Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2019 Nummer 1

Review

Corporate kantoorinterieurs in naoorlogs België: Een genealogie van een moderne sociotoop.

Nico Deswaef, KU Leuven

Geënsceneerd kantoorinterieur uit reclamefolder ‘Modern office planning’ van De Coene (Rijksarchief te Kortrijk, 913 Verzameling de Coene nv: 183 Publiciteit. [2de helft 20ste eeuw], (ca. 1970).)

Na de Tweede Wereldoorlog ondergingen verschillende Europese steden radicale veranderingen. Overtuigd van een vooruitgangsideaal en gestuurd door een vernieuwingsdrift faciliteerden wetgevers en ambtenaren de georganiseerde kaalslag van het historische stadsweefsel om plaats te ruimen voor nieuwe transportmogelijkheden, nieuwe economische activiteiten en nieuwe levensstandaarden.1 Als gevolg hiervan werden verschillende Europese steden niet langer uitsluitend gedomineerd door symbolen van wereldlijke of spirituele macht, maar ook door nieuwe ‘tempels’ van economische voorspoed en globalisering. Deze kantoorgebouwen contrasteerden sterk met het bestaande historische stadsweefsel qua schaal en materialiteit.2

Kantoorinterieur uit reclamefolder ‘Divisie Meubles’ van De Coene, nieuwe zetel van de Generale Bankmaatschappij te Hasselt (Rijksarchief te Kortrijk, 913 Verzameling de Coene nv, 184 Publiciteit. [2de helft 20ste eeuw], (1970-1971).)

De opkomst van het naoorlogse kantoorgebouw heeft niet enkel het historische stadsweefsel ingrijpend en blijvend veranderd, ze symboliseert ook een drastische wijziging van de Westerse werkplek. Voortaan domineerden bedienden de arbeidsmarkt in een vooral op diensten gerichte economie. In hun werkplaatsen, het kantoorgebouw, ontstond een specifieke sociotoop, die sterk gestuurd werd door bureaucratische principes en sociale, economische en politieke omstandigheden. Verschillende bedrijven en multinationals traden op als leidende hervormers van deze sociotoop en investeerden als eigenaar en gebruiker bewust in vaak volledig op maat bemeubelde nieuwbouwkantoren.3

Het lopende onderzoeksproject Corporate kantoorinterieurs in naoorlogs België: een genealogie van een moderne sociotoop bestudeert kantoorinterieurs in België als een microkosmos van sociale transformatie en als een maatstaf van culturele progressie in een radicaal veranderende maatschappij. België is een dankbare case voor dit onderzoek vanwege de centrale rol die het zowel op economisch vlak -met de Antwerpse haven als poort tot Europa- als op politiek vlak -met Brussel als hoofdstad van Europa- in het naoorlogse Europa ambieerde op te nemen. Tot dusver heeft onderzoek naar kantoorgebouwen in België zich vooral toegelegd op het architecturale en stedenbouwkundige perspectief. Dit doctoraatsonderzoek ontwikkelt een derde perspectief door te focussen op de rol van de architect en interieurarchitect als bemiddelaar tussen verschillende stakeholders en kantoorplanningsmodellen, wat resulteerde in een specifieke sociotoop. Deze bijdrage heeft als doel om het thema kantoorinterieur en kantoorsociotoop binnen het Belgische onderzoeksveld onder de aandacht te brengen en een status quaestionis te bieden van het bestaande academische onderzoek.

