Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 3

Review

Koloniale terreur in Leopoldiaans Congo (en haar representaties)

Houssine Alloul, Universiteit Antwerpen

Reviewartikel naar aanleiding van het boek van Pierre-Luc Plasman, Leopold II, potentat congolais. L’action royale face à la violence coloniale. Brussel: Racine, 2017, 243 p.

De officiële herinnering aan de regeerperiode van koning Leopold II in België is nog steeds controversieel. In 2015, bijvoorbeeld, wilde de stad Brussel nog een huldeviering brengen ter ere van de 150ste verjaardag van diens troonbestijging en dat op het hoogst symbolische Troonplein, waar het fel gecontesteerde ruiterbeeld van de vorst staat, op een boogscheut van de overwegend Belgisch-Congolese wijk Matonge. Dit initiatief om hulde te brengen aan de gemythologiseerde ‘koning-bouwheer’ en diens ingrijpende stedenbouwkundige projecten stootte onmiddellijk op verzet van lokale activistische organisaties en resulteerde in de afgelasting van de viering. Die actiegroepen wezen er terecht op dat dit stuitende initiatief getuigt van een gebrek aan inleving met en disconnectie van een steeds diverser wordende Brusselse bevolking waarvan een groot deel een Afrikaanse migratieachtergrond heeft.1 Een andere illustratie van de ambigue houding van Belgische overheden ten aanzien van de Leopoldiaanse erfenis zijn de vurige debatten rond de langverwachte restauratie en recente heropening van het immer omstreden voormalige Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, vandaag omgedoopt tot AfricaMuseum. De blijvende controverses errond hebben, ondanks pogingen om aan de kritiek tegemoet te komen, als geen ander de diepe breuklijnen blootgelegd tussen de eenzijdige officiële omgang met het Belgische koloniale verleden en de steeds luider klinkende oproep van onderuit tot een complete dekolonisatie van dat verleden. 2

Nochtans is de gewelddadige en turbulente geschiedenis van de koloniale constructie die Leopold mee ontwierp, Congo-Vrijstaat (État indépendant du Congo), een territorium 80 keer zo groot als de oppervlakte van België, bijzonder goed gedocumenteerd. Het gaat dan met name over het beruchte en dodelijke ‘rubber-systeem’ gefundeerd in grootschalige Afrikaanse dwangarbeid en de massamoorden die resulteerden uit de pogingen tot ‘pacificatie’ van het gebied waarover Leopold soevereiniteit claimde. Grondig doorgelicht door historici is ook de Congolese miljoenensterfte en de ingrijpende verstoring, zo niet vernietiging van lokale culturen, politieke instituties en ecosystemen die gepaard gingen met de creatie en instandhouding van dit ‘nonsettler empire of extraction’. 3 We zijn, tot slot, ook goed geïnformeerd over de influx, vanaf de late jaren 1890, van massale winsten vanuit de kolonie naar België.

De gewrongen, zo niet apologiserende officiële herinnering aan Leopolds nalatenschap heeft daarom meer te maken met een complexe configuratie van ‘voortlevende’ koloniale mythes over Belgisch Congo,4 dan met een ogenschijnlijk tekort aan vakhistorische productie over de koninklijke privékolonie.5 Van alle periodes in de Belgische koloniale geschiedenis behoort die van Congo-Vrijstaat tot de best bestudeerde.6 Zoals Pierre-Luc Plasman in zijn nieuwe boek echter terecht opwerpt, weten we niettemin nog steeds bitter weinig over de genese, uitbouw, werking, en evolutie van de staat die Leopold in het leven riep. Plasman stelt daarom een tweevoudige studie voor: [1] ‘une étude sytématique sur la structure politique et les institutions du Congo Léopoldien’; en [2] een analyse van het extreme massageweld waarvoor het koloniale koninkrijk, zowel in de ogen van tijdgenoten als in de latere internationale beeldvorming (en in de laatste drie decennia ook in België), synoniem zou komen te staan. Een beschouwing van de reacties van de koloniale elite op de internationale kritiek en verontwaardiging over de Congolese gruwelen ziet Plasman als een onlosmakelijk onderdeel van dit tweede onderzoeksluik. Hoewel de hoofdtitel – Léopold II, potentat congolais – het tegenovergestelde lijkt te insinueren, is het boek dus geen biografische studie, ook al gaat er relatief veel aandacht uit naar de monarch. De monografie is in eerste instantie een uitvoerige politieke en institutionele (en dus top-down) geschiedenis van Congo-Vrijstaat, met een sterke legalistische en administratieve focus, opgebouwd rond vragen als: Wie oefent waar en in welke mate macht uit? Hoe wordt die gedelegeerd? Hoe ontstaat en evolueert een koloniaal staatsapparaat? Hoe kan dit in verband worden gebracht met massale gruweldaden ten aanzien van lokale populaties?

