Interview Louise Ballière – Lauréate du Prix Vicomte Charles Terlinden, 2 décembre 2025
Bonjour Louise Ballière, le 2 décembre 2025, vous avez reçu le Prix Vicomte Charles Terlinden pour votre thèse de doctorat. Pouvez-vous nous raconter en quelques mots ce que représente ce Prix ?
Dag Louise Ballière, op 2 december 2025 ontving u de prijs Vicomte Charles Terlinden voor uw Doctoraatsthesis. Kan u kort vertellen wat deze prijs inhoudt?
De prijs wordt uitgereikt door de Fondation Vicomte Charles Terlinden aan de UCLouvain en beloont een doctoraatsthesis over geschiedenis (in de brede zin) die in de voorbije vijf jaren aan die universiteit werd verdedigd. De jury bestaat uit professoren geschiedenis en wordt voorgezeten door prof. Laurence van Ypersele. Het was dan ook een hele eer voor mij om de prijs in ontvangst te nemen en de kans te krijgen om in gesprek te gaan met enkele van de juryleden, die gespecialiseerd zijn in de meest uiteenlopende periodes en onderwerpen!
Votre thèse porte donc sur la mémoire de la colonisation et de la collaboration en Belgique. Quel a été votre angle pour aborder ce vaste sujet ?
Uw thesis behandelt de herinneringen aan de kolonisatie en aan de Belgische collaboratie. Wat was uw invalshoek om dit brede onderwerp te behandelen?
Zowel de geschiedenis van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de kolonisatie van Congo als de herinneringen eraan zijn inderdaad populaire onderzoeksonderwerpen, net omdat ze zo nauw samenhangen met wat er momenteel speelt in de Belgische samenleving. En daar was het mij eigenlijk ook om te doen: sinds wanneer zijn deze twee episodes zo aanwezig in het publieke debat en hoe werd en wordt erover geschreven? En, meer algemeen, wat vertelt dit ons over de manieren waarop er met het verleden wordt omgegaan?
Mijn overkoepelende onderzoeksvraag richtte zich dus op de manieren waarop verschillende groepen in België tussen 1944 en 2020 omgingen met herinneringen aan historische immoraliteit en, meer bepaald, hoe deze sociale groepen in dergelijke situaties beroep deden op herinneringen en haar reconstructieve aard. We weten ondertussen immers al lang dat ‘herinneren’ meer is dan het louter oproepen van ervaringen uit het verleden zoals deze zich hebben voorgedaan. Herinneren is een reconstructie – of interpretatie – van dat verleden in een huidige context. Dus hoe kwam deze reconstructieve aard naar boven in debatten over een verleden dat niet (langer) op een onproblematische of niet-controversiële manier verteld kan worden?
Om dieper in te gaan op meer algemene ideeën in België over de juiste omgang met het verleden, focust de thesis zich op twee emblematische gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis. Zo analyseerde ik de collectieve herinneringen aan enerzijds de collaboratie, van 1944 tot 2020, en anderzijds de kolonisatie van Congo, van 1960 tot 2020 – of vanaf het moment dat deze gebeurtenissen officieel als ‘geschiedenis’ werden beschouwd tot vandaag. Via een discoursanalyse van kranten en schoolboeken onderzocht ik hoe de collaboratie en kolonisatie doorheen deze jaren werden voorgesteld, vanaf wanneer zij gezien werden als historische onrechtvaardigheden en hoe groepen in België reageerden op deze karakterisering.
Nu, deze vergelijking suggereert geenszins dat beide gebeurtenissen, noch de betrokken actoren op zich vergelijkbaar zijn: de collaboratie was een ingrijpende gebeurtenis op Belgisch grondgebied, terwijl de kolonisatie zich hoofdzakelijk in overzeese gebieden afspeelde. De collaboratie was ook een relatief korte gebeurtenis, terwijl de kolonisatie een veel langere uitwerking heeft. Bovendien werden beide door hun tijdsgenoten op een heel andere morele schaal gezet. Het zijn dus niet de gebeurtenissen zelf die het onderwerp uitmaakten van de vergelijking, maar veeleer de manier waarop hun respectievelijke controversiële aspecten werden behandeld wanneer deze zich voordeden. Het loutere feit dat beide vaak beschreven worden als de twee ‘donkere bladzijden’ uit de nationale geschiedenis bij uitstek, doet vermoeden dat hun studie meer licht kan werpen op bredere ideeën over wat nu precies de juiste manier is om met een moeilijk verleden én historische verantwoordelijkheid om te gaan.