Internationaal gezien zijn kantoorarchitectuur en –inrichting tot op heden bestudeerd vanuit verschillende onderzoekdomeinen en theoretische kaders. Naast architectuur- en planningstheorieën wordt er ook vanuit economische, bureaucratische en psychologische principes aandacht besteed aan het functioneren van deze specifieke werkplek. Zo beschrijft de Britse architect en theoreticus Francis Duffy een uitgesproken Angelsaksische-traditie die reeds vanaf de aanvang van de 20ste eeuw sterk beïnvloed werd door de Tayloriaanse theorie en wetenschappelijke bedrijfsvoering. Deze hadden tot doel om door middel van het rationaliseren van de werkingsprocessen, het implementeren van een duidelijke hiërarchie, het uitoefenen van controle en de standaardisatie van het takenpakketten de efficiëntie van de werkvloer te verhogen.4 In Europa herkent Duffy een Noord-Europese traditie die hij omschrijft als het sociaal democratische-model. Deze traditie steunt op het landschapsmodel, in navolging van het Duitse Bürolandschaft-model ontwikkeld in 1958 door het Quickborner Team. In dit model blijven werknemers vaker gespaard van harde efficiëntiecampagnes die eigen zijn aan de Angelsaksische traditie, maar is er meer aandacht voor het welbehagen van de werknemer.5 Later verfijnt Duffy zijn analyse en beschrijft hij drie golven van werkplekverandering: het Tayloriaanse model, het sociaaldemocratische model en het netwerkmodel. Binnen het netwerkmodel wordt fysieke nabijheid en controle van werknemers vervangen door een digitale verbondenheid van de data.6.

De Nederlandse architectuurtheoreticus Juriaan van Meel nuanceert deze duale analyse en beschrijft in zijn proefschrift dat de ontwikkeling van kantoorinterieurs op het Europese vasteland gedifferentieerder en meer regiogebonden is. Inrichting van kantoorinterieurs is meer beïnvloed door regionale bouwtradities en wetgeving rond arbeidsomstandigheden. Ook stelt een diepgewortelde syndicale traditie de Europese bediende minder bloot aan Tayloriaanse rationaliseringscampagnes en waarborgt deze traditie een minimum aan verse lucht, daglicht en privacy voor de werknemers. Als gevolg hiervan vinden combi-concepten, die een open planning combineren met cellenkantoren, en alle mogelijke varianten op dit thema, veel meer zijn ingang op het Europese vasteland.7

Combi-inrichtingsplan derde verdieping van het hoofdkantoor van Esso Belgium S.A. door architect Eugeen Dekinder (FelixArchief, Archieven van de stad Antwerpen, ‘Esso Belgium, vol 1, Frankrijklei, 95/101’ 72#285 (27/01/1960).)

Deze historische en architectuur-theoretische onderzoeken naar kantoorinterieurs zijn echter vaak opgebouwd uit een aaneenschakeling van exemplarische casestudies. Hierbij wordt teruggegrepen naar de vernieuwende ontwerpen van de Bauhaus-erfgenamen of het architectenbureau Skidmore, Owings and Merrill (SOM), die in de jaren 1950 toonaangevende kantoortorens realiseerden in de Noord-Amerikaanse grootsteden. Voor Europa zijn veel voorkomende voorbeelden het kantoorgebouw van Centraal Beheer (1972) in Apeldoorn van Herman Hertzberger en het SAS kantoorgebouw (1987) in Frösundavik (Zweden) van Niels Torp.8 Een persoonlijke bedenking is in hoeverre deze exemplarische voorbeelden representatief zijn voor de algemene praktijk in deze tijdsperiode.

Naast historiserende theoretische onderzoeken zijn er ook veel architecturale handboeken over kantoorinrichting. Deze handboeken zijn erop gericht om ontwerptheorieën aan te reiken aan de verschillende stakeholders van grote kantoorprojecten. Op deze wijze deden nieuwe inrichtingsvormen hun intreden in de zakenwereld. Vooral het Duitse Bürolandschaft deed op deze wijze zijn intrede op de rest van het Europese vasteland. Kort daarna waait het Bürolandschaft-concept over naar de Engelstalige literatuur en wordt er geëxperimenteerd met landschapskantoorinrichtingen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Opvallend is dat beide continenten elkaar sterk beïnvloeden, maar toch steeds een wantrouwen en terughoudendheid behouden ten opzichte van elkaar.9

Hoewel kantoorgebouwen en -interieurs een vrij recent fenomeen zijn, omschrijven verschillende auteurs toch een soort rigide orthodoxie in het ontwerpproces van deze gebouwentypologie. De gerealiseerde vloeroppervlakte bleef lang voor opdrachtgevers het voornaamste en enige criteria om ontwerpen op af te rekenen.10. Peter Drucker, een Amerikaanse econoom, omschreef dit als volgt: ‘We are in the year 2000 roughly where we were in the year 1900 in terms of the productivity of manual worker’11. Dit ondanks de steeds snellere en ingrijpendere automatisatie en mechanisering die doorheen de 20ste eeuw een in grijpende invloed had op de werkprocessen.12