Hoewel de auteur de lezer er herhaaldelijk aan herinnert hoe Congo-Vrijstaat (zoals overigens elke andere koloniale staat) haar oorsprong had in en enkel gehandhaafd kon worden via geweld, en hij tal van voorbeelden geeft van hoe de lokale bevolking werd onderworpen aan koloniale terreur, is dit geen geschiedenis van Congolezen. Hun stemmen zijn opvallend afwezig. Plasman slaagt er wel mooi in het complexe Leopoldiaanse koloniale bouwwerk aanschouwelijk te maken. Wars van oudere sensatiebeluste studies over een karikaturale alleenheerser die opereerden vanuit axioma’s van de hegemonische koloniale staat, laat hij zien hoe Congo-Vrijstaat een los, onsamenhangend en precair bouwsel was, doorspekt met paradoxen:

Soumis à un autocrate, il est traversé par de multiples contre-pouvoirs africains et européens. Vu comme une pyramide monolithique, il est en réalité une matriochka dont les différents niveaux de pouvoir possèdent une autonomie.7

Effectief ‘gezag’ berustte dus niet alleen bij de monarch, de koloniale regering in Brussel, in de hoofdstad Boma, of bij de generaals van de enorme Force Publique – een koloniaal leger van buitenlandse Afrikaanse huurlingen en tot slaafgemaakte soldaten – maar ook bij de leidinggevenden van rubberplantages en andere concessiemaatschappijen, die hun privémilities hadden. Maar hoe precair die staat-in-wording echter ook was, zo betoogt Plasman, er kan weinig discussie bestaan over haar bestaanslogica: winstcalculatie, dynastieke prestigepolitiek, en de ’agrandissement’ van België. Andere motieven en vertogen (over de ‘beschavingsmissie’ en vrijhandel) waren retorische instrumenten ter realisering van die doelstellingen.8

Plasman verrichtte solide en bijzonder omvangrijk bronnenonderzoek voor Potentat congolais: naast tal van gedrukte werken (kranten, pamfletten, memoires en reisverhalen) doorploegde hij verschillende staatsarchieven in België, Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Noemenswaardig is ook het gebruik van de rijke, maar minder ontgonnen archieven van het Koninklijk Paleis, in het bijzonder het Goffinet-archief, het unieke en lang verloren gewaande archief van Leopolds privésecretarissen, de tweeling Auguste en Adrien Goffinet.9 Bijzonder zijn ook de privédocumenten die hij aanboorde van civiel en militair personeel en van individuen verbonden aan concessiebedrijven actief in Congo. Al dit materiaal illustreert hoe omvangrijk het ‘koloniaal archief’ voor deze periode is, niettegenstaande de bewuste vernietiging van een deel ervan in opdracht van Leopold.10 Verschillende tabellen en de inclusie van een handig biografisch repertorium gidsen lezers doorheen het werk; een persoons- en thematische index en een kaart van Congo-Vrijstaat ontbreken evenwel.

Het boek is opgebouwd rond zes hoofdstukken, afgedicht door een eerder summiere inleiding en dito besluit, en volgt in grote lijnen de traditionele chronologie die we kennen uit de literatuur, van de ontluikende interesse van de jonge kroonprins in kolonialisme en economisch expansionisme, Leopolds koloniale initiatieven (gemaskeerd als filantropie en internationalisme) die voorafgingen aan de oprichting van Congo-Vrijstaat en de latere internationale kritieken erop, tot de Belgische annexatie in 1908. De keuze om naast de hogervermelde tweeledige onderzoeksopzet welbekende en veelvuldig bestudeerde topoi zoals de Berlijnse Conferentie (hoofdstuk 1) en de Britse anti-Congolese campagne te hernemen (hoofdstuk 5), resulteert in een niet altijd even leesbaar boek dat de historische ontleding soms inruilt voor nevenschikkende anekdotiek. In wat volgt, bied ik eerst een summiere lezing van de belangrijkste hoofdstukken in Potentat congolais, alvorens enkele meer gedetailleerde punten van kritiek te formuleren.

Hoewel hoofdstuk 1 weinig origineel is, zijn de volgende twee, respectievelijk over de centrale regering in Brussel en de koloniale administratie in Congo, dat wel. Hoofdstuk 2 beschrijft nauwgezet de genese, opmaak, nomenclatuur en daaropvolgende formele mutaties van de koloniale regering in de Belgische hoofdstad. Het diept ook de aard van Leopolds absolutisme uit en verschaft een doorsnede van de bovenlaag van de centrale koloniale administratie. Belangwekkend hier zijn vooral de discussies over Leopold als autocraat. In niet mis te verstane bewoordingen typeert Plasman de action royale als

machiavélienne par essence. Tous les moyens sont considérés comme bons s’ils servent l’objectif. Ce qui peut paraître comme un parjure ou une duperie pour un individu appartenant à la société bourgeoise et démocratique de la fin du XIXe siècle ne l’est pas pour le Roi souverain .11

Leopold liet zich aanvankelijk systematisch briefen over het reilen en zeilen in Congo-Vrijstaat, hield audiënties met terugkerende en vertrekkende topambtenaren, militairen, (buitenlandse) missionarissen en ‘ontdekkingsreizigers’, en las speciaal voor hem gemaakte samenvattingen van de politieke correspondentie uit Boma. Een frappante uiting van Leopolds toenemende en vanaf de eeuwwisseling steeds geprononceerdere monocratie is de cultuur van devotie (of ten minste van onwillige loyaliteit) ten aanzien van de monarch binnen de hoogste regionen van de koloniale bureaucratie. Zoals een topambtenaar het zich later herinnerde:

L’administration congolaise était acquise corps et âme à son chef. L’élément militaire, [qui] y prédominait, l’avait imbue de son esprit : on ne discutait pas les ordres et chacun les exécutait aux mieux de ses facultés.12

