Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 2

Recensies

Destatte, Philippe, Histoire de la Belgique contemporaine. Société et institutions (Bruxelles : Larcier, 2019), 218p.

Vincent Scheltiens, Universiteit Antwerpen

In zijn vorig jaar gepubliceerde Histoire de la Belgique stelt Philippe Destatte ons in de gelegenheid de cursus in te kijken die hij sinds 2004 doceert aan de universiteit van Mons. Het werk moet gelezen worden als het voorlopige stadium waarin de pedagogische ervaring van de auteur zich bevindt en in dat opzicht is deze beknopte, maar precieze publicatie een mooi en efficiënt houvast voor studenten en zeker niet alleen voor toekomstige historici. Dat is niet alleen het gevolg van de overtuigende manier waarop de auteur de materie beheerst, maar ook van de wijze waarop het boek is ingedeeld. Naast een heldere indeling wordt het werk gelardeerd met tal van citaten en handige grafieken en tabellen. Wezenlijk valt Histoire de la Belgique uiteen in twee delen.

In het eerste deel behandelt de auteur de breuken van de lange negentiende eeuw in zes corresponderende hoofdstukken: de industriële revolutie, de Belgische revolutie, de sociale en de nationale kwestie, om af te ronden met de evolutie van het partijpolitieke landschap en de Eerste Wereldoorlog.

Vervolgens focust Destatte op een aantal evoluties die zich doorheen de twintigste eeuw voltrokken zoals de democratisering van het stemrecht, maar ook de opkomst van het fascisme in het interbellum. Daarna overloopt Destatte aan de hand van het concept interdépendance de opname van België in een internationaal netwerk van afspraken, verdragen, organisaties en samenwerkingsverbanden. Dat luik eindigt met de illusie van enige wezenlijke Belgische of regionale verankering binnen de context van een geglobaliseerde economie. Met het deel dat hij de ‘confederalisering van België’ titelt, arriveert Destatte bij één van zijn stokpaardjes. De lezer dient hier te weten dat Philippe Destatte niet alleen historicus is met standaardwerken als L’identité wallonne (om het slechts daar bij te houden), maar ook als bezieler van het Institut Jules Destrée prominent pleitbezorger van het Waalse federalisme in een scenario van ‘regionalisme met vier gewesten’ (Wallonië, Brussel, Vlaanderen, Ostbelgien). In schrille tegenstelling tot wat wel eens van onze professie met mis begrepen objectiviteitsaanspraken gedacht wordt, hoeft maatschappelijk engagement op geen enkele manier professioneel wetenschappelijk werk in de weg te staan. Openheid over wie de pen voert en falsifieerbaarheid van onderzoek en werk volstaan om elke spanning weg te nemen. Destatte overloopt in sneltempo de evolutie van Vlaamse en vervolgens vooral Waalse grieven tot wat hij de ‘politieke scheiding’ noemt (vanaf de algemene staking van 1960-61 en de Vlaamse Marsen op Brussel) om af te ronden met de opeenvolgende staatshervormingen. Verrassend genoeg is dit deel het minst overzichtelijk en lijkt de auteur zich te verliezen in specifieke wetten en regeringen die het overzicht ietwat vertroebelen. Hoewel de auteur dus – te beginnen met de titel – een confederale dynamiek suggereert, maakt hij hier zijn punt niet af.

In een even kort als divers getint hoofdstuk over de weerstand tegen de moderniteit neemt Destatte de lezer mee vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog - die verder in het boek niet besproken wordt - naar engagement en contestatie in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het is maar de vraag of de titel ‘contestatie van de moderniteit’ de lading dekt. De auteur zweeft langs Franse existentiële filosofen, verwijst naar de angst voor Sovjets achter het IJzeren Gordijn, naar kritiek op de (op Amerikaanse leest geschoeide) consumptiemaatschappij en de doorbraak van het ecologische gedachtegoed in zijn politieke gedaante. Het werpt de vraag op of een kritische houding tegenover economisch groeifetisjisme, technocratie, kernenergie en fossiele brandstoffen vandaag wel moet gecatalogeerd worden onder de noemer van bestrijding van ‘moderniteit’. Duurzaamheid en strijd tegen de klimaatopwarming – vreemd genoeg niet vermeld in een boek dat in 2019 ecologische bewustzijnswording behandelt – dreigen hierdoor louter bekeken te worden als een stap naar het verleden – en dus een vermeende achteruitgang – hoewel het optrekken van de benjaminiaanse noodrem ook hier wellicht noodzakelijk is. Destatte wijdt in het elfde hoofdstuk terecht veel aandacht aan de intrede van vrouwen in het economische, publieke en politieke leven. Hij staat hierbij niet alleen stil bij de naoorlogse feminisering van de arbeidsmarkt (met onder meer in 1966 de strijd van de arbeidsters van wapenfabriek FN Herstal voor gelijk loon voor gelijk werk) maar gaat ook uitvoerig in op de strijd voor het recht op abortus. In het laatste hoofdstuk, over het diepe onbehagen van de burger, behandelt hij niet alleen de politiehervorming maar ook de opkomst van het Vlaams Blok/Belang en de politisering van de migrantenkwestie. Andere spraakmakende dossiers die het vertrouwen van de burger in zijn overheid deden wankelen komen aan bod: de terroristische CCC, de Bende van Nijvel, de zaak-Dutroux.

In zijn conclusie vraagt Destatte zich af of dit land afstevent op nieuwe breuken. Naast historicus is hij ook actief als prospectivist (niet te verwarren met futuroloog) waarbij hij op basis van beschikbare data en mogelijke scenario’s een blik vooruit in de tijd poogt te werpen. In de Europese Unie ziet hij een mogelijk model van nieuw bestuur tussen opkomende regio’s en verzwakkende natiestaten. Hiervoor baseert hij zich op wat hij nieuwe economie noemt, waarbij hij België almaar meer in een postindustriële en postkapitalistische samenleving situeert. Met deze laatste term overspeelt de historicus/prospectivst ietwat zijn hand. Hij verwart mijns inziens de reële en intussen ver gevorderde delokalisering van maakindustrie met een wijziging in de economische productiewijze of eigendomsverhoudingen (het kapitalisme) die zich vooralsnog niet heeft voorgedaan. Historiografisch knoopt Destatte hier onuitgesproken aan bij vooroorlogse thesen over managerial revolution, zoals omstreeks 1940 geformuleerd door de Amerikaan James Burnham. Het voorgaande belet niet dat dit beknopte werkje boeiende en inspirerende lectuur is, zeker ook voor niet-studenten, om te reflecteren over het land en de wereld, de interactie tussen samenleving en instellingen, de historische continuïteit en de breuken. Het zal ons – zeker na de coronacrisis – als historici steeds aan de slag houden.

- Vincent Scheltiens