Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2019 Nummer 2

Recensies

Jacquemin, Madeleine, Les Forges de Clabecq de 1781 à 1939. Naissance et développement d’un fleuron de l’industrie sidérurgique belge, (Liège : Les Editions de la Province de Liège, 2018), p. 742.

dr. Joeri Januarius, Expertisecentrum voor Technisch, Wetenschappelijk en Industrieel Erfgoed (ETWIE)- Industriemuseum

Bedrijfshistoriografie blijft een moeilijke discipline. Enerzijds is er het groeiende corpus aan jubileumboeken die in opdracht van bedrijven zelf worden geschreven. Dit gebeurt naar aanleiding van een specifieke verjaardag, en dient een specifiek doel. Anderzijds is er het academisch onderzoek naar bedrijfsgeschiedenis en –archieven, dat in ons land met diverse onderzoekers en publicaties een tijd hoog op de onderzoeksagenda stond. Het is ondertussen wel al meer dan vijftien jaar geleden dat een inspirerend themanummer verscheen in het Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis met daarin een aantal impulsen voor nieuw onderzoek rond bedrijfsgeschiedenis.

Deze bedrijfsgeschiedenis van het Waals-Brabantse staalbedrijf Forges de Clabecq (1781-1939) is een publieksgerichte uitgave van het doctoraat van Madeleine Jacquemin. Als rijksarchivaris specialiseert ze zich in onder meer bedrijfsarchieven. Vanuit die functie inventariseerde ze het 300 meter lange archief van de Forges de Clabecq (1828-1997). De eerste hoofdstukken uit de studie maken meteen duidelijk dat Jacquemin het archief door en door kent: het empirisch bronnenonderzoek is dan ook een voorbeeld voor vele andere bedrijfsgeschiedenissen.

De Forges de Clabecq is zonder meer een belangrijk bedrijf geweest in de sociaaleconomische geschiedenis van ons land. Het gebrek aan een toegankelijk archief en de grote aandacht voor andere industriële gebieden zorgden ervoor dat het wachten was op deze studie vooraleer we een grondig inzicht konden krijgen in de levensloop van dit bedrijf. Het is nu net die lange levensloop van 216 jaar die Jacquemin onderzoekt en die de kern vormt van haar probleemstelling. Ze formuleert hypotheses in de inleiding, die dan diepgaand in de verschillende hoofdstukken chronologisch worden aangepakt. Ze linkt de lange levensloop aan het beperkt aantal families die aan het hoofd van het bedrijf stonden (Van Escchen, Besme, Goffin) en die op bepaalde momenten in de geschiedenis van het bedrijf cruciale beslissingen namen. In het begin van de 20ste eeuw bijvoorbeeld stond de Forges de Clabecq voor de uitdaging om de overgang te maken van ijzer- en staalproductie. De Raad van Bestuur koos er in 1908 voor om een nieuw staalbedrijf uit de grond te stampen. Een cruciale beslissing bleek achteraf, die ervoor zorgde dat het bedrijf na de oorlog verder kon doorgroeien.
Een tweede belangrijke insteek is de wijze waarop de Forges de Clabecq is omgegaan met de veranderingen in techniek. Jacquemin toont overtuigend aan dat het bedrijf systematisch de technische evoluties opvolgt, kan diversifiëren, en zo concurrentieel blijft, zeker in vergelijking met staalbedrijven in bijvoorbeeld Charleroi, die dichter bij de mijnen en dus de steenkool zitten, belangrijk voor de productie.

De absolute sterkte van dit werk is het empirisch onderzoek, en de indrukwekkende omvang bedrijfsarchieven die verwerkt zijn. Het basiswerk over de Forges de Clabecq (1781-1939) lijkt geschreven. Toch roept deze aanpak ook een aantal vragen op. Hoe sterk het bronnenonderzoek is, hoe zwak de literatuurstudie in deze versie is uitgewerkt. De casus van de Forges de Clabecq staat heel sterk op zichzelf (hoewel er soms vergelijkingen worden gemaakt met andere regio’s), en wordt niet expliciet gelinkt aan bijvoorbeeld ander historisch of economisch onderzoek naar levenslopen van (familie)bedrijven. Dergelijke reflectie had nog meer diepgang kunnen geven aan dit werk.

Tot slot eindigt Jacquemin met een aantal pistes voor toekomstig onderzoek naar de Forges de Clabecq, gericht op het recente archief dat ter beschikking staat van het historisch onderzoek. Hopelijk beperkt dat onderzoek zich niet enkel tot een aantal belangrijke (weliswaar klassieke) thema’s, maar wordt ook zeer actief de link gelegd naar (onroerend, roerend en immaterieel) erfgoedonderzoek.

- Joeri Januarius