Leopolds macht kende echter beperkingen, want zoals Plasman stelt: ‘Le cadre de l’autocratie nourrit des rapports complexes à la fois de sujétion et d’opposition au potentat ainsi que de collaboration ou de rivalités entre les responsables du gouvernement central’.13 Bekend zijn in dit geval de vele ‘deserties’ van Leopolds meest nabije medewerkers, waarnaar Plasman ook refereert. Een voor een dienden deze mannen van het eerste uur al dan niet vrijwillig hun ontslag in na onenigheden over de economische en expansionistische politiek die Leopold bruusk en te allen koste wilde doorvoeren, ondanks de slechte financiële papieren waarin Congo-Vrijstaat zich aanvankelijk bevond. Hoewel iemand als de langtijdige administrateur-generaal van Buitenlandse Zaken Edmond Van Eetvelde haast een karikatuur lijkt van de weifelende, maar immer gedienstige ‘dienaar van de Kroon’, hadden andere koloniale bestuurders vaak veel meer ruimte voor initiatief, vooral na de eeuwwisseling. Dat laatste gold nog veel meer voor de verschillende ambtenaren in Congo-Vrijstaat, aan wie de koninklijke macht onvermijdelijk werd gedelegeerd. ‘[A]u sein même de l’absolutisme royal’, schrijft Plasman, ‘s’intègrent et se confrontent d’autres absolutismes locaux.’14

Hoe het lokale bestuur in Congo-Vrijstaat werd uitgeoefend vormt het onderwerp van het derde hoofdstuk. Na een korte uiteenzetting over de uitbouw van een embryonale koloniale administratie, met name in Boma, en haar uiterlijke tekenen (gerecht, leger, vlag), volgt een beschrijving van de achtergrond, personeelswissels binnen en rekrutering van de toplaag van het koloniale bestuur. Aanvankelijk werd voornamelijk geput uit de Belgische civiele administratie en het consulaire korps, maar later haast exclusief uit de rangen van het leger. Bijzondere aandacht gaat hier uit naar de usual suspects zoals Théophile Wahis en Félix Fuchs en hun onderlinge vetes. Ontluisterend is de omschrijving van de lokale macht van de districtscommissarissen – de kolonie was opgedeeld in veertien districten – die vaak op duizenden kilometers van Boma het regime moesten vertegenwoordigen, zowel civiele als rechterlijke bevoegdheden bezaten en dit in gezagsgebieden soms groter dan de totale oppervlakte van Frankrijk. Zij opereerden aanvankelijk zo goed als autonoom. Het is onder hun autoriteit dat de koloniale terreur zich in zijn meest gruwelijke vormen manifesteerde. Verderop leren we dat sommige van die districtsgouverneurs later leidinggevende posities kregen in rubberconcessiemaatschappijen.15 Deze verstrengeling van privaat-publieke belangen wordt echter niet uitgediept.

Maar waar Plasman slaagt in zijn eerste opzet (een institutioneel-administratieve geschiedenis), kan dit minder gezegd worden van zijn tweede (een analyse van het massageweld). Daarvoor is het narratief en gehanteerde perspectief te selectief Belgisch en te geïsoleerd van de bredere historiografie over koloniaal geweld tijdens de negentiende eeuw. Zoals de auteur opwerpt, was Congo-Vrijstaat aanvankelijk een diplomatieke constructie zonder veel daadwerkelijk gezag. Dit bijzonder diverse territorium bestond uit rivierlandschappen, meren, savannes, regenwoud en bergen, waar een al even diverse miljoenenbevolking huisde, en was verdeeld onder vaak concurrerende lokale politieke eenheden en warlords. Dit cruciale stuk over die lokale machtsconstellaties en de pogingen om die te integreren en te onderwerpen is echter weinig diepgaand, omdat de behandeling ervan gebaseerd is op verouderde en bijna exclusief Belgische literatuur. Lokale pre-koloniale elites zoals de Zanzibarese islamitische ivoor- en slavenhandelaars, die een groot deel van het oosten van Congo-Vrijstaat controleerden, verschijnen overigens soms in de geracialiseerde categorieën van Belgische tijdgenoten. Dergelijke gemilitariseerde mercantiele elites, die op slavernij gebaseerde handelsrijken overzagen, worden nu eens getypeerd als illegitieme sluikhandelaars (‘trafiquants’16) dan als gecorrumpeerde ‘arabisés’17.

Ook in het vierde hoofdstuk over ‘Les premières critiques envers l’EIC et le système du red rubber’ zet Plasman weinig in op een duurzame interactie met de bestaande literatuur die reeds lang heeft gewezen op het belang van lokale machtsconfiguraties.18 Wel bevat dit hoofdstuk tal van mooie vondsten. De auteur opent bijvoorbeeld met een interessante lezing van een oppositiekrantje dat in 1885 gepubliceerd werd door een aantal gefrustreerde kolonialen van het eerste uur. Zo wordt de lezer eraan herinnerd hoe het Leopoldiaanse project van meet af aan gecontesteerd werd door verschillende actoren met elk hun eigen agenda. De meeste aandacht gaat echter uit naar het koloniale geweld, dat Plasman karakteriseert als ‘une forme de violence structurelle’ en ‘suscité par une logique capitaliste à court terme’.19 Dit geweld was gegenderd, veelvormig (fysiek, discursief), verschilde in schaal en intensiteit (gelokaliseerd, massageweld), gericht tot diverse groepen (van vijandige militaire formaties tot onbewapende dorpsgemeenschappen) en uitgeoefend door niet alleen koloniale functionarissen en het Europese personeel van concessiemaatschappijen, maar ook door tal van lokale Afrikaanse mediatoren, vaak huurlingen. Koloniaal geweld in Congo-Vrijstaat kan effectief niet los gezien worden van lokale, pre-koloniale geweldsregimes.20 Plasman wijst ook terecht op de geleidelijke institutionalisering van geweld en het ontstaan van een cultuur van geweld met een intergenerationele component, doorgegeven van de ‘ontdekkingsreizigers’ van voor 1885 aan de eerste koloniale ambtenaren, of zoals een beruchte districtsofficier het zich later berouwvol herinnerde: ‘mon éducation africaine commença dans les coups de fusil et de canon, dans les incendies de villages à “mettre à la raison”, en un mot dans l’abus et le surabus de la force avec tous ses excès.’21 Ook getuigenissen over de gijzeling en mutilatie van vrouwen, willekeurige executies, en zelfs een kruisiging passeren de revue.22

