Contemporanea
Tome XLII Année 2020 Numéro 4

Comptes rendus

Maerten, Fabrice (red.), Was opa een held? Speuren naar mannen en vrouwen in het verzet tijdens WOII (Tielt: Lannoo, 2020), 367 p.

Babette Weyns, Universiteit Gent

Een gemeenschappelijke missie

De wetenschappelijke en populaire aandacht voor het verzet is aan een heropleving begonnen. Ook nu weer - zoals in België voor de publieke interesse in de Tweede Wereldoorlog wel vaker is gebleken - lijkt een televisiereeks daar mee de aanleiding voor te geven. Dankzij ‘Kinderen van het verzet’ kon het onderwerp in het najaar van 2019 in elk geval op veel media-aandacht rekenen. Centraal in de docureeks stond de vraag of het verzet nu wel of niet een vergeten geschiedenis was, en vooral, hoe dat dan kwam. Toch veroorzaakte ‘Kinderen van het verzet’ geen schokgolf. Het taboedoorbrekende effect van de reeksen van Maurice De Wilde of de spanningsbogen die doorheen de afleveringen van het eerder uitgezonden ‘Kinderen van de collaboratie’ liepen, werden niet geëvenaard. Na een degelijke inleidende geschiedenisles over het verzet en emotioneel beklijvende televisie over de arrestatie, dood en thuiskomst van Politieke Gevangenen, verzandde de reeks in een herhaling van morele lessen en een nadruk op herinneringsplicht. De duidingsaflevering met experten doorbrak dan wel het negatieve clichébeeld over het verzet dat door de milieus van voormalige Vlaamse collaborateurs werd opgehangen, maar bood geen gefundeerd nieuw beeld om die leegte in te vullen. Daarin ligt een nieuwe gemeenschappelijke missie voor wetenschappers, amateurhistorici én journalisten. De onderzoeksgids Was Opa een nazi? 1 vormt daarvoor al sinds 2017 een cruciaal werkinstrument. In combinatie met de recent verschenen archiefgids Was opa een held? zijn we helemaal klaar voor de start.

Hét onontbeerlijke startpunt

Ook Was Opa een held? vat aan met de bevinding dat het verzet in België een vergeten geschiedenis is. Het eerste deel ‘tussen geschiedenis en herinnering’, begint met een bijdrage van historicus en directeur van het CegeSoma Nico Wouters, die een heldere synthese voorziet van boeken en artikels (van onder andere Koen Aerts, Bruno De Wever, Pieter Lagrou, Benvindo en Peeters) die sinds het begin van de 21e eeuw aspecten van de beeldvorming over het verzet analyseerden. Met de hantering van een expliciet Belgisch perspectief reikt de ambitie van dit boek verder dan het weerleggen van het karikaturale beeld van het verzet dat vooral in Vlaanderen leeft. Het gebrek aan nationale emblematische verzetsfiguren is immers vooral te begrijpen binnen de bredere context van een steeds complexer nationaal Belgisch verhaal na 1945. Elementen zoals de openlijke ideologische verdeeldheid, kleinmenselijke ruzies tussen de verschillende verzetsgroepen en het sterke herinneringsmilieu van oud-collaborateurs die de waarheid over het oorlogsverleden konden ombuigen in hun voordeel, entten zich op het gebrek aan een nationaal bruikbaar verhaal over de oorlog. Op zeer toegankelijke wijze zet Nico Wouters belangrijke nuances over de naoorlogse beeldvorming met betrekking tot het verzet uiteen. Bovendien wijst hij meteen op het doel van dit werkinstrument: ‘Deze bronnengids wil al die beelden van het verzet niet vervangen door één waarheid. Het wil wel de blik opnieuw op de geschiedenis ervan richten, in al haar complexiteit en diversiteit.’ (p. 22).

Die complexe diversiteit wordt geschetst in hoofdstuk twee. Een synthese van bestaande literatuur over het verzet biedt opnieuw een duidelijke, zeer toegankelijke introductie tot het onderwerp. Die toegankelijke ontsluiting van wetenschappelijke kennis over het verzet is dan ook een van de grootste verdiensten van dit boek. Fabrice Maerten levert op die manier een allesomvattend werkinstrument, dat de lezer ook de nodige contextinformatie biedt om bij zijn/haar onderzoek van start te gaan. Dat dit werk in de twee landstalen wordt uitgeven is daarbij van groot belang. Tot nog toe blijft veel literatuur over het verzet immers onuitgegeven in wetenschappelijke bibliotheken liggen (zie bijvoorbeeld het doctoraat van Karolien Steen over het verzet in Gent2 of het doctoraat van Fabrice Maerten over het verzet in Henegouwen3) of blijft het onderzoek onvertaald (zoals La guerre secrète des espions belges, 1940-1944 van Emmanuel Debruyne4, Du rouge au tricolore van José Gotovitch5 of meer algemene standaardwerken over de Tweede Wereldoorlog van L’an 40 6 tot zelfs Dictionnaire de la Seconde Guerre mondiale en Belgique 7).

Hoofdstuk drie ligt in dezelfde lijn en biedt een uiteenzetting van de verschillende naoorlogse erkenningsstatuten en hun ontstaansgeschiedenis. Deze belangrijke brok historische kennis lag tot vandaag vooral verborgen in de ongepubliceerde masterscriptie van historicus Pieter Lagrou uit 1989. Nochtans is dit droge en vaak erg technische verhaal van ontegensprekelijk belang voor de manier waarop de geschiedschrijving en het maatschappelijk discours over het verzet vorm kregen. Daarnaast is de manier waarop vrouwen en mannen uit het verzet hun verhaal na de oorlog moesten aanpassen, vormgeven en de waarachtigheid ervan moesten bewijzen, cruciaal voor het begrip van de naoorlogse spanningen in het verzetsmilieu. Omdat deze erkenningsstatuten ook de ruggengraat vormen voor de bronnen voor historisch onderzoek naar het verzet, krijgt hun onstaansgeschiedenis hier terecht ruime aandacht.