Vanuit design-historisch perspectief wordt de ontwikkeling van het kantoorinterieur en -meubilair gekoppeld aan de economische conjunctuur. Zo was er volgens Adrian Forty in tijde van economische bloei en de hieraan gekoppelde arbeidskrapte veel meer aandacht voor het ontwerp en de vormgeving van de kantooromgeving. In tegenstelling tot de arbeidersklasse, die in deze periodes werd aangetrokken door stijgende lonen, werden bedienden aangetrokken door een steeds comfortabelere werkomgeving die steeds meer aanleunde bij een gevoel van huiselijkheid. Zo evolueerde bijvoorbeeld de typmachine van een zeer zwaar industrieel ogend voorwerp naar een licht en elegant gebruiksvoorwerp.13

De evolutie van de typmachine is te herkennen in de reclamefolders voor kantoormeubilair van De Coene. Links uit een folder voor EFAC Business Furniture uit 1960. Rechts uit een folder voor EFAC M20 uit 1967. (Rijksarchief te Kortrijk, 913 Verzameling de Coene nv, 184 Publiciteit. [2de helft 20ste eeuw], (1960&1967).)

De introductie van de meubellijn Action Office in 1964, naar ontwerp van Robert Propst en vervaardigd en op de markt gebracht door Herman Miller Company, symboliseert de individualisering van de werkplek. De combinatie van verschillende losse meubelstukken die naar de eigen behoeften kunnen worden geschikt ten opzichte van elkaar geeft de werknemer een grotere vrijheid en werd als ideaal beschouwd voor een open-planinrichting. Met dit individuele workstation heeft de werknemer alles bij de hand om al zijn taken uit te voeren. Deze meubellijn werd vaak vergeleken met de cockpit van een vliegtuig waarbij de werknemer als piloot al zijn taken aanstuurt. Ronn Daniel koppelt deze doorgedreven keuzevrijheid in organisatie van de eigen werkprocessen aan Koude Oorlogspropaganda, waarbij deze vrijheid symbool staat voor de individuele vrijheden van alle burgers binnen het Westerse blok.14 Dit concept van individueel systeemmeubilair wordt in de Verenigde Staten door verschillende meubelbouwers nagemaakt waardoor er kan gesproken worden van een volledige generatie van ‘Action Office’-meubilair.15

Ondanks de dominante positie die kantoren in de naoorlogse steden innemen, is historisch onderzoek naar deze kantoorinterieurs en de sociotopen die zij genereerden eerder beperkt. De vergankelijkheid van deze interieurs, die veelal als een verbruiksgoed werden beschouwd, draagt hier zeker toe bij. Het interieur moet veelal gereconstrueerd worden aan de hand van diverse primaire bronnen, waaronder plannen en foto’s. Daarbij komt het probleem van de vluchtigheid van deze sociotoop. Het is niet vanzelfsprekend om een niet-tastbare kantoorcultuur te onderzoeken, zeker niet vanuit architectuurhistorisch perspectief dat zich veelal toelegt op een fysiek tastbaar bronnenarsenaal. Hierdoor situeert dit onderzoek naar de sociotoop in deze kantoorgebouwen zich aan de rand van de methodologische comfortzone van zowel traditioneel historisch onderzoek en traditioneel architecturaal onderzoek. Voor het reconstrueren van deze kantoorsociotoop zal er dus uit een divers bronnenarsenaal moeten geput worden bestaande uit architecten- en bedrijfsarchieven, contemporaine architectuurtijdschriften, interviews en beeldvorming van kantoorcultuur in populaire media. Zo wil het onderzoek het kantoorinterieur benaderen als een onderhandelde ruimte met de architect of interieurarchitect als liaison.

