Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 4

Aan het woord

Aan het woord. Interview met Reinout Vander Hulst over zijn onderzoeksverblijf aan de Université de Kinshasa.

Nelleke Teughels

Reinout Vander Hulst doet in het kader van zijn doctoraat over katholieke geneeskunde onderzoek naar het medisch onderwijs aan de Lovanium universiteit. In 1954 richtte de Katholieke Universiteit van Leuven Lovanium op als een koloniale zusterinstelling. Vandaag vindt men de Université de Kinshasa terug op diezelfde campus. Reinout verblijft er momenteel twee maanden om interviews af te nemen met voormalige studenten geneeskunde.

Je werkt momenteel aan de KU Leuven binnen de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis na 1750 aan een doctoraatsonderzoek binnen het CAMEO project ‘Katholieke geneeskunde in relatie tot andere visies op gezondheidszorg in België en Belgisch-Congo 1900-1960. Kan je het project en jouw aandeel daarin misschien wat toelichten?

Het centrale doel van het onderzoeksproject is nagaan hoe de relatie tussen geneeskunde en katholicisme ontwikkelde doorheen de twintigste eeuw. Lang werd deze geschiedenis voorgesteld als een typisch moderniseringsverhaal waarbij verwetenschappelijking, secularisering en professionalisering ervoor zorgden dat er geen plaats meer was voor religie bij het verlenen van medische zorgen. Recent onderzoek in Italië en Frankrijk toonde echter aan dat de verhouding vaak veel complexer was. Naast het Vaticaan namen ook katholieke artsen, priesters, verpleegsters en missionarissen voortdurend positie in tegenover nieuwe medische ontwikkelingen en actoren. Katholieke visies op gezondheid, ziekte en het lichaam waren dus veel minder statisch en uniform dan vaak wordt gedacht. Gezien het politieke overwicht van het katholicisme in België en de missionaire dominantie in de koloniale ‘gezondheidszorg’ van Belgisch-Congo, is het uiterst interessant om na te gaan hoe katholiek-medische denkbeelden reisden tussen metropool en kolonie. Specifiek bestudeer ik de rol van het medisch onderwijs in deze kenniscirculatie. De Katholieke universiteit van Leuven en haar koloniale zusteruniversiteit Lovanium zijn daarbij mijn voornaamste studieobjecten. Mijn collega’s, Maarten Langhendries en Luc De Munck, concentreren zich respectievelijk op reproductieve geneeskunde en de evoluerende professionele identiteit van katholieke verpleegsters.

Was het van het begin duidelijk dat je je onderzoek ook in Congo zelf zou gaan voeren? Hoe ben je in Congo terechtkomen?

Bij aanvang van het project was duidelijk dat die mogelijkheid bestond. Toen ik mij grondig begon in te lezen over Lovanium kwam ik echter tot het besef dat die geschiedenis vooral geschreven werd door de koloniale protagonisten zelf. Tot dusver bekeek enkel Ruben Mantels de geschiedenis van de instelling door een wetenschappelijke bril. Gezien ik heel erg geïnteresseerd ben in het studentenperspectief, vroeg ik mij af of het mogelijk zou zijn om ter plaatste interviews met oud-studenten geneeskunde van Lovanium af te nemen. Dankzij professor Idesbald Goddeeris kwam ik in contact met de Congolese historicus Sindani Kiangu, professor aan de Université de Kinshasa (UNIKIN). Aangezien hij mij verzekerde dat het mogelijk zou moeten zijn om enkele van hen te traceren, werd het plan alsmaar concreter.

Hoe heb je jezelf voorbereid op een verblijf in Congo?

Op organisatorisch vlak heb ik op een heel pak mensen beroep gedaan. Via mijn promotor, professor Kaat Wils, professor Jan Elen en Mado Kapinga (allen KU Leuven) wist ik snel een verblijf op de campus te regelen. Voor het overige heb ik mijn oor ook te luister gelegd bij mensen met meer Congo-ervaring zoals Benoît Henriet, Amandine Lauro, Filip De Boeck, Pedro Monaville, Sam de Schutter, Emery Kalema en ik vergeet ongetwijfeld nog tal van mensen, waarvoor mijn excuses. Op basis van hun tips kon ik me toch iets voorstellen bij waar ik terecht zou komen. Op mentaal vlak probeerde ik er mezelf de week voor mijn vertrek aan te herinneren dat ik de tijd moest nemen om te acclimatiseren alvorens echt van start te gaan met mijn onderzoek. Dat is uiteindelijk allemaal vrij snel en goed gegaan.

Wat heb je concreet gedaan om alles zo vlot mogelijk te laten verlopen eens je in Congo zelf was?

