkerbeweging vanaf de jaren zeventig van vorige eeuw. Prostitutie en sekswerk vallen zo samen in één brede definitie, die van Gayle Rubin: ‘l’existence d’un continuum dans les échanges économico-sexuels entre les femmes et les hommes est un trait récurrent de l’organisation sociale, à travers les cultures et au long de l’histoire.’. Deze literatuurstudie gaat verder niet in op de recente focus op mannelijk, trans- en homoseksueel sekswerk, maar legt zich toe op vrouwelijk sekswerk. Ik bespreek wel de onderzoeken naar de verschillende strategieën die zowel de politie als de prostituees ontwikkelden om hun plaats in steden te controleren. Eerst kijk ik naar de recente historiografische ontwikkeling omtrent het prostitutiebeleid. Vervolgens worden de studies naar de leefomstandigheden van sekswerkers besproken. Ten slotte behandel ik de onderzoeken naar politionele strategieën om prostitutie in te perken en de reacties van de sekswerkers hierop.

Prostitution (La prostitution) door Albert Besnard in 1886-1887 (Bron: Van Gogh Museum, Amsterdam)

Het politieke beleid rond sekswerk

Tot het einde van de twintigste eeuw lag de historiografische focus op het politieke beleid rond prostitutie. Historici legden zich toe op de drie stromingen binnen de politiek in de negentiende en twintigste eeuw: reglementarisme, abolitionisme en prohibitionisme. De eerste politieke stroming probeerde prostitutie te reglementeren aan de hand van registratiesystemen en medische controles. Hierdoor ontstond een onderscheid tussen clandestiene en gereguleerde prostitutie. Daarentegen verzetten de abolitionisten zich tegen deze regulering en wilden ze deze afschaffen. Tot slot verdedigde de laatste groepering een totaalverbod op prostitutie.

De aandacht naar het politieke beleid is sindsdien niet verdwenen, maar verschoven. De beleidsmaatregelen en de drie voornoemde stromingen vormen niet meer de focus, maar geven wel de nodige context voor nieuwe historische onderzoeken. Het werk The sexual question van Paulo Drinot over de prostitutiebuurt barrio rojo in Lima van 1928 tot de sluiting in 1956 is hiervan een goed voorbeeld. De periode 1928 tot 1956 was een overgangsperiode van reglementarisme naar abolitionisme. Zijn onderzoek is voornamelijk interessant omdat hij ook aandacht schonk aan (mannelijke) klanten. De klanten in deze buurt bleken zeer divers: politie, soldaten, studenten, enzovoort. Drinot schetste de collectieve herinnering van de klanten om de moraliserende oordelen van beleidsmakers in perspectief te plaatsen. Sommige klanten beschreven de buurt met een romantische blik. Het was voor hen een veilige ruimte waar morele codes orde schiepen en er goede relaties waren tussen prostituees en klanten. Daarnaast waren er ook klanten die de buurt als vuil en ongezellig beschreven. Niet iedereen ervoer de buurt als een oord van verderf, zoals de politici wel beschreven. Drinots werk laat ons dan ook toe om de moraliserende kijk op zulke buurten in perspectief te plaatsen. Naast mannelijke klanten kan er ook onderzoek gevoerd worden naar vrouwelijke klanten. De auteurs van het boek Seks voor geld benadrukten dat er ook interessante bronnen over vrouwelijke klanten te vinden zijn in de negentiende en twintigste eeuw. Ze haalden dit aan om het cliché dat enkel mannelijke klanten bestaan te ontkrachten.

 

De werkomstandigheden van prostituees

De hedendaagse aandacht van historici ligt op de leef- en werkomstandigheden van de sekswerkers. In de afgelopen decennia verlegde het debat zich naar het vraagstuk in welke mate prostituees agency hadden en in welke leefomstandigheden ze werkten. Het werk Selling sex in the city uit 2017 is hiervan het voorbeeld bij uitstek. De auteurs vertrokken vanuit het uitgangspunt dat prostitutie tot de geschiedenis van arbeid behoort.