Vous avez notamment travaillé sur les discours, l’association entre le langage et la mémoire, au cœur des articles de presse. Quels sont les principales découvertes que vous avez fait durant ce travail ?
U focuste voornamelijk op het discours, de relatie tussen taal en herinneringen, in krantenartikelen. Kan u de belangrijkste bevindingen van uw onderzoek samenvatten?
Taal biedt een heel interessante toegang tot de nuances van collectieve herinneringen. De reden hiervoor is natuurlijk het feit dat taal allerminst neutraal is. Onze keuzes voor bepaalde woorden of uitdrukkingen hangen heel nauw samen met de lange voorgeschiedenis van die woorden en uitdrukkingen, en hun betekenissen. En dat maakt van taal net zo een boeiende toegangspoort tot herinneringen. Collectieve herinneringen moeten immers geuit worden, willen individuen hen delen met anderen. Dit kan op verschillende manieren, maar taal blijft een populaire keuze. Tegelijk heeft deze keuze een belangrijke impact op de herinneringen zelf. Individuen en groepen kunnen voor hun vertelling van het verleden immers slechts beroep doen op de woordenschat, de schemata en de discours die op dat moment bestaan en aanwezig zijn. De relatie tussen taal en herinneringen steunt dus op een voortdurende wisselwerking tussen herinneringen en interpretaties, enerzijds, die zullen meespelen in de keuze voor bepaalde woorden, en de taal zoals die op dat moment bestaat, anderzijds.
Het bestuderen welke woorden, uitdrukkingen of discours er nu precies op welk moment gebruikt worden om collaboratie en kolonisatie te bespreken leert ons dan ook veel over veranderende denkbeelden. Zo zie je dat meteen na de bevrijding in 1944, de debatten over de recente oorlog en de collaboratie gedomineerd werden door een patriottisch discours, waarin collaborateurs – of verraders en incivieken, zoals ze toen het meest genoemd werden – een misdrijf tegen de natie en haar volk hadden begaan en hadden verzaakt aan hun plichten als goede Belgische burgers. Dit discours zou gaandeweg aan kracht verliezen en ingehaald worden door een voorstelling van het conflict niet als een oorlog tussen naties, maar tussen ideologieën (democratie en fascisme), met collaboratie als een immorele samenwerking met een verachtelijke ideologie die ver voorbij de landsgrenzen ging. Kolonisatie werd in de jaren 1960 en 1970 dan weer met voornamelijk positieve termen beschreven, die bovendien verschenen in de nabijheid van concepten als beschaving en vooruitgang. Analogieën met familierelaties moesten de welwillendheid en goede bedoelingen van deze relaties benadrukken. Dit zou rond de jaren 1990 concurrentie krijgen van een kritisch discours opgehangen aan een vocabularium rond geldlust, bloedvergieten en, later, racisme. Elk van deze narratieven hangt natuurlijk samen met een reeks bredere discours in de samenleving.
Maar interessant is dat er ook discursieve veranderingen optreden op een niveau dat deze twee casussen overstijgt. Vooral rond de jaren 1990 begonnen stemmen op te roepen tot een meer hands-on aanpak van het eigen groepsverleden, inclusief alle controverses die hierbij komen kijken. Deze oproepen werden opgehangen aan een herinneringsdiscours enerzijds, met veel verwijzingen naar concepten als herinneringen, trauma en geheugen, en een spijtbetuigend discours anderzijds, waarbij een nadruk op historische triomfen en successen werd vervangen door een aandacht voor pijnlijke en voordien verzwegen gebeurtenissen uit het verleden. Dit wierp tegelijk vragen op over slachtofferschap, daderschap en historische verantwoordelijkheid. Het collaboratie- en koloniaal verleden werd op die manier niet langer opzijgeschoven als een geschiedenis die slechts een klein groepje Belgen aanbelangde (‘de’ collaborateurs of Leopold II) maar werd erkend als deel van ‘onze’ geschiedenis. En een juiste omgang met ‘ons’ controversiële verleden werd zo een morele plicht.
Vous avez également analysé les manuels scolaires. Qu’avez-vous découvert dans ces manuels ?
U hebt ook schoolboeken bestudeerd. Wat heeft u daarin ontdekt?