Het brutale systeem van rubberontginning door de staat en privébedrijven was een evidente katalysator van koloniaal geweld. Het resulteerde in een vorm van permanente dwangarbeid die gelegaliseerd en gelegitimeerd werd als een belasting in natura en die meteen ook diende ter ‘beschaving’ van de ‘inboorlingen’. Zoals de gouverneur-generaal Théophile Wahis het in 1896 onomwonden stelde: ‘c’est par l’amour du travail que l’État veut civiliser les Noirs’.23 Plasman stipt verder aan deze dwangarbeid, iets wat hij elders als ‘une forme déguisée d’esclavage’24 noemt, zelden werd gecontesteerd door het koloniaal personeel, hoewel hij een zeker ongemak ontwaart bij sommige hoge officieren.25 Uitgebuite ‘inboorlingen’ die zich collectief verzetten konden zich aan meedogenloze strafexpedities verwachtten die veelvuldig ontaardden in ware massamoorden.26 Met verbijsterende zakelijkheid rapporteerde een officier uit het Evenaarsdistrict in 1895 bijvoorbeeld:

on a tiré 2 838 cartouches […] et 1 546 tués indigènes – on a ravagé 162 villages, brûlé les habitations et coupé les plantations pour réduire les populations par la faim. .27

In latere hoofdstukken beschrijft Plasman hoe Leopold op de hoogte was van het extreme geweld dat voortvloeide uit de ontginning en ‘pacificatie’ van zijn kolonie. De manier waarop de auteur de houding van de vorst beschrijft ten aanzien van de internationale verontwaardiging over dit geweld is echter vaak contradictorisch. Zo insinueert Plasman dat Leopold ook zelf ontdaan was en dat hij vervolgens daadkrachtig (‘fermement’) reageerde met oproepen tot hervorming. Tegelijk citeert hij echter een koning die het gebruik van geweld als absoluut legitiem en noodzakelijk zag om meer inkomsten te genereren: ‘les guerres toujours regrettables doivent avoir au moins des résultats pacifiques, amener la soumission et le calme dans le pays’.28

Plasman linkt het koloniale geweld op overtuigende wijze aan verschillende factoren: de bezorgdheid van Leopold en de centrale regering in Brussel dat de kolonie zichzelf kon financieren; premiesystemen waarbij districtscommissarissen beloond werden op basis van het totaal aan geinde belastingen; witte racialistische ideologieën die Afrikanen ontmenselijken; en een cultuur waarin geweld, genormaliseerd, gebanaliseerd en zelden gecorrigeerd werd van hoger af. De auteur suggereert eveneens, maar minder overtuigend, dat verklaringen kunnen gezocht worden in de opmaak van het koloniale bestuur (met de lagere kaders die soms gerekruteerd werden onder de gemarginaliseerde lagen van de Belgische bevolking) en in de precaire arbeidsomstandigheden te Congo (waar ziekte en dood het lot waren van 20 tot 40 percent van het witte personeel).

De laatste twee hoofdstukken behandelen de internationale anti-Congolese campagnes, prokoloniale propaganda, Leopolds toenemende negationisme ten aanzien van het systemische geweld in zijn kolonie, en de hervormingen die het Congo-Vrijstaatregime in zijn laatste dagen trachtte door te voeren. Dit zijn voor lezers met enige voorkennis wel betreden paden. Origineler zijn twee eerder op zichzelf staande paragrafen over de complexe financiële dimensies van Leopolds koninkrijk. Zo werpt Plasman in hoofdstuk 5 even zijn licht op de financiële constructies die aan het begin van de jaren 1890 door Leopold in het leven werden geroepen om zijn Kroondomeinen te exploiteren: de fameuze Societé anversoise de commerce au Congo (kortweg de Anversoise) en de Anglo-British Indian Rubber Company (ABIR). Deze bedrijven herinneren ons aan de complexe vermenging van privaat en publiek kapitaal, die zo kenmerkend was voor Congo-Vrijstaat. Niet minder belangrijk en hiermee nauw verbonden was dat deze en andere concessiemaatschappijen vanaf 1894 officieel een droit de police verkregen van de koloniale regering en de facto dus verantwoordelijk waren voor de ordehandhaving in de gebieden die hen ter exploitatie werden toegekend. Deze uitbesteding van het staatse geweldmonopolie was van bijzonder groot belang in het ongebreidelde karakter van de koloniale terreur.

