Contemporanea
Jaargang XLI Jaar 2019 Nummer 4

Recensies

Bruneel, Claude, de Hemptinne, Thérèse & Vanthemsche, Guy (eds.), Fragments de guerre – Oorlogsfragmenten 1914-1918. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis (Brussel: Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 2018), 406 p.

Pieter Trogh, In Flanders Fields Mueum, pieter.trogh@ieper.be

De Koninklijke Commissie voor Geschiedenis stelt zichzelf sinds jaar en dag de opdracht om ‘de schriftelijke bronnen met betrekking tot de geschiedenis van België op te sporen, te registreren, uit te geven en te onderzoeken, kritische studiën over deze bronnen te publiceren en werkinstrumenten ter beschikking van de geschiedkundigen te stellen’. Dat gebeurt jaarlijks met de Handelingen. De uitgave van 2018 stond – in het laatste jaar van zijn eeuwherdenking – helemaal in het teken van de Eerste Wereldoorlog, en kreeg als titel Oorlogsfragmenten 1914-1918 mee. Die titel is welgekozen, omdat de bijdragen ‘slechts’ enkele uiteenlopende aspecten behandelen van een veelzijdige geschiedenis. Het specifieke verloop van de oorlog in België tijdens de eerste maanden creëerde een bijzondere situatie, die de Belgische oorlogservaring erg gecompliceerd maakte. Inleidster Sophie De Schaepdrijver onderscheidt in dat kader drie belangrijke dimensies: de ervaring van het leger, van de ballingschap en van het bezette thuisfront. Ik volg haar indeling omdat ze een structuur biedt om de bijdragen te bespreken.

Voor de eerste dimensie, die van het leger, worden drie bronnen opgevoerd. Twee daarvan zijn relatief gelijkaardig, namelijk de onuitgegeven dagboeken van Maurice Dartevelle, artillerist bij de vestigingstroepen van de fortengordel bij Namen (ingeleid door Pierre Lierneux en Jean-Louis Van Belle), en van Pierre Pirenne, infanterist en zoon van Belgiës beroemdste historicus (geduid door Sarah Keymeulen). Beide getuigenissen geven inzicht in de sfeer, emoties en gebeurtenissen van de eerste oorlogsweken: de morele verontwaardiging over de Duitse inval, de patriottische reacties en het oorlogsenthousiasme, maar ook de chaos, de ellende, de honger, de vermoeidheid, de band tussen soldaten onderling. Een andere analogie is dat beide mannen slechts het begin van de gevechten meemaakten: Dartevelle werd eind augustus 1914 krijgsgevangen genomen, de jonge Pirenne sneuvelde op 3 november 1914 tijdens de Slag bij de IJzer. Dartevelle schreef zijn getuigenis pas na de oorlog op, maar dat doet geen afbreuk aan zijn waarde als bron voor het nog steeds sterk onderbelichte thema van de Belgische vestigingstroepen. Naast deze getuigenissen belichten Birger Stichelbaut en Jean Bourgeois een totaal andere bron, namelijk de historische luchtfoto’s van het front in België. Observatie vanuit de lucht werd een cruciaal element in de context van een stellingenoorlog. Wat begon met een aantal experimenten eind 1914-1915 groeide nog tijdens de oorlog uit tot een volwaardige discipline. De auteurs bespreken de belangrijkste kenmerken van historische luchtfoto’s en geven een overzicht van enkele toepassingen voor archeologisch onderzoek, erfgoedbeleid en interactieve museale toepassingen.

De tweede dimensie betreft het deel van België dat vier jaar lang de Duitse bezetting heeft doorgemaakt. De samenstellers selecteerden drie aspecten van het bezettingsregime die tot nog toe nauwelijks aandacht gekregen hebben. Naar aanleiding van een conferentie die de Duitsers in oktober 1915 in Brussel organiseerden over de strijd tegen geslachtsziekten in het bezette land, onderzocht Emmanuel Debruyne de seksuele betrekkingen tussen de bezetter en de bezette bevolking. Catherine Thomas levert een bijdrage tot de economische en industriële geschiedenis van België, door de positionering van de glasblazerij van Jumet binnen een bezettingscontext te verkennen: aan de hand van de processen-verbaal van de Raad van Bestuur analyseert zij de manoeuvres tussen patriottisme en een politiek van het ‘minste kwaad’, een oefening waar honderden Belgische bedrijven tot het einde van de oorlog mee geconfronteerd werden. Een andere sector die in tijden van bezetting op zoek moest naar een modus vivendi, was het onderwijs. Jean Houssiau en Christian Vreugde onderzoeken de lotgevallen van de Brusselse school n° 10, een casus die aantoont hoe individuen van binnen (zoals de schooldirecteur en leerkrachten) en buiten de school (zoals de Brusselse weldoenster Isabelle Goldschmidt-Errera) probeerden om in moeilijke omstandigheden kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden en het welzijn van het kind centraal te stellen.