Door het kantoor te benaderen als een onderhandelde ruimte, zal dit het een nieuw beeld geven op de visies, motieven en externe invloeden die deze nieuwe werkomgeving creëerden. Bijkomend hoopt dit onderzoek inzicht te verschaffen in de invloed van buitenlandse bouwconcepten en –praktijken op de lokale traditie. Ten slotte hoopt het ook bij te dragen tot het vraagstuk van vergankelijkheid van deze interieurs en het debat over behoud en duurzaamheid.

- Nico Deswaef

Webreferenties

  1. Nico Deswaef: https://www.kuleuven.be/wieiswie/nl/person/00120627

Referenties

  1. Burniat, Patrick, Feron, Cécile, Lacour, Marc en Matthu, Roland, 50 jaar Architectuur in Brussel, (Brussel: CERAA, A.U., 1989) p. 1-2.
  2. van Meel, Juriaan, The European Office: Office design and national context, (Rotterdam: 010 Publishers, 2000), p. 9.
  3. Myerson, Jeremy, ‘The Evolution of Workspace Design: From the Machine to the Network’, in: Brooker, Graeme en Weinthal, Lois (eds.), The Handbook of Interior Architecture and Design, (London: Bloomsbury Academic, 2013), pp. 213-225.
  4. Crisp, Vic, Duffy, Francis en Laing, Andrew, The Responsible Workplace: The redesign of work and offices, (London: DEGW and the Building Research Establishment, 1993), p. 33-34.
  5. Duffy, Francis en Powell, Kenneth, The new office, (London: Conran Octopus Limited, 1997), p. 34-35.
  6. Duffy, Francis, Workplace Trends: Global Arena Conference ,(London: Tate Britain, 2006).
  7. van Meel, Juriaan, The European Office: Office design and national context, (Rotterdam: 010 Publishers, 2000), p. 153-158 ; Myerson, Jeremy, ‘The Evolution of Workspace Design: From the Machine to the Network’, in: Brooker, Graeme en Weinthal, Lois (eds.), The Handbook of Interior Architecture and Design, (London: Bloomsbury Academic, 2013), pp. 213-225 en Caruso St John Architects, Mozas, Javier en Per, Aurora Fernández, The office on the grass: The evolution of the workplace ,(Vitoria-Gasteiz: a+t architecture publishers, 2017), p. 18-24.
  8. Joedick, Jürgen, Bürobauten (Stuttgart: Verlag Hatje, 1959); Duffy, Francis en Powell, Kenneth, The new office, (London: Conran Octopus Limited, 1997); Albrecht, Donald en Broikos, Chrysanthe B., On the job: design and the American office, (New York: Princeton Architectural Press, 2000) en van Meel, Juriaan, The European Office: Office design and national context, (Rotterdam: 010 Publishers, 2000).
  9. Joedick, Jürgen, Bürobauten, (Stuttgart: Verlag Hatje, 1959); Boje, Axel, _Das Grossraum Büro, (München: Verlag Moderne Industrie Wolfgang dummer & Co, 1968); Pile, John, Interiors: Second book of offices, (New York: Whitney Library of Design, 1969) en Duffy, Francis en Wankum, A., Office landscaping: a new approach to office planning / layout planning in the landscaped office, (London: Anbar Publications LTD, 1969).
  10. Crisp, Vic, Duffy, Francis en Laing, Andrew, The Responsible Workplace: The redesign of work and offices, (London: DEGW and the Building Research Establishment, 1993), p. 78-79.
  11. Drucker, Peter, ‘The Next Society: A Survey of the Near Future’, in: Emmott, Bill, The Economist (London: The Economist Group, November 3, 2001), Supplement.
  12. Reinhold, Martin, The Organizational Complex: Architecture, Media, and Corporate Space, (Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 2003).
  13. Forty, Adrian, Objects of Desire: Design and Society since 1750, (London: Thames & Hudson,1986), pp. 152-155.
  14. Daniel, Ronn, M., ‘Herman Miller’s Action Office: Corporate Interiors in the Cold War’, in: Massey, Anne, Interiors: Design, Architecture & Culture, (London: Bloomsbury, 2015), pp. 5-20.
  15. Pile, John, Open Office Planning: A Handbook for Interior Designers and Architects, (New York: Whitney Library of Design, 1978), pp. 27-29.