Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 3

Aan het woord

De medicalisering voorbij? Interview met Kaat Wils en Benoît Majerus over de uitdagingen voor een geschiedschrijving over gezondheid

Joris Vandendriessche, KU Leuven

Met het nieuwe academiejaar maakt het Belgian Network for Medical History een doorstart. Onder de nieuwe naam Health in History, met een opgefriste website en een tweemaandelijkse nieuwsbrief wil het netwerk een breed terrein bestrijken. Alle historici met een interesse in de geschiedenis van (medische) kennis, lichamelijkheid en gezondheid zijn daarbij welkom. Wie lid wil worden, kan een bericht sturen naar joris.vandendriessche@kuleuven.be of tinne.claes@kuleuven.be.

De lancering van Health in History vormt ook een gelegenheid voor een gesprek met Kaat Wils en Benoît Majerus over het veld van de medische geschiedenis – ruim beschouwd – in België. Cultuurhistorica en Leuvens hoogleraar Kaat Wils vond vanuit de geschiedenis van de 19de-eeuwse intellectuele cultuur de weg naar de wetenschapsgeschiedenis en de geschiedenis van het lichaam. Zij werkt momenteel aan een historische analyse van het therapeutisch gebruik van hypnose. Sociaal historicus en docent Europese geschiedenis aan de Université du Luxembourg, Benoît Majerus, richt zich op mechanismes van disciplinering en normalisering, en kwam via een studie van de politie tijdens de Eerste Wereldoorlog tot de geschiedenis van de twintigste-eeuwse psychiatrie.

Joris Vandendriessche: Jullie kwamen elk vanuit een andere richting tot de medische geschiedenis. Waarom zijn jullie zo gepassioneerd door dit subveld?

Kaat Wils: Het is een veld dat over heel fundamenteel menselijke ervaringen van ziekte en gezondheid gaat. Een domein dat intuïtief aan de geschiedenis lijkt te ontsnappen omdat pijn of fysiek welbevinden universele ervaringen lijken, maar bij nader inzien zijn veel aspecten die met gezondheid te maken hebben, bij uitstek historisch bepaald. Het is een veld ook waarin meerdere historische interesses die ik al langer koester, samenkomen: wetenschapsgeschiedenis (ontwikkeling en verspreiding van kennis, grensgeschillen tussen wetenschap en ‘charlatanisme’ …); ideeëngeschiedenis (artsen ontwikkelen niet alleen ideeën over ziekte en gezondheid, maar ook over de maatschappij als geheel; omgekeerd is tijdens de twee voorbije eeuwen veel medisch discours naar andere maatschappelijke velden gemigreerd); lichaamsgeschiedenis (lichamelijke genezingspraktijken, wisselende interpretaties en ervaringen van de banden tussen lichaam en geest …) en gendergeschiedenis (gender is een sociale categorie van verschil die sinds de 19de eeuw een bio-medische grondslag heeft gekregen).

Benoît Majerus: Je crois que ma fascination première est liée aux sources, notamment les dossiers des patients par lesquels j’ai commencé à travailler sur l’histoire de la psychiatrie. Ils permettent parfois d’écrire une autre histoire de la psychiatrie par la multiplicité de documents qu’ils contiennent: notes rédigées par le médecin, rapports journaliers des infirmières, documents (lettres, dessins …) de patients, procès-verbaux de la police, correspondance avec les services sociaux, échanges avec la famille … Cette richesse documentaire permet d’écrire une histoire à plusieurs voix et d’inscrire ce savoir dans des pratiques sociales qui dépassent largement le seul domaine de l’histoire médicale. La deuxième richesse réside dans le dialogue avec les infirmières, les patients et les médecins qui vivent et travaillent aujourd’hui en psychiatrie. S’il m’arrivait de faire une conférence devant des policiers (mon sujet de thèse), il y a sur ce sujet une véritable discussion (parfois conflictuelle) avec les populations qui passent par la psychiatrie.