De derde dimensie is die van de Belgische ballingschap. Tijdens de eerste oorlogsmaanden sloegen Belgen massaal op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Meer dan 600.000 onder hen zouden voor de duur van de oorlog in het buitenland verblijven, hoofdzakelijk in Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland. Ook voor deze dimensie worden drie bronnen voor het voetlicht gehaald. Michaël Amara en Arnaud Charon bespreken de getuigenis van Jules Wellens, een burger die voorzitter was van het – in ballingschap – in Le Havre geïnstalleerde Militaire Gerechtshof. Zijn dagboek beschrijft het leed van een man die vier jaar gescheiden moet leven van zijn gezin, maar weerspiegelt ook zijn voortdurende conflicten met de Auditeur-Generaal en de legerleiding om een betere Belgische militaire rechtsgang te verwezenlijken. Vincent Genin bestudeert op zijn beurt hoe de Belgische propaganda achter de schermen georkestreerd werd, op basis van een aantal onuitgegeven brieven en manuscripten tussen belangrijke protagonisten zoals de opeenvolgende Ministers van Buitenlandse Zaken Eugène Beyens en Paul Hymans, en de advocaat, politicus en lobbyist Georges Lorand. De laatste bron (ingeleid door Pierre-Alain Tallier) is die van Gabriel Vercken, getuige van de Duitse inval en gruweldaden in de streek rond Verviers. Als vluchteling bracht hij over deze gebeurtenissen verslag uit aan Joseph de Dorlodot, hoofd van de ‘Dienst van de Briefwisseling en Documentatie’ in Folkestone (UK), die een belangrijke schakel vormde in de correspondentie tussen Belgische soldaten en vluchtelingen enerzijds, en hun families in bezet België anderzijds.

Deze publicatie verzamelt stuk voor stuk interessante bronnen en getuigenissen die de mozaïek van de totale Belgische oorlogservaring verder inkleuren en schakeren. De ontsluiting van nieuwe bronnen, voorzien van kritische analyses door professionele historici, is een absolute meerwaarde. Maar zoals de titel van de bundel impliceert: het zijn fragmenten, en talrijke andere fragmenten dienen nog in kaart gebracht. Om er één aan te stippen: de Belgische diaspora van de Eerste Wereldoorlog. Ondanks lovenswaardig pionierswerk van Pierre-Alain Tallier en Michaël Amara bevat deze ‘dimensie’ nog steeds talrijke stukken onontgonnen grond (de fasering van de vlucht, details over de geografische spreiding, vluchtelingen in de Westhoek, de vluchtervaring zelf en het leven in ballingschap, netwerken, de processen van terugkeer, wederopbouw en herintegratie …). Allicht zijn de bronnen niet per se volgens het raamwerk van de inleiding geselecteerd, maar ze leggen wel onbedoeld een pijnpunt bloot. Het relaas van magistraat Wellens is buitengewoon interessant, maar minder om zijn exil-ervaring dan om zijn betrokkenheid bij de uitdagingen en werking van het Belgische militaire gerechtsapparaat in oorlogstijd. De correspondentie van de diplomatieke toplaag is boeiend om volgen, maar staat bijzonder ver van de ballingschapservaring van honderdduizenden Belgen. Het verslag van Vercken werpt een nieuw licht op de tragedie van de Duitse inval en licht een tipje van de sluier van de omvangrijke werking van de dienst van Joseph de Dordelot, maar de eigenlijke vluchtervaring komt nauwelijks aan bod. In die zin wordt slechts een zeer kleine – elitaire – groep van vluchtelingen aangeraakt. De geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog zal aandacht blijven krijgen, ook en vooral na de eeuwherdenking van 2014-2018, met een verschuiving in focus van herdenken naar onderzoeken. Wie weet, volgt over enkele jaren een bundel Handelingen die gewijd is aan dit belangrijke hoofdstuk uit de Belgische migratiegeschiedenis?

- Pieter Trogh