Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 1

Recensies

Vanderstraeten, Raf & Louckx, Kaat, Sociology in Belgium. A Sociological History (Londen: Palgrave Macmillan, 2018), 133 p.

Christoph De Spiegeleer, Liberas

De bezoeker die vandaag de prachtig gerestaureerde leeszaal en omringende werkkamers van de Solvay bibliotheek, het vroegere Instituut van de Sociologie (°1902), in het Leopoldpark te Brussel betreedt, wordt teruggevoerd in de tijd. De statige Art Nouveau-bibliotheek deed in de vroege 20ste eeuw dienst als een onderzoekslaboratorium voor de sociale wetenschappen en werd na de dood van de liberale industrieel en mecenas Ernest Solvay aan de Université Libre de Bruxelles overgedragen. Het belang van Solvays onderzoekscentrum in de intellectuele en politieke geschiedenis van de sociologie in België komt samen met heel wat andere fases en ontwikkelingen aan bod in het Engelstalige overzichtswerk Sociology in Belgium. A Sociological History (2018).

Het boek maakt deel uit van een internationale in 2014 opgestarte serie, uitgegeven door Palgrave Macmillan, waarbij experten per land de ontwikkeling van de sociologie als discipline reconstrueren in de loop van de 19de en 20ste eeuw. Auguste Comte muntte reeds in 1838 de term sociologie, maar de moeizame institutionalisering van sociologie als wetenschap volgde pas in de late 19de en vroege 20ste eeuw. Inmiddels zijn al twintig titels in de boekenreeks beschikbaar, met sinds 2018 ook een volume over de geschiedenis van de sociologie, of meer precies de ontwikkeling van verschillende vormen van sociologie, in België. Het overzicht voor België is van de hand van de historische sociologen Raf Vanderstraeten, directeur van het Center for Social Theory aan de Universiteit Gent, en Kaat Louckx, sinds kort werkzaam voor het Forum Internationale Wissenschaft aan de universiteit van Bonn. De onderzoeksexpertises van beide auteurs inzake de interactie tussen wetenschap en samenleving komen duidelijk naar voor doorheen het volume, met bijvoorbeeld een stuk over de groeiende commotie rond talentellingen als politiek instrument (Louckx) en een apart hoofdstuk met kwantitatieve analyses van evoluerende publicatiepatronen binnen de Belgische sociologie (Vanderstraeten).

Het eerste hoofdstuk schetst de bredere sociaal-politieke context, met de politiek-religieuze en taalkundige tegenstellingen, waarbinnen de sociologie in België zich ontwikkelde. Adolphe Quetelets project van de sociale wetenschap (‘sociale fysica’), met de zoektocht naar de statistische regels achter sociale fenomenen, en de moeizame introductie van sociologie aan de Belgische universiteiten krijgen de nodige aandacht. In het tweede en derde hoofdstuk gaan de auteurs dieper in op de impact van levensbeschouwelijke en aan taal gerelateerde spanningen op de ontwikkeling van sociologie als academische discipline. Beide hoofdstukken openen met zeer algemene uitweidingen over de relatie tussen staat en religie en tussen staat en taal doorheen de geschiedenis, met verwijzingen naar sociologische en politicologische studies over de rol van religie en taal in nationale identiteitsvorming.

Door de integratie van de universiteiten in Leuven en Brussel in het verzuilde sociaal-politieke landschap, ontstonden verschillende tradities binnen de sociologie in beide universiteitssteden. In Brussel manifesteerden de socialisten Hector Denis en Guillaume De Greef zich als voorvechters van een op positivistische leest geschoeide sociologie. Emile Waxweiler kwam in 1902 aan het hoofd te staan van het nieuwe Institut de Sociologie Solvay. In de op biologie gerichte sociologie die Waxweiler voorstond, diende de socioloog als een sociaal etholoog te onderzoeken hoe individuen zich aan elkaar en aan hun omgeving aanpassen. In Leuven werd kritisch gekeken naar het werk van Solvay en Waxweiler. Aan de katholieke universiteit primeerde lange tijd een vijandige/defensieve houding ten aanzien van sociologie.

Net zoals het onderzoek aan het Institut de Sociologie niet kon losgekoppeld worden van het politieke liberalisme en Solvays ‘productivistische’ doeleinden/theorieën, was een groot sociologisch project van Cyrille Van Overbergh, oprichter van de katholieke Société Belge de Sociologie, opgebouwd rond etnografische enquêtes over stammen in het Congobekken, onlosmakelijk verbonden met de belangen van de Kerk in de kolonie. Vanderstraeten en Louckx merken trouwens terecht op dat ook binnen de Brusselse vrijzinnige kringen van Solvays instituut rond de eeuwwisseling een raciale en koloniale ideologie werd aangehangen. De maatschappelijk-politieke inbedding van de sociologie in België is een rode draad in het boek, met ook vandaag nog een belangrijke rol voor sociologie met een praktisch en beleidsgericht karakter.

Naast de ideologische en levensbeschouwelijke breuklijn hadden/hebben ook de taalverschillen en taalgeschillen en de federalisering van België een invloed op de nationale ontwikkeling van de sociologie als wetenschap. Aan beide zijden van de taalgrens kwamen verschillende academische gemeenschappen binnen de sociologie tot stand. Het vierde hoofdstuk zoomt in op verschuivingen in de publicatiecultuur binnen de meer en meer ven elkaar verwijderde Franstalige en Nederlandstalige gemeenschappen van sociologen in België.

