Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 3

Recensies

Gotovitch, José, Du rouge au tricolore. Les Communistes belges de 1939 à 1944. Un aspect de l’histoire de la Résistance en Belgique (Bruxelles : CarCob, 2018), 610 p.

Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen

Dit boek dat het relaas doet van de communistische partij van België (PCB-KPB) – met focus op haar Brusselse federatie - tijdens de bezetting kent een intussen lange voorgeschiedenis. De eerste versie bestond uit de doctoraatsthesis die de auteur onder promotorschap van Jean Stengers in 1988 succesvol verdedigde aan de ULB. In 1992 verscheen een bij Labor uitgegeven boekversie. Aangezien het werk al lang uitgeput was, bracht CarCob, het Franstalige archief van de communistische beweging in België, in 2018 een heruitgave. José Gotovitch is niet alleen wetenschappelijk directeur van CarCob. Hij is prof. emeritus aan de ULB, leidde het CegeSoma en is lid van de Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique (de Franstalige tegenhanger van KVAB). In 1971 publiceerde hij met Jules Gérard-Libois L’an 40: la Belgique occupée, dat vandaag nog steeds als standaardwerk geldt. Hij behoort vooral internationaal tot het kransje van topdeskundigen van de studie van de communistische beweging. Vanaf 1985 reisde Gotovitch naar de toenmalige Sovjet-Unie voor onderzoek in de archieven van de Komintern (Communistische Internationale, 1919-1943). Hij stootte er op door de nazi-bezetter gestolen archieven en wist, samen met Wouter Steenhaut van ISG-AMSAB, waardevolle documenten terug naar België te laten overbrengen. Gotovitch is ook medeauteur van Komintern: l’Histoire et les Hommes, het monumentale biografische woordenboek van de communistische kaders en militanten die ressorteerden onder het zogenaamde Latijnse Bureau, de instantie van de Komintern die hoofdzakelijk de Franstalige partijen superviseerde (maar wel de volledige KPB). Hieruit heeft de auteur eveneens geput voor de heruitgave van Du rouge au tricolore. Behalve een korte inleiding bij deze tweede uitgave en enkele aanpassingen in verband met archieven blijft de inhoud van het boek ongewijzigd, terwijl de geactualiseerde biografische index achterin het werk aanzwelt tot meer dan 150 pagina’s.

De precies gekozen titel - Du rouge au tricolore - verhaalt hoe een gemarginaliseerde partij zich via haar vooraanstaande rol in het Belgisch-patriottische verzet rehabiliteerde. De in maart 1921 opgerichte KPB zou pas een decennium later haar daadwerkelijke intrede doen in de Belgische sociale en politieke ruimte. De partij was dan vanuit Moskou – sinds de Oktoberrevolutie van 1917 epicentrum van het mondiale communisme – gebolsjewiseerd; elke dissidentie of oppositie was uitgesloten, organisatorisch waren alle ‘secties’ van de Komintern geüniformiseerd. Partijleiders waren volgzame doorgeefluiken van Moskou, waar ze doorgaans ook een tijd verbleven hadden en gekneed waren. De vanaf 1928 vanuit Moskou opgelegde strategie – de zogenaamde klasse-tegen-klasse-lijn – versterkte het isolement doordat ze de sociaaldemocratie als hoofdvijand beschouwde. De parlementsverkiezingen van 1932 zorgden in België voor een eerste bescheiden doorbraak. Vanaf 1934 werd internationaal stilaan een nieuwe strategie – die van het volksfront – geïntroduceerd die de eenheid bepleitte met de voorheen verketterde socialisten en zelfs met liberalen. Die zwenking kwam er nadat de desastreuze antisocialistische strategie in 1933 in Duitsland de eenheid met de SPD verhinderde en zo mee de baan vrijmaakte voor de kieszege en de machtsgreep van Hitlers NSDAP. Antifascisme werd het nieuwe paradigma en de noodzakelijke eenheid mocht de klassenlinies overschrijden. Maar het krediet dat de KPB en haar zusterpartijen in Europa vanaf dan ter linkerzijde opbouwden, werd grotendeels tenietgedaan door het in augustus 1939 afgesloten niet-aanvalsverdrag tussen Stalins USSR en nazi-Duitsland. De communisten met hun spilfunctie in de Internationale Brigaden die in de Spaanse Burgeroorlog het fascisme bekampten, gooiden het nu op een akkoordje met Hitler. (Men kende toen nog niet de geheime clausule bij dit verdrag waarin nazi’s en sovjets de onderlinge verdeling van Polen afspraken). Gotovitch beschrijft hoe de KPB in een tijdspanne van veertien dagen het discours over Hitler als voornaamste vijand inruilde voor een gelijkschakeling van het Duitse en Britse imperialisme. Niettegenstaande in de eigen rangen onbegrip en ontreddering heersten, stelt Gotovitch dat de KPB ook deze bocht als een gedisciplineerde soldaat onthaalde. De meeste militanten leken gebetonneerd voor sterk afkeurende reacties van de buitenwereld en de partij zelf verloor al bij al weinig effectieven aan deze episode.