Binnen dit denkkader zijn historici het erover eens dat sekswerk divers was en kon verschillen van stad tot stad. Toch bleek prostitutie vaak een economische strategie te zijn: prostitutie bood sekswerkers de mogelijkheid om zelf geld te sparen wat hen meer onafhankelijkheid opleverde. Sommige vrouwen zagen dit als een aanvullende bron van inkomsten en als arbeid, terwijl anderen juist moesten kiezen voor prostitutie uit noodzaak, zoals een crisissituatie binnen hun persoonlijke omgeving.. In hun onderzoek naar de migratie-trajecten van prostituees in negentiende-eeuws Antwerpen suggereerden de historici Hilde Greefs en Anne Winter zelfs dat de dood van ouders tot meer kans zou leiden om in de sector te belanden omwille van de toegenomen economische kwetsbaarheid of omdat de nodige sociale controle ontbrak. Door sekswerk als een zelfgekozen strategie te formuleren, benadrukten Greefs en Winter de autonomie van prostituees. Toch nuanceerden dezelfde historici dit beeld van absolute vrijheid en wezen erop dat sekswerkers ook gebonden waren aan de seksindustrie. Er werden immers systemen opgezet, zoals persoonlijke schulden aan een bordeeleigenaar of souteneur, om prostituees afhankelijk te maken van de seksindustrie. Ze konden er dan wel vrijwillig ingestapt zijn, maar ze geraakten er niet altijd meer uit. Welke rol die afhankelijkheid had in het maken van hun keuzes was moeilijk te achterhalen. Toch stelden ze dat sekswerk gevaarlijke en ongezonde arbeid was. Een bijkomende vraag die de historica Magaly Rodríguez García stelde, was of prostituees het slechter hadden dan vrouwen in andere (lees: slechte) werktoestanden.

De casestudy van Sandy Chang over de bordeeleconomie in Brits Malaya van 1870 tot 1930 legde zich ook toe op de beleving van de prostituee zelf, haar keuzes en migratiepatronen met een focus op bordelen. Het interessante aan het onderzoek van Chang is dat ze ook de mensen in de marge van prostitutie bestudeerde. Een bordeel draaide immers niet enkel op de sekswerker en de eigenaar. Er waren mensen nodig om, bijvoorbeeld, eten te voorzien en te poetsen.

Bovenaanzicht op een bordeel uit de triptiekenserie modieuze jaarlijkse festiviteiten in Edo (Japan) door Utagawa Yoshiiku in 1868 (Bron: Van Gogh Museum, Amsterdam)

De begrenzing van prostitutie binnen de stedelijke omgeving

Een laatste tendens binnen de historiografie die ik hier graag bespreek, is de interesse voor de politionele strategieën en de rol van de buurtbewoners met een focus op steden. Historica Isabelle Tracol-Huynh duidde de stad aan als de bijna exclusieve plaats van sekswerk: ‘la prostitution est un phénomène essentiellement urbain.’ We zagen reeds onderzoeken naar steden als Lima en Antwerpen in de studies van Drinot, Greefs en Winter. In zulke steden was er een spanningsveld tussen sekswerkers, inwoners en politie. De focus lag op de aanpak van de politie en de wederzijdse interactie met prostituees. Een lezenswaardig werk over deze wisselwerking is dat van de historicus Slater over Londen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Daarbij legde hij zich toe op de interactie tussen politie en prostituees en minder op het economische of migratie-aspect. Op basis van politiebronnen achterhaalde hij verschillende strategieën die de politie uitvoerde om prostitutie te beheersen. Deze bronnen weerspiegelden voornamelijk het politiebeleid en niet zozeer de individuele acties van prostituees. Een eerste politiestrategie was, volgens Slater, het creëren van familiariteit met de sekswerkers uit de omgeving. De politie, waaronder ook vrouwelijke politieagenten, wou hierdoor meer stabiliteit in die districten creëren. De tweede essentiële strategie noemde Slater containment of insluiting. De politie beheerde en controleerde dus eerder prostitutie dan het te verdrijven. Het was hun doel dat prostituees binnen een door hen omlijnde omgeving werkten. Deze twee strategieën werden in de praktijk begrensd door drie obstakels. De politie had toen onvoldoende middelen en mankracht. Daarnaast moesten ze uiteraard binnen wettelijke kaders opereren, maar de belangrijkste belemmering voor de politie was de publieke opinie en de media.