Bijzonder lezenswaardig is ook de allerlaatste sectie van het zesde hoofdstuk. In dit addendum stelt Plasman de belangrijke vraag naar de kanalen waarlangs de Congolese rijkdommen wegstroomden richting België om er meer bepaald Leopolds persoonlijke spaarbekken te laten aanzwellen. Hoeveel de vorst had geïnvesteerd in Congo en welke opbrengsten die koninklijke ‘investering’ precies genereerde is een vraag die al vaker is gesteld maar, voor zover ik weet, nog geen bevredigend antwoord kreeg. Ze sluit aan bij het zogenaamde cost of empire debate dat nagaat of de Congo-kolonie ‘winstgevend’ of ‘verliesgevend’ was voor België.29 Hoewel het cruciaal is om een idee te vormen van de omvang van de plundering van Congo’s rijkdommen, dient er steeds voor gewaakt te worden dat een dergelijke, ogenschijnlijk technische analyse nooit los komt te staan van de menselijke tol van het kolonialisme en dus geen exclusief Belgocentrisch debat wordt. Zoals de Congolese activist-historicus Jacques Depelchin in 1992 aangaf, leidt het bestuderen van enkel koloniale boekhoudkundige bronnen onvermijdelijk tot kritiekloze reconstructies van de kapitalistische logica die het kolonialisme onderschraagde. Berekeningen van koloniale winsten reduceren immers de uitbuiting van miljoenen Congolese lichamen tot nietszeggende abstracties.30

Zonder calculaties van koloniale winsten tot fetisj te willen maken, kan zeker gesteld worden dat Plasmans gedetailleerde analyse van Leopolds boekhouding nieuw en daarom waardevol is. Het economische gewicht van de (ongewogen) cijfers die hij bijeenbracht zou in verder onderzoek nader bepaald moeten worden, maar dat doet weinig afbreuk aan zijn moeizame sprokkeltocht doorheen vooral het Goffinet-archief. Zo vernemen we onder andere dat de koloniale autocraat tussen 1876 en 1900 tussen 21,5 en 25,1 miljoen Belgische frank (BEF) zou hebben besteed aan zijn kolonie. Plasman tabuleert vervolgens dat Leopold in de periode 1898-1908 ergens tussen 90 en 110 miljoen BEF aan inkomsten wist te genereren, vooraleer hij zijn kolonie moest afstaan aan de Belgische staat, die nooit meer dan 66 miljoen kon extraheren van dat koninklijk fortuin.31 Leopolds stedelijke verfraaiingspolitiek, notoire investeringen in peperduur vastgoed en semi-imperiale exploten in China, ‘confondont l’homme d’État et l’homme d’affaires’,32 waren grotendeels gefinancierd door deze koloniale bloedwinsten.

Nu een beeld is geschetst van de rijkdom en veelzijdigheid van Plasmans studie, wil ik hieronder drie pijnpunten van Potentat congolais signaleren, pijnpunten waar ik terloops al naar heb verwezen. Een eerste betreft de gebrekkige integratie van de bestaande literatuur over Congo-Vrijstaat. Hoewel de auteur regelmatig refereert naar het werk van zijn vele Belgische voorgangers,33 blijven die onvermeld in de inleiding, waarin enkel expliciet gewag wordt gemaakt van de bekende polemiserende studies van Jules Marchal en Adam Hochschild. Het is onbegrijpelijk dat de lezer voor de nodige verwijzingen wordt verwezen naar de thesis waarop het boek is gebaseerd. Onbegrijpelijk is ook het ontbreken van referenties naar de rijke en voortdurend uitdijende literatuur over Leopoldiaans en Belgisch Congo geproduceerd in Engelstalige landen. Dit geldt voor standaardwerken als die van Robert Harms, Jan Vansina, Johannes Fabian en Nancy Rose Hunt, maar ook voor recenter pionierswerk van de hand van Matthew Stanard en Debora Silverman bijvoorbeeld. Dezelfde opmerking kan gemaakt worden over de bredere historiografie over het Europese kolonialisme in Afrika (en elders) en over de pre-koloniale Afrikaanse geschiedenis. Het gevolg hiervan is een soms eenzijdig Belgisch verhaal dat de mythe bestendigt dat Congo-Vrijstaat een uitzonderlijk fenomeen was.34 Vergelijkingen met andere koloniale systemen en staten hadden net belangrijke analogieën en divergenties kunnen blootleggen.35 Ter illustratie: in het hoofdstuk over de publieke indignatie in de buitenlandse liberale pers over de Congo-gruwelen wordt de evidente contradictie van Britse critici die het hoge woord voerden zonder het kolonialisme zelf in vraag te stellen, en dat terwijl hun eigen regering even gewelddadig optrad in Indië, niet erkend.36

Een tweede punt van kritiek slaat op het staatse perspectief dat Plasman hanteert en de focus op het koloniale apparaat dat onontkoombaar de aandacht afleidt van de gekoloniseerde bevolking. Hoewel er hiervoor begrijpelijke methodologische en historiografische redenen ingeroepen kunnen worden, wordt weer maar eens een verhaal gecreëerd waarin Afrikaanse actoren los komen te staan van de centrale actie. Hoe die actoren de evolutie van Congo-Vrijstaat hebben beïnvloed, blijft daarom onduidelijk. Hier lijkt een kans gemist om dit belangrijke werk te verbinden met actuele debatten in de koloniale geschiedenis die de hegemonie van koloniale overheden in twijfel hebben getrokken.37 De paar bladzijden die gewijd zijn aan plaatselijke mensen missen de historische diepte die meer gedetailleerde passages over bestuurders als Fuchs of Wahis kenmerkt en illustreren vooral de afwezigheid van hun perspectief meer algemeen.38 Wel krijgen we een aantal Congolese gezichten te zien in een buitengewone reeks van tien foto’s in het midden van het boek. Hier worden lezers echter aan hun lot overgelaten om dit beeldmateriaal te interpreteren. Terwijl de Belgische officieren genoemd worden, blijven de Afrikaanse vrouwen, soldaten en sergeanten naamloos.