Verdwalen in de kluwen van het archief

Door de uitgebreide contextschets in deel I, begint het eigenlijke ‘speuren in de archieven’ pas op p. 111 van dit lijvige boek. Deel II heeft ook nog eens een acht pagina tellende inleiding nodig om de ambitie en beperkingen van het project te verantwoorden. Alleen al het volume van Was opa een held? verraadt dan ook het kluwen van archieven waarin de rijke geschiedenis van het verzet verborgen ligt. Als wegwijzer vraagt Was opa een held? daarom onvermijdelijk een grote inspanning van haar lezers. Wie de geschiedenis van het verzet wilt schrijven, heeft werk voor de boeg. Voor de gemiddelde Belg op zoek naar de oorlogsgeschiedenis van opa of oma kan de archiefgids wat overweldigend overkomen. Wat nu precies het beste startpunt is om dat soort speurtochten aan te vatten, wordt bijvoorbeeld niet met zoveel woorden gezegd.

Als kompas in dit doolhof van verzetsbronnen dienen de structurerende onderdeeltjes ‘wie’, ‘wat’, ‘hoe’ en ‘waarom’ die per archiefvormer terugkeren en zonder overdrijven álles meedelen wat relevant kan zijn. Het vraagt doorzettingsvermogen, maar toch is het nuttig om de delen per archiefvormer grondig door te nemen vooraleer de desbetreffende bronnen te raadplegen: Fabrice Maerten loodst zijn lezers door de verschillende documenten die in dossiers kunnen worden ontdekt, vertelt welke inventarissen kunnen worden geraadpleegd, maar ook wie de bronnen tot stand bracht en welke belangrijke implicaties dat heeft.

Onderzoekers zullen ook nog regelmatig teruggrijpen naar de ‘Tabel van de belangrijkste individuele dossiers (…)’ op p. 119. Dat deze matrix verspreid staat over vier pagina’s toont overigens aan dat de aankoop van een digitale versie van dit boek geen overbodige luxe is. Ook op andere vlakken vergemakkelijkt dit de raadpleging van het werk. Hoewel dienstbaar als overzicht, onthult deze tabel tegelijkertijd de ingewikkelde en voorbereidende staat waar de ontsluiting van sommige archiefstukken zich momenteel bevindt. Zo valt in de kolom ‘ordening’ een aantal keer de beschrijving ‘ingewikkeld’ op. Vooral de uitleg in de kolommen ‘onderzoeksinstrument’ en ‘beschikbaarheid’, die onder andere wijst op handgeschreven lijsten en onafgewerkte inventarissen, bewijzen hoeveel werk op de schouders van het wetenschappelijk personeel uit de desbetreffende instellingen valt. Het grote ‘hoera’ over de nabije toekomst van de Belgische verzetshistoriografie wordt enigszins getemperd eens de beschrijving van archieven en mogelijke raadpleging ervan in de diepte worden benaderd. Was opa een held? is daarom tevens een wake-up call voor beleidsmakers: zonder middelen geen geschiedenis.

Een nieuwe archiefbijbel

Was opa een held? is een geschenk voor elke onderzoeker die aan de slag gaat met dit onderwerp. Als gids voor een breed publiek beschikt het boek evenwel niet over voldoende concrete richtingaanwijzers. Wie geen historische opleiding heeft genoten, zal wellicht af en toe slikken en meer dan eens verloren lopen. Desalniettemin, naar analogie met de spreekwoordelijke ‘groene bijbel’ die studenten hedendaagse geschiedenis in hun opleiding krijgen aangereikt8, vormt Was opa een held? voortaan de archiefbijbel van de verzetshistoricus. Wie iets over het verzet in België wenst te vertellen, kan niet om dit boek heen.

- Babette Weyns, Universiteit Gent

Références

  1. Aerts, Koen, et al., Was opa een nazi?: speuren naar het oorlogsverleden van je familie (Tielt: Lannoo, 2017).
  2. Steen, Karolien. ‘De schemerzone van een stad in oorlog : de evolutie van het verzet in Gent (1940-1944) : van ongestructureerde initiatieven tot georganiseerde verzetsbewegingen’, onuitgegeven doctoraatsverhandeling Universiteit Gent, 2007.
  3. Maerten, Fabrice, Du murmure au grondement. La Résistance politique et idéologique dans la province du Hainaut pendant la Seconde Guerre mondiale (mai 1940 - septembre 1944) 3 vol. (Mons: Hannonia, 1999).
  4. Debruyne, Emmanuel, La guerre secrète des espions belges, 1940-1944 (Brussel: Racine, 2008).
  5. Gotovitch, José, Du rouge au tricolore : les communistes belges de 1939 à 1944 : Un aspect de l’histoire de la Résistance en Belgique (Bruxelles: Labor, 1992). (Heruitgegeven in 2018 door CArCoB).
  6. Gérard-Libois, Jules & Gotovitch, José, L’an 40 : La Belgique Occupée (Bruxelles: CRISP, 1971).
  7. Aron, Paul & Gotovitch, José, Dictionnaire de la Seconde Guerre mondiale en Belgique (Bruxelles: Versaille, 2008).
  8. Van den Eeckhout, Patricia, & Vanthemsche, Guy, Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19e - 21e eeuw, derde herziene en uitgebreide uitgave (Brussel: Koninklijke commissie voor geschiedenis, 2017).