Het was vanaf dan zoeken en tasten voor de KPB tussen publieke en semiclandestiene activiteiten. Bij de inval van de Duitse troepen in mei 1940 werden communisten opgejaagd, weggevoerd, opgesloten en een aantal in het Franse Abbeville vermoord. Het belette de KPB niet via de Brusselse boekhandel OBLA en het Antwerpse tijdschrift Ulenspiegel nog een publieke poot aan grond te houden. Vanuit de opvatting dat België een land was dat werd bewoond door twee volkeren die recht hadden op zelfbeschikking en zelfbestuur, ontwikkelde de partij geregionaliseerde werkingen. Begin 1937 had dit geleid tot de oprichting van de Vlaamse Kommunistische Partij (VKP), naam waaronder de partij in Vlaanderen actief werd onder impuls van onder anderen Georges Van den Boom en de voormalige activist Jef Van Extergem.

De aanval van de Duitse troepen op de USSR in juni 1941 maakte voor de KPB een einde aan elke politieke en strategische ambiguïteit. De partij zou zich, net als in Frankrijk, Italië, Nederland, Joegoslavië, Griekenland onderscheiden als partij van het verzet. Communistische aanspraken ruimden plaats voor een discours over nationale bevrijding en onafhankelijkheid. Gotovitch omschrijft die omslag als de invoering van een ‘patriottische liturgie’ en situeert de aanvang ervan vóór de Duitse aanval op de USSR toen voor het eerst voor een onafhankelijkheidsfront gepleit werd. De stalinisering van de communistische partijen, o.a. gekenmerkt door blinde volgzaamheid en kadaverdiscipline, werd in de clandestiniteit en de gewapende weerstand een voordeel dat de efficiëntie van de illegale partij in de verf zette.

Dat de tactische en strategische zwenkingen synchroon liepen met de Franse communisten is weinig verrassend. Zowel de Franse als de Belgische partij werden vanaf midden jaren dertig door Komintern-gezanten ‘gescout’ en eigenlijk ook geleid. Waar de gezant voor Frankrijk, de Tsjech Eugen Fried, in vreemde omstandigheden in de zomer van 1943 in Brussel vermoord werd, zou de ‘instructeur’ voor België de hele bezetting lang zo goed en zo kwaad als dat lukte vanuit de schaduw opereren. Van 1937 tot 1946 zal de Hongaarse communist Andor Bereï de KPB sturen. Hem zal het lot van arrestatie, marteling en executie bespaard blijven. Dat gold ook voor dat andere topkader, de uit Antwerpen afkomstige Franstalige Edgar Lalmand. Zowat de rest van de kernleiding van de KPB werd in juli 1943 gearresteerd en ging in het Front van Breendonk snel overstag vanuit de idee dat verzet zinloos was. Gotovitch gaat op dit delicate ‘partijgeheim’ uitvoerig in. De hoofdrolspelers, Xavier Relecom, Joseph Leemans, Pierre Joye, Georges Van den Boom – allen leden van het Politiek Bureau - klommen na de bevrijding quasi geruisloos terug op in de partijinstanties. Deze onverkwikkelijke episode werd pas in 1954 door de partij besproken. Toen werd besloten dat het toedekken van de zaak bij de bevrijding heilzaam was geweest. Een publieke afrekening had immers een fikse smet betekend op het imago van verzetspartij dat gekoesterd werd. De werkelijke toedracht werd pas 45 jaar na de feiten aan het licht gebracht toen de dan dissidente communist en gewezen partizanenleider Jacques Grippa zijn autobiografie publiceerde.

Gotovitch toont aan dat het evenwel niet onterecht is dat de KPB met dat verzetsaureool uit de oorlog kwam. De partij zou deel uitmaken van de eerste vier regeringen na de Bevrijding (de drie kabinetten-Van Acker en de regering-Huysmans) maar zou nooit een eersteplansrol spelen in het naoorlogse België. Voor de auteur heeft dat onder meer te maken met foutieve keuzen zoals het laten opgaan van de communistische syndicale macht in het ABVV van Louis Major of het overschatten van de naoorlogse impact van het Onafhankelijkheidsfront. De Koude Oorlog vanaf 1947 en het eigen stalinistische sektarisme met paranoïde zuiveringen onder leiding van Lalmand zullen de partij snel terug marginaliseren.
Onder meer met dit boek, maar ook met honderden interviews heeft José Gotovitch titanenwerk verricht. Ook al beschrijft dit werk vooral het (Franstalige) Brusselse netwerk kan deze heruitgave inspirerend werken op de hernieuwde historische belangstelling voor het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Vlaanderen waar de dominante historiografie zich voornamelijk op collaboratie en repressie toespitste.
Onderzoek moet de vaak anonieme vrouwen en mannen van het communistische verzet een plaats verschaffen in de historiografie en in de collectieve herinnering.

- Vincent Scheltiens