Ook elders wordt er niet altijd even voorzichtig met de bronnen omgesprongen. Waar Plasman zijn materiaal doorgaans met een zekere afstand behandelt, laat hij zich niet zelden verschillende waardeoordelen ontvallen. Zo krijgen hoge ambtenaren nu en dan lof toegezwaaid. De kleine verzetsacties tegen de koninklijke wil van secretaris-generaal Van Eetvelde, voordien neergezet als volgzaam, worden beschreven als ‘excellent’ en ‘intelligent’.39 De Marinel, inspecteur d’État in 1895 en later directeur van de Compagnie du Lomani wordt een ‘officier de grand caractère’40 genoemd, terwijl Fuchs’ voorgestelde hervormingsmaatregelen als ‘sages’41 worden afgeschilderd.

Een derde en laatste algemeen punt van commentaar is het veelvuldige en reeds eerder aangestipte reproduceren van de taal van de bronnen. Zo duikt in de stukken over koloniaal geweld herhaaldelijk de term ‘abus’ op. Deze categorie uit het koloniale archief impliceert dat koloniale macht goed gebruikt kan worden. Dit overnemen van koloniale vertogen verzandt echter snel in een legalistisch narratief – die actie van die koloniale ambtenaar was illegaal, die andere niet – en reproduceert daarmee een koloniale logica die net dient bevraagd te worden. Nochtans signaleert Plasman het gevaar van met normatieve bronnen werken. In een bespreking van enkele staatsdocumenten die een reformistisch programma vertolken, noteert hij dat ‘l’efficacité d’un texte normative reste relative au vue du contexte géographique et de la situation administrative’.42 En toch probeert Plasman een ethische dimensie op te leggen aan dergelijke normatieve vertogen over hervorming die ook als progressief worden gekwalificeerd. Dit mondt uit in verschillende tegenstellingen. Terwijl, bijvoorbeeld, enerzijds de vroegst uitgevaardigde koloniale wetgeving zou getuigen ‘d’une bienveillance’43 en er na de Stokes-affaire ‘manifestement une ferme volonté du gouvernement central de faire respecter les lois de l’humanité’44 zou hebben bestaan, stelt de auteur later (en op het einde van het boek vrij expliciet) dat noch de centrale overheid, noch Leopold ooit de dwangarbeid en de legalisering van geweld als een manier om die arbeid af te dwingen in vraag stelden, laat staan die wilden afschaffen. Het streven naar winst was daarvoor te dominant.45 De liberale vertogen van koloniale bestuurders over vooruitgang en emancipatie verhulden een gewelddadige orde die schril afstak tegen diezelfde vertogen. Het is daarom van wezenlijk belang om dergelijke rationalisaties te deconstrueren.46

Deze kritische aantekeningen doen evenwel niets af aan de vele hogervermelde en onmiskenbare merites van Potentat congolais. Op Plasmans bewonderenswaardige en overvloedige empirie valt weinig af te dingen, noch op de breedheid van zijn aanpak en hoe die tal van vragen inspireert, waarvan bovenstaand artikel getuigt. Het zou immers ten onrechte zijn om in de geformuleerde kritiek een uitnodiging te zien om dit belangwekkende en toegankelijke boek te negeren, wel integendeel. Het heeft mij soms geërgerd, maar even vaak verbluft. Het heeft me bovenal geen moment verveeld of koud gelaten en daarom zou iedereen met een interesse in de gewelddadige geschiedenis van Leopoldiaans Congo dit werk moeten lezen.