Het archief van de Karl-Bonhoeffer Nervenklinik.

JV: Welke gelijkenissen zien jullie in elkaars werk?

KW: Ik vermoed dat aan ons beider werk te zien is dat we ons als historici niet beperken tot medische geschiedenis, maar thema’s uit het veld van de geneeskunde als een onderdeel van bredere vragen bestuderen. In Benoits werk bewonder ik onder meer zijn consistente aandacht voor de dubbelzinnige positie van patiënten als voorwerp van de medische machinerie, maar ook als actoren die in micro-omgevingen wel degelijk hun stempel kunnen drukken op medische interacties. Daarnaast is Benoit ook heel sterk in het verbreden van de blik naar niet-menselijke actoren in de geschiedenis van de geneeskunde: de rol van specifieke geneesmiddelen, bijvoorbeeld, of de rol van architectuur en materiële cultuur in psychiatrische instellingen.

BM: De prime abord, tout semble nous séparer: la période sur laquelle nous travaillons, Kaat venant de l’histoire culturelle et moi-même plutôt de l’histoire sociale, les sources que nous utilisons. Mais là où je vois des ressemblances c’est dans la volonté de décloisonner l’histoire médicale. En travaillant sur des savoirs qui sont aujourd’hui considérés comme illégitimes et marginalisés mais qui à l’époque pouvaient faire partie du mainstream, Kaat met également en avant une histoire de la médecine multiple qui ne retient pas que l’orthodoxie qui s’est imposée.

J. Crocq (fils), Sur quelques phénomènes de l’hypnose (s.l., 1893), p. 21.

KW : Dat klopt. In mijn huidig onderzoek analyseer ik hoe magnetisme en hypnose terreinen waren waarop de grenzen tussen orthodoxe en niet-orthodoxe geneeskunde voortdurend ter discussie stonden. Zo zijn artsen in België zich pas beginnen verdiepen in hypnose nadat ze met veel misbaar - en met succes - voor een medisch monopolie hadden gestreden, ten koste van magnetiseurs, met wie ze nochtans sinds lang ook samenwerkten.

Albert von Keller, Hypnose bei Schrenck-Notzing, ca. 1885.

JV: Is de medische geschiedenis anders dan andere takken van de geschiedschrijving? Met welke subvelden in de geschiedwetenschap of met welke andere disciplines zien jullie linken?

KW: Ik ervaar de medische geschiedenis als een open veld met veel ruimte voor empirisch onderzoek, methodologisch pluralisme en weinig theoretische orthodoxie of dogma’s. Ik benader het veld zelf als een onderdeel van de cultuurgeschiedenis, maar uiteraard zijn er even goed andere allianties mogelijk. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan sociale geschiedenis. Het medische veld wordt sterk bepaald door instituties die disciplinerende macht uitoefenen en ongelijkheid bestendigen. Net daarom is aandacht voor zowel het medisch vertoog als voor de rol van patiënten zo belangrijk.

BM: Il y a deux généalogies qui sont souvent mise en avant: l’histoire sociale des hôpitaux et hospices qui avait aussi une certaine tradition en Belgique et les Science and Technology Studies qui ouvrent sur d’autres disciplines comme la sociologie ou l’anthropologie, un lien qui ne semble pas très développé en Belgique. D’une manière personnelle, je pense que l’histoire médicale n’a pas de liens naturellement plus riches avec d’autres spécialisations en histoire: ça dépend beaucoup des questions que le chercheur se pose: comme pour chaque sujet ça peut partir dans toutes les directions.

JV: Jullie schetsen de medische geschiedenis als een open veld, dat steeds verder verruimt. Schuilt daarin ook een gevaar, bijvoorbeeld van een gebrek aan een gemeenschappelijke agenda?

BM: J’y vois plutôt une chance parce que ça permet aux historiens de la médecine de davantage interagir avec d’autres chercheurs en histoire mais aussi en sciences sociales et humaines. Mes envies de projets communs naissent plutôt du plaisir à travailler avec des personnes, qu’elles travaillent sur l’histoire de la médecine ou sur d’autres sujets.

