Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 4

Recensies

Majerus, Benoît & Roekens, Anne, Vulnérables. Les patients psychiatriques en Belgique (1914-1918) (Namur: Presses Universitaires de Namur, 2018), 106 p.

Luc De Munck, KU Leuven

Het psychiatrisch instituut Beau-Vallon van de zusters in Saint-Servais (Namen, geopend in 1914), ca. 1920. (Collectie Erfgoedhuis van de Zusters van Liefde in Gent)

Benoît Majerus en Anne Roekens, beiden hoogleraar aan respectievelijk de universiteit van Luxemburg en van Namen, zijn met dit boek over psychiatrische patiënten niet aan hun proefstuk over het onderwerp toe. Zo schreef Majerus in 2013 Parmi les fous, het standaardwerk over de geschiedenis van de psychiatrie in België in de twintigste eeuw, terwijl Roekens in 2014 een zeer lezenswaardig boek publiceerde over de geschiedenis van het psychiatrisch centrum Beau-Vallon, dat in 1914 door de Zusters van Liefde werd opgericht in Saint-Servais (Namen).

Hun nieuwe boek(je) – slechts 106 pagina’s – focust zich op het lot van psychiatrische patiënten in België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het is een uitloper van een wetenschappelijk artikel dat de auteurs eerder publiceerden in Journal of Belgian History.1 In dit artikel beschreven ze de moeilijke levensomstandigheden en de hoge sterftecijfers van psychiatrische patiënten in bezet België tijdens de oorlog. Daarvoor maakten ze gebruik van het concept kwetsbaarheid, zoals sinds 2013 in het historisch onderzoek gemunt door de Franse historica Axelle Brodiez-Dolino. Het voorliggende boek beschouwen de auteurs als een uitloper van dit artikel, ‘afin de rechercher au-delà du cercle des historiens patentés’ (p. 7). Daarbij wilden ze de nadruk leggen op een duidelijk en toegankelijk taalgebruik, met een beperkt voetnotenapparaat.

Vulnérables geeft in vijf thematische hoofdstukken (en een laatste hoofdstuk gewijd aan de kolonie van Merksplas) een overzicht van het lot van psychiatrische patiënten tijdens de Grote Oorlog. Het onderzoek ligt zowel in de lijn van het anti-psychiatrisch model, dat vanaf de jaren zestig door Michel Foucault en Erving Goffman werd naar voor geschoven, als in dat van de subaltern studies, waarbij de nadruk ligt op de studie van gemarginaliseerde groepen in de samenleving.

Het eerste hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de vooroorlogse geschiedenis van de psychiatrie in België. Daarbij wijzen de auteurs op de belangrijke rol die op dat vlak werd gespeeld door zowel de Broeders als de Zusters van Liefde. Ook de eerste vooroorlogse opleiding voor verpleegkundigen in krankzinnigengestichten komt aan bod, maar het klopt niet dat deze door een koninklijk besluit van 1908 werd ingesteld: pas door een nieuw besluit in 1913 werd een bekwaamheidsdiploma voor psychiatrische verpleegkundigen in het leven geroepen. De vermelding dat er in 1914 al 1850 à 1900 dergelijke verpleegkundigen waren, is eveneens onjuist, want tussen het invoeren van het bekwaamheidsdiploma en het begin van de Eerste Wereldoorlog werden in totaal slechts 609 verpleegkundigen (waaronder ook hospitaalverpleegsters) opgeleid.2

In de daaropvolgende hoofdstukken ligt de nadruk vooral op de moeilijke levensomstandigheden en de groeiende bevoorradingsproblemen in de psychiatrische instellingen. Door het gebrek aan statistisch materiaal over de oorlogsperiode blijkt het moeilijk om de sterftecijfers in kaart te brengen, maar uiteindelijk komen Majerus en Roekens tot de ontstellende conclusie dat er tijdens de oorlog niet minder dan 4.434 geïnterneerden extra zijn gestorven als gevolg van de oorlog en zijn nasleep. Dit is 23 % op het totale aantal van 19.000 psychiatrische patiënten. Ter vergelijking: voor de burgerbevolking ging het ‘slechts’ over 1,2 %. Volgens de auteurs kan dit hoge sterftecijfer (waarvan 60 % in de laatste twee oorlogsjaren) zeker niet uitsluitend worden toegeschreven aan de Spaanse griep, zoals in naoorlogse studies werd geopperd. Zo was de ontoereikende voedselbevoorrading een minstens even belangrijke oorzaak.

Tussen de verschillende hoofdstukken weven de auteurs als een rode draad telkens fragmenten uit het verhaal van Elise, een psychiatrische patiënte waarvan ze in 2017 het dossier terugvonden. Om redenen van privacy laten de auteurs echter in het midden of deze ‘bribes de vie’ over Elise en haar medepatiënten al dan niet op ware feiten berusten. Door haar parcours tijdens de oorlog te schetsen, willen Majerus en Roekens een menselijke toets toevoegen aan hun studie van het lot van psychiatrische patiënten tijdens de oorlog. Een lovenswaardig streven, maar hierdoor belandt het boek wel in een spagaat tussen een wetenschappelijke en een fictionele aanpak. Het blijkt immers niet of nauwelijks mogelijk om te beoordelen wat waarheid en wat verzinsel is, waardoor het verhaal met het nodige voorbehoud moet gelezen worden.

Veralgemenend kan gesteld worden dat een dergelijke vulgariserende aanpak – die ook in de andere hoofdstukken wordt gehanteerd - tot gevolg heeft dat de gespecialiseerde historicus meermaals op zijn honger blijft zitten. Dit wordt mede in de hand gewerkt door het al eerder gesignaleerde beperkte voetnotenapparaat. Daarnaast is het nog maar de vraag of deze publicatie er zal in slagen om het door Majerus en Roekens beoogde publiek van niet-gespecialiseerde historici te bereiken. Het zou wel eens kunnen dat door hun aanpak beide publieken zullen afhaken. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier over een boeiend en vlot geschreven verhaal, dat een interessant en vaak origineel licht werpt op een onderwerp dat in de historiografie van de Eerste Wereldoorlog nauwelijks aan bod is gekomen. De auteurs hadden er echter beter aan gedaan om resoluut te kiezen voor een wetenschappelijke aanpak van een thema dat in België nood heeft aan verder en meer diepgaand historisch onderzoek.

- Luc De Munck

Referenties

  1. Benoît Majerus & Anne Roekens, ‘Deadly vulnerabilities. The provisioning of psychiatric asylums in occupied , Belgium (1914-1918)’, in: Journal of Belgian History, XLVII: 4 (2017): 18-48.
  2. Luc DE MUNCK, Altijd troosten. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018), p. 20.