- Houssine Alloul

Referenties

  1. ’L’hommage de la Ville de Bruxelles au roi Léopold II est finalement annulé’, rtbf.be, 15 december 2015: https://www.rtbf.be/info/regions/detail_l-hommage-de-la-ville-de-bruxelles-au-roi-leopold-ii-qui-risque-de-mal-passer?id=9165006. Betrokken in de actie om de huldeviering te cancelen waren onder meer het Collectif Mémoire Coloniale et Lutte contre la Discrimination en Nouvelle Voie Anticoloniale (JOC Brussel).
  2. Zie bijvoorbeeld volgende collectieve oproep tot een dekolonisatie van de publieke ruimte en een reëvaluering van de Belgische koloniale geschiedenis: ‘Comment décoloniser la statue de Léopold II?’, Le Soir, 15 juni 2016: https://www.lesoir.be/art/1240252/article/debats/cartes-blanches/2016-06-15/comment-decoloniser-statue-leopold-ii. Voor een diepere kijk op hoe postkoloniaal België omgaat en is omgegaan met haar koloniale verleden en de vele sporen ervan in het straatbeeld, en hoe burger/minderheidsgroepen die omgang contesteren, zie Idesbald Goddeeris, ‘Square de Léopoldville of Place Lumumba? De Belgische (post)koloniale herinnering in de publieke ruimte’, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 129:3 (2016),pp. 349-72, en het binnenkort te verschijnen Matthew Stanard, The Leopard, the Lion, and the Cock: Colonial Memories and Monuments in Belgium (Leuven: Leuven University Press, 2019). Voor een intrigerende en verreikende interpretatie van de (ontstaans)geschiedenis van het Tervuren-museum, de (internationale) controverses errond, en de spanningsvelden binnen de koloniale herinnering in België, zie Debora Silverman, ‘Diasporas of Art: History, the Tervuren Royal Museum for Central Africa, and the Politics of Memory in Belgium, 1885–2014’, in: The Journal of Modern History, 87:3 (2015), pp. 615-67.
  3. De omschrijving is van Silverman, ‘Politics of Memory in Belgium’, p. 616.
  4. Voor een ontmanteling van de meest hardnekkige Belgische Congo-mythes zie, Amandine Lauro en Benoît Henriet, ‘Dix idées reçues sur la colonisation belge’, Le Soir, 8 maart 2019: https://plus.lesoir.be/211032/article/2019-03-08/carte-blanche-dix-idees-recues-sur-la-colonisation-belge. Voor een breder perspectief over hoe koloniale en imperiale attitudes maatschappelijk ‘doorleven’, zie Ann Laura Stoler, Duress: Imperial Durabilities in Our Times (Durham, N.C.: Duke University Press, 2016) en Gloria Wekker, Witte onschuld. Paradoxen van kolonialisme en ras, vert. Meno Grootveld (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2017).
  5. De vertaling van deze vaak in het Engels gepubliceerde literatuur naar publieksboeken is echter vaak problematisch en voedt in sommige opzichten zelfs de koloniale amnesie. Voor een scherpzinnige kritiek, zie onder meer Joris Note, ‘David Van Reybrouck tegen Lumumba. Was dat nu wel nodig?’, in: DeWereldMorgen, 27 maart 2011: https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2011/03/27/david-van-reybrouck-tegen-lumumba-was-dat-nu-wel-nodig/.
  6. Aldwin Roes biedt een inzichtelijk, maar intussen niet helemaal meer up-to-date overzicht van de ‘state of the field in ‘Towards a History of Mass Violence in the État Indépendant du Congo, 1885-1908’, in: South African Historical Journal, 62:4 (2010), pp. 634-70.
  7. Plasman, potentat congolais, p. 101.
  8. Idem, zie onder meer p. 24.
  9. Voor de ontstaansgeschiedenis van dit archief, zie Gustaaf Janssens en Jean Stengers, eds. Nieuw licht op Leopold I & Leopold II. Het Archief Goffinet(Brussel: Koning Boudewijn Stichting, 1997).
  10. Plasman, potentat congolais, p. 12.
  11. Idem, p. 44.
  12. Aan het woord is de diplomaat Pierre Orts. Elders noteerde Orts ook: ‘L’absolutisme est générateur de lâcheté et de dissimulation’. Idem, p. 51.
  13. Idem, p. 54.
  14. Idem, p. 46.
  15. Idem, p. 169.
  16. Idem, p. 81.
  17. Idem, p. 93.
  18. Zoals een auteur het stelt: ‘The brutality of the EIC’s regime was linked to a more complex process of interaction with, and adaptation to, local circumstances. In its most general sense, this represented the articulation of capitalist expansion with indigenous modes of production and 
distribution. Europeans were hampered in their search for wage labour and revenues by the limited commodification of social relationships in the societies they encountered, and the ease by which those who preferred not to engage in production for the market could avoid doing so through subsistence production, flight, or migration.’ Roes, ‘Mass Violence in the État Indépendant du Congo’, p. 23.
  19. Plasman, potentat congolais, p. 123.
  20. De problematiek van pre-koloniaal geweld en lokale belangen werd recent uitgediept in een bijzonder artikel door David Gordon, ‘Precursors to Red Rubber: Violence in the Congo Free State, 1885–1895’, in: Past & Present, 236:1 (2017), pp. 133-68. Gordon maakt onder andere volgende claim: ‘Instead of the conventional historiography of red rubber that revolves around European greed and racism, the contention here is that the violent tactics and practices employed in the collection of rubber emerged out of European interactions with the immediately preceding slave and ivory trades, and in the context of disintegrating political hierarchies. Even where rubber, ivory and slave trading did not overlap (and they often did) […], those most involved in the preceding political culture of violence became administrators, soldiers and sentries. Red rubber was an extension of their political culture of violence into a new arena of economic exploitation.’ Geciteerd op p. 44.