Aangezien ik op een vrijdag in Congo aankwam, nam ik het eerste weekend de tijd om enkele wandelingen in de omgeving van de campus te maken. Op die manier wist ik snel waar ik moest zijn voor allerlei praktische zaken. Het was ook heel handig om steeds een pocketschriftje op zak te hebben. Op die manier kon ik van iedereen die ik ontmoette altijd de contactgegevens noteren. Aangezien ik zelf een tweede GSM bij me had, schafte ik mezelf snel een Congolese simkaart aan om zelf ook altijd bereikbaar te zijn. Met de hulp van de professoren Sindani Kiangu, Jacob Sabakinu Kivulu en Hippolyte Mimbu wist ik vrij snel contact te leggen met een aantal oud-studenten. Eens ik enkelen van hen ontmoet had, werd dat netwerk natuurlijk altijd groter. De grootste uitdaging was eigenlijk om vervoer te regelen voor langere afstanden. Vaak kon ik mij echter beroepen op een fixer, Papa Blaise, die verbonden was aan het guesthouse waar ik verbleef.

Hoe zag een dag er daar voor jou doorgaans uit?

Gezien de zon in Kinshasa al rond 5 uur opkomt, probeerde ik de ochtend te gebruiken om afspraken, archiefbezoeken en interviews vast te leggen. Op die manier kon ik de namiddag, wanneer het te warm was om buiten rond te lopen, gebruiken om het gevonden materiaal te verwerken. Voor het overige was er niet echt een vaste dagindeling. Ik probeerde me van week tot week doelen te stellen. Op die manier kon ik dankzij Inge Van Cauwenberg van het Instituut voor Tropische Geneeskunde bijvoorbeeld ook een week onderzoek verrichten in Kisantu, op 120 kilometer van de hoofdstad.

Laten we het inderdaad even hebben over het onderzoek dat je in Congo hebt gevoerd. In wat voor soort werkomgeving kwam je terecht? Zie je veel stijlverschillen, of kent de academische wereld daar vooral gelijkenissen met je werkomgeving in Leuven?

In principe kon ik op het bureau van professor Kiangu werken, maar dat heb ik maar enkele malen gedaan. Hoewel de UNIKIN-campus wel wat uitgebreid werd doorheen de jaren, is de ruimtelijke ordening toch nog steeds grotendeels hetzelfde als ten tijde van Lovanium. Dit zorgt ervoor dat 25.000 studenten nu samenkomen op een oppervlakte die ingericht werd voor 5.000 studenten. Dit zorgt voor heel veel lawaai en drukte. Ik heb er dan ook voor gekozen om te werken op mijn kamer in het guesthouse. Ook op academisch vlak is het leven aan UNIKIN in niets te vergelijken met dat in Leuven. Een doctoraat geschiedenis is per definitie onbetaald, waardoor doctorandi vaak nog een job naast hun onderzoek hebben. Zo werkte ik bijvoorbeeld samen met Pala Kamango om de archieven in UNIKIN te raadplegen. Zij rondt momenteel haar doctoraat archivistiek af en zal daarmee de eerste vrouwelijke archiviste van Congo worden.

Welke eventuele lessen neem je mee uit je verblijf in Congo? (Hoe) heeft het je onderzoek beïnvloed?

Eerst en vooral wil ik stellen dat de hele reis een groot privilege was. Hoewel ik enorm veel heb opgestoken uit mijn verblijf in Kinshasa, wil ik zeker niet de indruk wekken dat een dergelijke reis noodzakelijk, of, omgekeerd, voldoende is om ‘het te snappen’. Ook na een verblijf van twee maanden blijven er ongetwijfeld enorm veel foute veronderstellingen en ideeën over Congo en Kinshasa overeind. Deze onderneming was als jonge historicus ook alleen maar zinvol omdat ik een heel duidelijk afgebakend studieobject had, namelijk Lovanium. Bovendien verbleef ik dan nog eens op de campus van de postkoloniale opvolger van die universiteit. Dit zal ongetwijfeld een grote invloed hebben mijn uiteindelijke onderzoeksresultaten, maar dat wil niet zeggen dat het onmogelijk is om onderzoek te doen naar de Belgische koloniale geschiedenis zonder ooit in Congo te zijn geweest. Ten slotte wil ik wel meegeven dat mijn ervaring leert dat men niet te snel moet denken dat er ‘geen archieven zijn in Congo’. Persoonlijk heb ik in de kelders van UNIKIN enkele zeer interessante documenten gevonden over de eerste Congolese artsen, Marcel Tshibamba en Félicien Ilunga.

We kijken alvast erg uit naar de resultaten van je onderzoek daar. Hartelijk bedankt voor dit gesprek!

- Nelleke Teughels