Schoolboeken zijn eigenlijk een moeilijke bron voor studies naar collectieve herinneringen. Aan de ene kant is geschiedenisonderwijs natuurlijk een enorm interessante piste. Als een van de voornaamste instituties waarin gericht kennis over het verleden wordt verspreid aan grote delen van de samenleving, fungeren scholen vaak als vehikels van collectieve herinneringen en historische kennis. Tegelijk hebben geschiedenisleerkrachten en auteurs van leerboeken geen vrij spel: van hen wordt immers verwacht dat zij informatie aanbrengen die door de samenleving (en haar elites) wordt erkend als ‘algemene kennis’. Schoolboeken die een niet algemeen aanvaarde versie van de geschiedenis verkondigen, zullen niet verkocht geraken. Op die manier dragen lessen geschiedenis niet alleen bij tot de vorming en bevordering van bepaalde discours en narratieven, maar weerspiegelen zij ook bredere denkbeelden van een sociale groep. Interessant voor onderzoekers dus.
Het probleem is dat er zeer weinig informatie voorhanden is over klaspraktijken. En dit geldt des te meer als je teruggaat in de tijd. Het is voor mij haast onmogelijk te weten hoe – of zelfs of – deze gepubliceerde handboeken gebruikt werden in de lessen geschiedenis. Met uitzonderingen van een handvol persoonlijke notities door leerlingen, is het dus zeer moeilijk om na te gaan hoe met de narratieven uit de boeken werd omgegaan tijdens de lessen.
Toch zien we een zekere shift in de doelen die aan geschiedschrijving worden toegeschreven. Historicus Karel Van Nieuwenhuyse heeft hier met collega’s al verschillende publicaties aan gewijd. Zo toont hij aan hoe het Belgische geschiedenisonderwijs haar studenten aanvankelijk vaderlandsliefde, nationale waarden en een nationale identiteit moest bijbrengen. Dit veranderde stillaan na een hervorming in 1970, waarna geschiedenislessen moesten bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen tot globale burgers die kunnen functioneren in een democratische wereld. Onderwijs, zo schreven deze nieuwe doelstellingen voor, moesten de leerling toestaan de huidige wereld en haar uitdagingen te begrijpen. En het collaboratie- en kolonisatieverleden spelen in beide tradities een rol. Zowel de Tweede Wereldoorlog als de kolonisatie van Congo werden in de eerste decennia van mijn onderzoek overwegend positief voorgesteld en versterkten zo het zelfbeeld van de nationale geschiedenis. Hoofdstukken over de oorlog focusten op de militaire en politieke aspecten van het conflict, en in het verhaal van de kolonisatie werden ‘verwezenlijkingen’ op vlak van economie, cultuur, geneeskunde en landbouw in de verf gezet. Rond de eeuwwisseling zien we ook hier echter een intrede van het herinneringsdiscours. Er werd op een meer ‘meta’-manier over geschiedenis nagedacht, waarin leerlingen niet louter een narratief voorgeschoteld kregen, maar actief aan de slag moesten met bronnen en dus zelf de geschiedenis moesten interpreteren. Zo stelden bepaalde hoofdstukken luidop de vraag hoe we moeten omgaan met standbeelden van Leopold II. Op die manier werd actief nadenken over het verleden en haar ‘donkere bladzijden’ een essentieel onderdeel van de opleiding van leerlingen tot goede en kritische burgers.
Lorsque vous avez reçu le Prix Terlinden, vous avez donné une conférence durant laquelle vous avez dit : « Les mémoires voyagent dans le temps, de manière diachronique, et dans l’espace, de manière transnationale »…
Naar aanleiding van het ontvangen van de Prijs Terlinden gaf u een conferentie waarin u het volgende zei: “Herinneringen reizen door de tijd, diachronisch, en door de ruimte, transnationaal”…
Dat herinneringen aan het verleden veranderlijk zijn, is inmiddels geen verrassende conclusie meer. De reconstructie die aan de basis ligt van herinneren wordt niet enkel beïnvloed door de historische gebeurtenis, maar ook door een hele reeks ontwikkelingen, ideeën en overtuigingen die sinds die gebeurtenis hebben plaatsgevonden en die op het moment van het herinneren plaatsvinden. Dit maakt dat de collaboratie en de kolonisatie vandaag op een heel andere manier worden geïnterpreteerd dan pakweg veertig jaar geleden.