  21. Plasman, potentat congolais, p. 107.
  22. In het laatste hoofdstuk worden verschillende van deze gruwelijke praktijken opnieuw behandeld in de context van het Casement-rapport en de latere onderzoekscommissie ingesteld door Leopold II.
  23. Idem, p. 153.
  24. Idem, p. 35.
  25. De koloniale inspecteur Félix Fuchs beklaagde in 1897 het systeem van dwangarbeid, in stand gehouden via bruut geweld tegen primitief bewapende bevolkingsgroepen. Iedereen in het koloniale apparaat is schuldig insinueerde hij: ‘C’est la voie dans laquelle on est entré maintenant et de laquelle nulle ne pourra plus songer à sortir impunément désormais.’ Idem, p. 156.
  26. Op pp. 205-207 biedt Plasman een lezing van de oorzaken voor de enorme ontvolking die gerelateerd was aan de massamoorden en dwangarbeid in Congo-Vrijstaat, zo ook de methodologische problemen met het voorhanden zijnde statistische materiaal.
  27. Idem, p.123.
  28. Idem, p. 172.
  29. Klassiek is hier natuurlijk de studie door Jean Stengers, Combien le Congo a-t-il coûté à la Belgique? (Brussel: Académie Royale des Sciences Coloniales, 1957). Recenter en grondig werk is Frans Buelens en Stefaan Marysse, ‘Returns on Investments during the Colonial Era: The Case of the Belgian Congo’, in: The Economic History Review, 62 (2009), pp. 135-66.
  30. Jacques Depelchin, De l’État Indépendant du Congo au Zaïre contemporain (1885-1974). Pour une démystification de l’histoire économique et politique(Parijs: Khartala, 1992).
  31. De ‘subsidies’ aan Congo-Vrijstaat, zo toont Plasman, kwamen van Leopolds persoonlijke fortuin, van de Civiele Lijst, en van leningen van de Belgische staat en privébankiers zoals de Rothshilds in Parijs en de Lamberts in Brussel. De voornaamste inkomstbronnen van Leopolds koloniale winsten zijn het Kroondomein, dividenden van ABIR en de Anversoise, staatsobligaties uitgevaardigd door de Congo-Vrijstaat, en zelfs de koloniale staatskast.
  32. Plasman, potentat congolais, p. 218.
  33. Enkele klassieke Belgische Congo-studies zijn echter opvallend afwezig in de referenties, met name het vernieuwende werk door Vincent Viaene en niet in het minst diens veelgeciteerde ‘King Leopold’s Imperialism and the Origins of the Belgian Colonial Party, 1860–1905’, in: The Journal of Modern History 80:4 (2008), pp. 741-90.
  34. Dit gebeurt vrij letterlijk in de openingsstrofe van het besluit: ‘Le Congo léopoldien est un cas unique dans le colonialisme du XIXe siècle. Il s’agit d’un État d’origine européenne sur le sol africain et son existence résulte principalement de la volonté d’un seul homme.’ Plasman, potentat congolais, p. 225. Deze uitspraak, hoewel correct in zijn algemeenheid, maakt abstractie van de lokale, internationale en transnationale context: het ontstaan van de Congo-Vrijstaat had evenveel te maken met lokale omstandigheden (Afrikaanse hulp en arbeid) en de mediatie van vele andere figuren (buitenlandse ‘ontdekkingsreizigers’, propagandisten, en financiers) als met de diplomatieke patstelling van de jaren 1880, waardoor Leopold de loophole vond die hem in staat stelde zijn gewaagde claim over Congo te maken.
  35. Zie bijvoorbeeld Dierk Walter, Colonial Violence: European Empires and the Use of Force, trans. Peter Lewis (Londen: Hurst, 2017 [2014]).
  36. Zie in dat opzicht Mike Davis, Late Victorian Holocausts: El Niño Famines and the Making of the Third World (Londen: Verso, 2001).
  37. Zie onder meer Ann Laura Stoler, Along the Archival Grain: Epistemic Anxieties and Colonial Common Sense (Princeton N.J.; Oxford: Princeton University Press, 2010). In dat opzicht kan ook vermeld worden dat nog tot minstens de eeuwwisseling heel weinig gekend was over het gebied dat Congo-Vrijstaat officieel omvatte: ‘as late as 1900, no one on Leopold’s colonial staff knew the extent of the Congo’s riches. The immense copper deposits of Katanga and other resources were still unknown. Contemporaries could only estimate the total native population and speculate about the mineral deposits. […] In 1888, Hubert van Neuss, a former general administrator of the Congo’s finance department, expressed bewilderment when he tried to describe the immense domain: ‘ “The deuce of it is, despite all that has been said and published, hardly anyone knows what is going on in Africa; for most people…the Congo is only a geographic expression.”’ René Alltmont, ‘Belgian Overseas Expansion during the Nineteenth Century’ (PhD thesis, University of Delaware, 1969), p. 295.
  38. De beschrijving van het massale verzet van de Budja in Mongala bijvoorbeeld is vluchtig en dient slechts als de achtergrond voor een Belgisch verhaal. Plasman, potentat congolais, pp. 170-171.
  39. Idem, p. 60; zie ook pp. 56-57 en p. 59.
  40. Idem, p. 140.
  41. Idem, p. 156.
  42. Idem, p. 162.
  43. Idem, p. 109.
  44. Idem, p. 162.
  45. Elders stelt Plasman dat hervormingsmaatregelen en de symbolische berechtiging (maar uiteindelijke vrijspraak) van een aantal Belgische beulen ‘ne remet pas en cause le système d’exploitation’ (p. 176), alleen om twee pagina’s verder te schrijven dat ‘le début du XXe siècle est indubitablement empreint d’une préoccupation éthique’. Idem, zie onder andere p. 180, p. 193 en pp.211-212.
  46. Over Westerse liberale vertogen en hun fundamentele inbedding in koloniale orden, zie het nieuwe boek door Lisa Lowe, The Intimacies of Four Continents (Durham, N.C.: Duke University Press, 2015).