KW: Ik ben persoonlijk niet zo’n voorstander van een ‘georkestreerd’ onderzoeksbeleid. Ik denk dat we als onderzoekers vandaag al behoorlijk gevoelig zijn voor modes en trends in het onderzoek – ik betwijfel of het zinvol is om daar een specifieke onderzoeksagenda aan toe te voegen. Nieuwsgierigheid en verwondering blijven voor mij belangrijke drijfveren om onderzoek te doen. Al is het uiteraard goed om netwerken op te zetten om bepaalde thema’s wat grondiger en vanuit meerdere perspectieven te bestuderen. In Leuven hebben we dat recent gedaan met de start van een Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschap over Geneeskunde en Katholicisme sinds de 19de eeuw, omdat we het gevoel hadden dat dit een onderbelichte en belangrijke thematiek is.

JV: Internationaal gaan stemmen op voor een verbreding van de medische geschiedenis tot een geschiedenis van (fysieke en mentale) gezondheid. Zien jullie mogelijke voordelen?

KW: Tijdens de voorbije decennia heeft de medische geschiedenis zich sterk verbreed. Niet alleen artsen of de evolutie van de medische kennis komen aan bod, maar ook een breed gamma aan opvattingen, praktijken en ervaringen met betrekking tot ziekte en lichamelijk en geestelijk welbevinden, met betrekking tot pijn, lijden en de dood. In die zin kan een nieuwe naam de geëvolueerde praktijk beter weergeven.

BM: L’histoire de la médecine suit d’une certaine manière une évolution plus large qui inscrit la médecine non plus seulement dans la lutte contre la maladie mais dans une approche de prévention de maladies et d’amélioration du corps. Accompagner ces changements sociétaux d’un regard historicisant et critique me semble nécessaire.

KW: Zeker en het is belangrijk dat die historisering genuanceerd gebeurt. ‘Gezondheid’ is immers geen neutrale categorie, maar een normatief begrip waarvan de invulling verschilt afhankelijk van tijd en plaats; een begrip dat met andere woorden zelf een belangrijk object van kritisch historisch onderzoek moet zijn. In die zin kan het ook wat tricky zijn om het als een schijnbaar neutrale categorie te hanteren om een wetenschappelijk veld af te bakenen.

JV: Tot slot, bestaat er een ‘Belgische’ geschiedenis van de geneeskunde?

BM: Vu l’importance de l’état-nation aux 19e et 20e siècles en Europe, il y a des histoires belges de la médecine que ce soit dans l’organisation des soins – avec la forte présence des congrégations –, dans le financement des soins – avec la pilarisation des mutualités –, les cultures mémorielles portées par le champ médical belge – André Vesale comme père fondateur de la médecine belge. En même temps, comme pour les autres pays, elle est aussi une histoire qui transcende largement les frontières nationales et à d’autres moments, elle ne fait sens qu’à une échelle locale.

KW: Er bestaat voor de 19de en 20ste eeuw zeker zoiets als een ‘Belgisch’ onderzoeksobject, vanwege de groeiende rol van de nationale overheid in de regulering en uitbouw van medische zorgen, zeker in de moderne welvaartstaat. Maar uiteraard heeft het ook voor deze periode weinig zin je in je onderzoek tot het nationale kader te beperken. Ik denk niet dat er een soort ‘Belgische benadering’ van de medische geschiedenis is, en de vraag is ook of dat wenselijk is. Maar aangezien er, anders dan in alle ons omringende landen, in België geen leerstoelen medische geschiedenis (en evenmin vakgroepen medical humanities) zijn, is het niet verwonderlijk dat er nog groeipotentieel is op het vlak van de institutionalisering van de medische geschiedenis. Net daarom is het netwerk Health in History zo’n zinvol initiatief.

JV: Beste Kaat en Benoît, hartelijk bedankt voor dit gesprek!

- Joris Vandendriessche