Helaas wordt deze visie bij momenten te ver doorgetrokken, waardoor herinneringen soms voorgesteld worden als volledig gemanipuleerd of geïnstrumentaliseerd voor huidige (vaak politieke) doelstellingen. Hoewel dergelijke instrumentalisering zeker voorkomt, zijn herinneringen even vaak het resultaat van complexe processen waarin bewuste herinterpretaties volgens huidige doelstellingen interageren met een meer onbewuste doorwerking van bestaande overtuigingen en narratieven. Een herinnering wordt nooit vanuit het niets gecreëerd, maar draagt ook altijd in zich wat er voordien al kwam. Of zoals historicus Jan Assmann het al zei: ‘The present is ‘haunted’ by the past and the past is modelled, invented, reinvented, and reconstructed by the present’. Ik was dus geïnteresseerd in de wisselwerkingen tussen bewuste overwegingen en zulke minder bewuste omgangen met het verleden, die samen leiden tot herinneringen die niet eenduidig te herleiden zijn tot strategische keuzes.
Maar deze bewegingen gaan inderdaad veel verder dan dit temporele niveau. Nog te vaak worden herinneringen beperkt tot nationale dimensies. We hebben het over Belgische, Congolese of Franse herinneringen, alsof deze voorstellingen van het verleden enkel binnen die landsgrenzen vorm krijgen. In werkelijkheid overschrijden ideeën en narratieven voortdurend dergelijke nationale grenzen. Michael Rothberg beschrijft het herinneringslandschap als een grote discursieve publieke arena waarin verschillende herinneringen, narratieven of discours over een hele reeks onderwerpen ontstaan, veranderen, elkaar tegenspreken én elkaar beïnvloeden. En deze arena is veel groter én veel kleiner dan een nationaal grondgebied, waardoor interacties plaatsvinden op lokaal, nationaal en supranationaal niveau.
Al snel in mijn onderzoek zag ik hoe de narratieven die ik in mijn Belgische bronnen terugvond veel weg hadden van wat andere onderzoekers in andere nationale contexten hadden opgemerkt. Herinneringen, discours en narratieven migreren dan ook voortdurend van situaties naar situaties, over grenzen heen en van de ene naar de andere gemeenschap. Dit wordt heel duidelijk wanneer je tracht te begrijpen waarom het rond de jaren 1980 en 1990 een shift opduikt in de manier waarop groepen, maar ook elites en regeringen herinnering aan controversiële verledens behandelen. Deze ontwikkeling beperkt zich immers in geen geval tot België, maar is een veel breder fenomeen in Europa, waar een directe erkenning van voordien verzwegen of controversiële gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis steeds vaker een morele vereiste wordt voor elke democratie.
Vous avez également fait des liens avec l’organisation par pilier de la société belge. Comment la mémoire de la collaboration et de la colonisation s’inscrivent-elles dans ces structures idéologiques et comment ont-elles évolué ?
U hebt eveneens de link gelegd met de verzuilde organisatie van de Belgische samenleving. Op welke manier zijn de herinneringen aan de collaboratie en aan de kolonisatie ingebed in deze ideologische structuren en hoe zijn deze geëvolueerd?
Een studie over Belgische herinneringen vervalt inderdaad al snel in vragen over de verschillen tussen Belgische groepen: zowel de taal- als ideologische gemeenschappen worden vaak voorgesteld als zijnde alleenstaande herinneringsgemeenschappen, wiens visies over het Belgische verleden drastisch uiteenlopen. Dat dergelijke identificatie inderdaad bij momenten heeft geleid tot verschillende en soms tegenstrijdige narratieven kan niet worden ontkend en heeft bovendien al geregeld het onderwerp uitgemaakt van diepgaande interdisciplinaire studies. Zo merkte ook ik op hoe voorstellingen van de collaboratie aanvankelijk zowel in schoolboeken als handboeken echo’s in zich droegen van de politieke strijd tussen de socialistische en katholieke partijen van de jaren 1950. Deze eersten stelden katholieke scholen maar al te graag voor als broeihaarden voor collaboratie; en dit bovendien over taalgrenzen heen. Ook na de onafhankelijkheid van Congo in 1960 benadrukten zowel Nederlandstalige als Franstalige socialistische kranten op een gelijkaardige manier dat hun partij niet in de regering had gezeten tijdens de onafhankelijkheidsvoorbereidingen en dus niet verantwoordelijk gehouden mochten worden voor de slechte machtsoverdracht.
