Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 1

Recensies

Debruyne, Emmanuel, “Femmes à Boches.” Occupation du corps féminin, dans la France et la Belgique de la Grande Guerre (Parijs: Les Belles Lettres, 2018), 464 p.

Lith Lefranc, Universiteit Antwerpen

Emmanuel Debruyne, gespecialiseerd in verzets- en bezettingsgeschiedenis van beide wereldoorlogen, onderzoekt in dit werk verschillende soorten van seksuele verhoudingen tussen Belgische en Franse vrouwen en de Duitse bezetter tijdens WOI. In de eerste drie hoofdstukken van het boek bespreekt hij de ontwikkeling van respectievelijk seksueel geweld, prostitutie en romantische relaties. De drie volgende hoofdstukken focussen op de gevolgen van deze ontmoetingen met de vijand voor de vrouwen in kwestie: publiek stigma, venerische ziekten en oorlogskinderen. In het zevende en laatste hoofdstuk beschrijft de auteur de naoorlogse represailles die de pas bevrijde gemeenschap ondernam tegen deze ‘femmes à Boches’.

Bij de Duitse inval in België en Noord-Frankrijk werden duizenden vrouwelijke burgers verkracht. In het eerste hoofdstuk geeft Debruyne niet alleen gehoor aan hun schrijnende ervaringen, maar kadert hij dit fenomeen binnen het bredere oorlogsgeweld. Hij toont aan dat de seksuele geweldplegingen geen bewuste militaire strategie waren, maar plaatsvonden in een context van anomie, door soldaten die hun angst en eenzaamheid probeerden compenseren met drank en hypermasculiniteit. Debruyne waagt zich als eerste aan een voorzichtige schatting. Op basis van het aantal geboortes met onbekende vader in de lente van 1915 concludeert hij dat er in België 10 à 17.000 en in Noord-Frankrijk 20 à 25.000 slachtoffers geweest moeten zijn. De verkrachtingen namen af wanneer het militaire regime stabiliseerde, maar verdwenen nooit volledig. De auteur beperkt zijn definitie van seksueel geweld niet tot verkrachtingen sensu stricto, maar heeft in dit hoofdstuk ook aandacht voor andere gevallen van ongewenste intimiteiten. Hij vermeldt in het bijzonder de verplichte medische inspecties om gezondheids- en veiligheidsredenen die veel vrouwen als gênant en ongepast ervaarden.

Het tweede hoofdstuk focust op een gecommercialiseerde vorm van intimiteit, prostitutie, die sterk boomde tijdens de oorlogsjaren. Debruyne heeft aandacht voor meerdere aspecten van de oorlogsprostitutie: de verschillende ontwikkelingen in stad en platteland, de diverse drijfveren van vrouwen om in de prostitutie te stappen, de afkeurende houding van de bevolking hiertegenover, de Duitse regularisatiepolitiek en de gespannen samenwerking met lokale overheden om deze in de parktijk te brengen.

De duur en intensiteit van de bezetting maakten het volgens Debruyne onvermijdelijk dat sommige vrouwen romantische relaties aangingen met Duitse mannen. Deze vormen het onderwerp van het derde hoofdstuk. Ondanks het fragmentarische bronnenmateriaal slaagt de auteur erin om de diversiteit van dit (eerder zeldzame) fenomeen te vatten. De motieven waren uiteenlopend: liefde, angst, eenzaamheid, armoede, opportunisme… Maar Debruyne nuanceert dat ook deze consciëntieuze ontmoetingen niet vrij waren van heersende machtsverhoudingen.

Het tweede deel van het boek behandelt de gevolgen van deze relaties. In het vierde hoofdstuk analyseert Debruyne de perceptie hierop bij de bezette bevolking aan de hand van dagboeken. De “femmes à boches” werden tijdens de oorlog nog niet publiekelijk aan de schandpaal genageld, maar veel van hen werden wel al gestigmatiseerd omwille van hun onpatriottisch en immoreel gedrag en zagen hun sociaal netwerk afbrokkelen. Het vijfde hoofdstuk gaat dieper in op de Duitse seksualiteitspolitiek die de auteur in het tweede hoofdstuk al kort aanhaalde. De militaire overheid voerde een actief anticonceptiebeleid, niet alleen om de verspreiding van venerische ziekten te voorkomen, maar ook om de geboorte van buitenechtelijke kinderen tegen te gaan. Deze politiek was zowel sensibiliserend als criminaliserend. Besmette vrouwen werden jarenlang opgesloten in speciaal opgerichte vrouwenhospitalen zodat de gezondheid van het Duitse leger gegarandeerd kon worden.