Sociology in Belgium is zeker niet de eerste wetenschappelijke publicatie die de geschiedenis van sociologie in België onder de loep neemt. Zeker voor wat betreft de beginperiode/eerste ‘expansiefase’ rond de eeuwwisseling konden de auteurs gebruik maken van eerdere studies van Pierre de Bie, Kaat Wils en Jean-François Crombois. Een grote meerwaarde van het boek is, naast de internationale zichtbaarheid die een Engelstalig overzicht met zich mee brengt, ongetwijfeld de aandacht voor naoorlogse en recente evoluties bij de tweede (rond 1960) en derde (rond 2010) fase in de expansie en institutionalisering van de discipline. Zo wordt in het hoofdstuk over de impact van religie haarfijn de transformatie in het Leuvense universiteitsmilieu van een “sociologie religieuse” naar een “sociologie des religions” uit te doeken gedaan, met sociologen aan de KUL/UCL die zich vanaf de jaren 1960 begonnen te buigen over de seculariseringsthesis en de opgang van zuilgebonden onderzoek aan het in 1976 vanuit de KUL opgerichte Katholiek Documentatiecentrum.

In het hoofdstuk over de impact van taal komt de lezer meer te weten over de organisatie van Franstalige en Nederlandse sociologen in eigen associaties en de afname van taalgrensoverschrijdende contacten tijdens de laatste decennia van de 20ste eeuw. Inmiddels is statistisch onderzoek op nationale schaal uitzonderlijk geworden. Het laatste hoofdstuk geeft een historische dimensie aan actuele publicatiepatronen in de sociologie. Hierbij worden enkele door velen als problematisch ervaren evoluties in kaart gebracht die aan de gang zijn in alle sociale en humane wetenschappen aan Vlaamse universiteiten: een op de Angelsaksische wereld gerichte publicatiecultuur waar veel belang gehecht wordt aan kwantificeerbare aantallen publicaties in (Engelstalige) tijdschriften opgenomen in de indexen van Web of Science, een toenemende druk voor co-auteurschap en erg beperkte doorstroommogelijkheden voor postdoctorale onderzoekers (“publish and perish”). De auteurs laten zich ter afsluiting van het boek (te?) scherp uit over het gebrek aan internationale invloed/zichtbaarheid van de huidige sociologie in België en het “geprovincialiseerd” en voor buitenlandse academici overwegend gesloten karakter van de universitaire departementen sociologie.

Vanderstraeten en Louvkx bedrijven op een analytische en problematiserende manier wetenschapsgeschiedenis, met oog voor de interactie tussen de ontwikkeling van sociologie als discipline en brede maatschappelijke verschuivingen. De algemene thematische structuur van het boek is goed doordacht en maakt het mogelijk om op kernkrachtige wijze duidelijk te maken in welke mate sociale structuren en verschuivingen de ontwikkeling van sociologie als discipline hebben beïnvloed. Op deze manier vermijden Vanderstraeten en Louckx dat het boek een loutere optelsom van de biografieën van invloedrijke Belgische sociologen zou worden.

In hun historische overzichten van het onderwijs- en taalconflict in de Belgische samenleving leggen Vanderstraeten en Louckx enkele duidelijke accenten. Zo wordt veel belang gehecht aan de commotie rond de splitsing van de Leuvense universiteit in 1968, maar wordt het schoolpact (1958) niet vermeld. In het overzicht van belangrijke sociologen en onderzoeksinstituten vallen tevens enkele afwezigheden op. Zo wordt niet ingegaan op de figuur en invloed van de vandaag onder sociologen vaak vergeten ULB-filosoof Eugène Dupréel, hoewel Dupréel in de literatuur weleens wordt omschreven als de meest gereputeerde theoreticus van de sociologie in het interbellum. De auteurs benadrukken voor de recentere periode sterk de zwakke traditie van institutioneel ondersteund taalsociologisch onderzoek in België. Ze vermelden hierbij evenwel niet de rol van het in 1977 aan de Vrije Universiteit Brussel opgerichte Centrum voor de Interdisciplinaire Studie van de Brusselse Taaltoestanden, voorloper van het huidige BRIO. De taalbarometeronderzoeken waarmee Rudi Janssens sinds 2001 in opdracht van de Vlaamse overheid verschuivingen in taalgebruik in Brussel en de rand in kaart brengt, gaan net dieper in op de complexiteiten en paradoxen van meertaligheid als cement van de Brusselse samenleving.

Het schetsen van de rijke geschiedenis van de sociologie in België op een honderddertigtal pagina’s, aan de hand van enkele kernfactoren zoals taal, religie en publicatiecultuur, noodzaakt natuurlijk moeilijke keuzes. De vorige opmerkingen doen dan ook niets af aan de kwaliteit en bruikbaarheid van dit boek. Sociology in Belgium zal in de komende jaren ongetwijfeld op de verplichte leeslijst komen te staan van menig student sociologie en hopelijk ook comparatief onderzoek met andere nationale tradities stimuleren.

- Christoph De Spiegeleer