In mijn onderzoek wisselde het belang van deze twee breuklijnen elkaar af. Waar de eerste decennia vooral discrepanties vertoonden tussen socialistische, katholieke en liberale kranten, over taalgrenzen heen, begonnen verschillen tussen de taalgemeenschap de bovenhand te halen vanaf de late jaren 1960 en 1970. Het moet echter benadrukt worden dat dergelijke discrepanties zich niet beperken tot deze groepen. Als we binnen de taalgemeenschappen op zoek zouden gaan naar verschillen, zouden we die zonder twijfel ook in veelvoud vinden. Er zijn zoveel verschillende herinneringen als dat er groepen zijn. Bovendien moet ik hier erkennen dat de shift in het belang van elk van de breuklijnen ook nauw samenhangt met mijn bronnenkeuze: tot de jaren 1960 waren kranten sterk gelinkt aan een politieke partij en handelden vaak als hun spreekbuis. Dat deze traditionele politieke partijen tot de jaren 1970 meestal unitaire partijen waren die zich slechts later splitsten in een Nederlandstalige en Franstalige partij zal bijgedragen hebben tot een schijnbaar uniformer narratief over taalgrenzen heen. Nederlandstalige schoolboeken waren tot de jaren 1950 dan weer vaak vertalingen van Franstalige publicaties.
Toch stelt mijn onderzoek de grote focus op deze traditionele breuklijnen in vraag. Belangrijker dan deze genuanceerde verschillen tussen taal- en ideologische gemeenschappen, waarbij de kritiek op het kolonialisme misschien net iets vroeger en iets heftiger naar voren kwam in Nederlandstalige kranten, waren grote discursieve veranderingen die zich op ongeveer hetzelfde moment in alle kranten en schoolboeken voordeden. De thesis roept daarom op om zich in onderzoek naar Belgische herinneringen niet blind te staren op de verschillen tussen taal- of ideologische gemeenschappen en daarentegen te erkennen dat de verschillende groepen in België in hun voorstellingen van het verleden steeds interageren met andere discours en narratieven binnen en buiten de nationale grenzen.
Pour terminer cette interview, qu’êtes-vous devenue depuis la défense de votre thèse ? Quelles sont les recherches que vous poursuivez ?
Ter afronding van dit interview, wie bent u geworden sinds de verdediging van uw thesis? Welk onderzoek krijgt nu, en in de toekomst, uw aandacht?
Ik ben momenteel onderzoeker aan het Max Planck Instituut voor Sociale Antropologie in Halle, Duitsland. Daar werk ik samen met prof. Valérie Rosoux en prof. Marie-Claire Foblets op het onderzoeksproject ‘Memory and Transitional Justice’. Dit project wil nagaan hoe herinneringen een belangrijke rol (kunnen) spelen in transitional justice-initiatieven na perioden van geweld.
Mijn eigen onderzoeksinteresses binnen dit bredere veld richten zich steeds meer op de collectieve herinneringen in België aan de koloniale geschiedenis van het mandaat Urundi (vandaag Burundi). Al tijdens mijn doctoraatsonderzoek bleek heel snel dat debatten over het koloniale verleden van België zich vaak beperken tot de geschiedenis van Congo Vrijstaat en Belgisch Congo. De Burundese geschiedenis blijft daarentegen vaak uit beeld. Een tekenend voorbeeld hiervan is hoe de bijzondere parlementaire commissie over het koloniaal verleden al snel in de volksmond de ‘Congocommissie’ werd genoemd, hoewel de officiële titel als volgt luidt: ‘Bijzondere commissie belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat (1885-1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962), de impact hiervan en de gevolgen die hieraan dienen gegeven te worden’. Verwijzingen naar Burundi (en Rwanda) in de officiële rapporten bleven schaars, zoals bovendien ook erkend wordt door de experten zelf. Ik verdiep me dus steeds meer in herinneringen aan het koloniaal verleden in Burundi, met een focus op de rol van de post-koloniale relaties tussen België en Burundi hierin.
Un grand merci à vous, et encore félicitations pour votre Prix et votre thèse passionnante.
Heel erg bedankt, en nog eens gefeliciteerd met uw Prijs en boeiende thesis.
Contacteer ons
Dat kan via onderstaande link