Volgens schattingen van Debruyne werden er, ondanks deze anticonceptiepolitiek, tijdens de oorlogsjaren minstens 16.000 kinderen met onbekende vader geboren in bezet België en Frankrijk. In het zesde hoofdstuk werpt hij licht op clandestiene abortuspraktijken, de moeilijkheden van moeders zonder sociaal netwerk, het publiek stigma dat ‘enfants de Boches’ opgeplakt kregen en het lot van de kinderen die uit schaamte als wees werden achtergelaten.

Nog voor de officiële Wapenstilstand nam de bevrijde gemeenschap wraak tegen iedereen die tijdens de oorlog onpatriottisch gedrag vertoond had. Debruyne maakt in zijn laatste hoofdstuk duidelijk dat deze represailles sterk gegenderd waren. De bestraffing van de “femmes à boches” werd meestal door mannen uitgevoerd en was vaak heel lichamelijk: hoofden werden kaalgeschoren en lichamen ontbloot, bekogeld of bespuugd. Sommige vrouwen werden ook voor het gerecht gedaagd omdat ze verdacht werden van collaboratie of spionage. Deze maatschappelijke verstoting deed veel vrouwen vluchten, maar slechts een heel klein aantal trok in bij hun nieuwe Duitse partner.

Debruyne maakte voor zijn onderzoek gebruik van een uitgebreid bronnencorpus. Vooral de kwalitatieve analyse van 110 dagboeken is indrukwekkend. Toch is de selectie nogal onevenwichtig. Van de slechts 35 vrouwelijke auteurs waren er weinigen zelf ‘femme à boches’. De stem van de vrouwen die het onderwerp van dit werk vormen, blijft dus grotendeels afwezig. Daarnaast spreekt het voor zich dat dagboeken, als typisch burgerlijk fenomeen, een sterke sociale vertekening hebben. Dankzij het gebruik van talloze andere bronnen zoals juridische, parochiale en gemeentearchieven, documenten van de bezettingsadministratie, geallieerde verslagen, mondelinge getuigenissen van nabestaanden, clandestiene pers, literatuur, liederen, affiches, fotoalbums… slaagt Debruyne er evenwel in deze lacune te overbruggen en een overtuigend beeld neer te zetten van de verschillende intimiteiten tussen burger en bezetter.

De grootste kracht van het werk schuilt in Debruynes genuanceerde analyse van erg uiteenlopende ervaringen. Hij overstijgt de voor de hand liggende dichotomie burger/bezetter door aandacht te besteden aan de verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen militair en civiel, tussen front- en bezettingszones, tussen stad en platteland, tussen sociale klassen…. Ook de geografische focus op de bezette delen van zowel België als Frankrijk is een grote meerwaarde. De bezetting van WOI is te lang binnen een exclusief nationaal kader bestudeerd, wat onrecht doet aan de transnationale realiteit.

Femmes à Boches vormt een grote bijdrage aan zowel de gender- en seksualiteitsgeschiedenis als de bezettingsgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Hoewel Debruynes onderzoek vooral bestaande inzichten bevestigt, is dit het eerste werk dat deze ambigue relaties en de politisering ervan door zowel de bezettende overheid als de bezette gemeenschap centraal stelt. Dankzij het naast elkaar bestuderen van gedwongen, commerciële en vrijwillige relaties overtuigt de auteur dat de grens tussen dwang en vrije keuze niet altijd even scherp getrokken kan worden in oorlogstijd. Hij bewijst dat het vrouwelijk lichaam niet alleen een symbolisch slagveld was van de strijd tussen verschillende belangengroepen, maar dat het ook zelf een zekere bewegingsvrijheid had die diverse motieven, gaande van passie tot overleven, blootlegt.

- Lith Lefranc