 

In haar werk over prostitutie in Edinburgh in de eerste helft van de twintigste eeuw ging de historica Louise Settle in dialoog met Slater. Ook zij zag dat de politie in Edinburgh weinig controle had over prostitutie door een gebrek aan middelen. De politie trad pas op wanneer ze klachten kreeg van bewoners dat prostituees voor overlast zorgden in de omgeving. Settle vond echter dat de politiestrategie van containment niet van toepassing was op haar casus. In Edinburgh werd sekswerk immers niet beperkt tot een bepaalde straat of wijk, maar sekswerkers verplaatsten zich naar de bedrijfs- en amusementswijken in het hart van de stad. Settle concludeerde dat het begrenzen van prostitutie tot bepaalde wijken meer een onhaalbaar doel dan realiteit was want clandestiene prostitutie bleef nog steeds wijdverspreid. De sekswerkers gebruikten immers commerciële logica om hun werkomgeving te kiezen in deze stad: ze moesten bereikbaar zijn voor hun klanten. Ook de mogelijkheid om hun werk uit te voeren en de opgelegde beperkingen van het lokale bestuur en de politie bepaalden mee de keuze voor een bepaalde omgeving.

Historici van prostitutie focussen in het bijzonder op grote steden. Toch zijn er studies over kleine steden gevoerd. Het onderzoek van historica Linda Grove is een van de weinige studies dat een klein stadje als basis neemt en deze vergelijkt met studies voor grote steden. Zij onderzocht het stadje Gaoyang in China met slechts 11.000 inwoners. Daar ondernamen sociologen tijdens de jaren dertig een veldonderzoek naar sociale verandering waarin ze enkele prostituees interviewden. Het waren deze bronnen die Grove in staat stelden om illegale prostitutie in dit kleine plattelandsstadje te onderzoeken. Uit het onderzoek bleek dat de prostituees kozen voor een rustige omgeving, omdat het daar minder competitief was dan in grote steden en er nog steeds voldoende vraag was door industriële groei en een goede ligging. Grove vergeleek haar casus met andere grootsteden uit China. In het stadje Gaoyang speelde er immers een andere dynamiek dan in havensteden zoals Tianjin. Er was geen bordeeldistrict waardoor alles onafhankelijk en familiaal werd gerund. Ook bleek er een hogere gemiddelde leeftijd in Goayang, doordat oudere sekswerkers wegtrokken uit havensteden zoals Tianjin naar kleine stadjes door de onderlinge competitie. Binnen een bepaalde omgeving creëerden prostituees zelf hun eigen ruimte, concludeerde Philip Hubbard: ‘Sex workers make their own geographies, but not under conditions of their own choosing.’

Prostituée, drame d'Henri Desfontaines, op 6 april 1910 (Bron: Bibliothèque nationale de France / Gallica, gallica.bnf.fr)

Conclusie

De laatste decennia leggen historici hun focus op de werk- en leefomstandigheden van de prostituees. De sekswerker komt zo centraal te staan binnen het historisch onderzoek. Historici schetsen wel het politieke beleid, maar dat dient als noodzakelijke achtergrond voor het historisch onderzoek. Ze concentreren zich daarentegen vooral op verschillende aspecten om de leefwereld van de prostituee te achterhalen, meer bepaald de migratiepatronen, de mate van afhankelijkheid en autonomie binnen de sector. Ze voeren voornamelijk onderzoek naar het profiel van de sekswerker, hun ervaringen en hun directe omgeving. Daarnaast zien we dat ze ook de politie en de buurtbewoners in hun analyse betrekken. De strategieën van de politie, namelijk insluiting, wordt uitvoerig onderzocht en genuanceerd door historici. Daarin proberen ze ook een meer bottom-up perspectief te hanteren.

 

Uit de voorgaande historiografische ontwikkelingen kunnen we ook iets leren voor toekomstige historische onderzoeken. In de Belgische historiografie zijn enkele van voorgaande punten nog niet onderzocht. Tot nu toe zijn er nog geen onderzoeken gevoerd naar de rol van klanten in prostitutie. Ook de invloed van het abolitionistische regime in België na 1948 op de leefwereld van prostituees is nog niet geanalyseerd. Ten slotte ontbreekt de nodige aandacht voor mensen in de marge die ook werken in bordelen.

-Tuur Bisschop, masterstudent UGent

Rejoignez-nous

Envie de participer à la création de la revue Contemporanea?
Consultez les liens ci-dessous