Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 3

Recensies

Korkus,Simone, La servante de Degrelle (Waterloo: Luc Pire, 2020), 292 p.

Bruno Cheyns

Met La Servante de Degrelle waagt de gerenommeerde Brusselse uitgeverij Luc Pire zich aan de vertaling van het levensverhaal van Hannah Nadel, dat in 2017 door de Israëlische journaliste Simone Korkus werd gepubliceerd. Korkus woont en werkt in het Midden-Oosten en publiceerde de afgelopen jaren vooral over het Israëlisch-Palestijns conflict. Haar werk werd onder meer bekroond met de internationale persprijs van de Verenigde Naties.

Het levensverhaal van Hannah wordt opgevat als een kleurrijke triptiek, waarvan het eerste luik de lezer terugvoert naar het Europa van de jaren 20. Tegen de achtergrond van een ontwrichte samenleving, besluiten de ouders van Hannah de antisemitische sfeer in Polen te ontvluchten en te verhuizen naar Gelsenkirchen, een kleine stad in het Duitse Ruhrgebied. Vader Elias verliest na enkele jaren zijn baan en het gezin wordt in 1927 het land uitgezet. Na veel omzwervingen vestigen ze zich in Brussel. Korkus schetst een vrij eenzijdig beeld van een stad die kreunt onder de vluchtelingenstromen. Deze vluchtelingen werden overigens niet altijd met open armen ontvangen door de joodse gemeenschap: ‘Tout comme nous, ils cherchaient un logement et du travail; ce qui compliquait encore les choses pour mes parents’, herinnert Hannah zich tijdens een van haar gesprekken met de auteur: ‘Ils semblaient très pauvres, et ne parlaient que le yiddish, avec des rudiments d’allemand’ (p.59). Hannah’s familie stond hierin niet alleen. Heel wat Belgische joden zagen de vluchtelingen als een bedreiging voor de kwetsbare positie die ze in de loop van de eeuwen had opgebouwd. Deze polarisering werd nog versterkt na de parlementsverkiezingen van 1936, waarbij Rex – de katholiek-reactionaire beweging rond Léon Degrelle – het politieke bestel op zijn grondvesten deed daveren.

Na deze korte inleiding leidt Korkus de lezer naar het tweede luik van de triptiek, meteen ook het donkerste paneel uit het levensverhaal van Hannah. Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers ons land aan. Na amper achttien dagen zwichten de Belgische troepen onder het militaire overgewicht en capituleert het leger. Hoewel de Duitsers aanvankelijk een militair bestuur installeren, sijpelt het antisemitische karakter van het naziregime langzaam maar zeker door. Er breekt een tijd aan van angst en onzekerheid, een periode die Korkus op een bijna meesterlijke wijze tot leven wekt. In het voorjaar van 1943 reageert Hannah op een advertentie in de krant waarin een dienstmeisje en een gouvernante worden gevraagd. Samen met haar nichtje Tony krijgt ze de aanstelling bij het gezin van Henri Cornet, een succesvol zakenman uit Sint-Genesius-Rode. Hannah leidt in villa La Ribambelle een heel geïsoleerd bestaan en lijkt helemaal afgesneden van de turbulente wereld rondom haar. Haar herinneringen worden dan ook sterk gekleurd door een bijna banale alledaagsheid die haar afschermt van de gruwelijke realiteit van de Jodenvervolging. Al vlug komt Hannah te weten dat de vrouw des huizes niemand minder is dan de zus van Léon Degrelle. Volgens Hannah was de familie Cornet niet opgezet met het ideeëngoed van Degrelle en moest ze zich in de kelder schuilhouden als hij op bezoek kwam. In de zomer van 1943 komt het tot een definitieve breuk tussen de familie Cornet en Degrelle toen deze laatste werd geëxcommuniceerd door de bisschop van Namen nadat hij in SS-uniform een begrafenis van een vriend had bijgewoond. Bij het volgende bezoek van Degrelle kwam het tot een hoogoplopende ruzie waarbij Cornet zijn schoonbroer de deur wees.

In haar boek rijgt Korkus de anekdotes aan elkaar, wat enerzijds een unieke kijk biedt op het dagelijks leven tijdens de bezetting, maar anderzijds ook de historische waarde van het werk ondermijnt . De beweringen van Hannah worden immers zelden getoetst aan historisch bronnenmateriaal en ook het wetenschappelijk apparaat oogt vrij mager. Zowel Hannah als de kinderen van het gezin Cornet herinneren zich bijvoorbeeld dat Degrelle bij zijn aankomst zijn geweer in een hoek van de hal had achtergelaten voor hij zich met Henri Cornet terugtrok in het salon. Van Degrelle is echter geweten dat hij in België enkel zijn uniform aantrok voor officiële gelegenheden en nooit een geweer bij zich droeg. In tegenstelling tot wat Hannah laat uitschijnen, luidde de ruzie tussen Henri Cornet en Degrelle ook geen definitieve breuk in tussen het gezin Cornet en de andere leden van de familie, die nog tot de bevrijding geregeld op bezoek kwamen in La Ribambelle.

Uit ander bronnenmateriaal blijkt dat de tuinman van het gezin Cornet na de bevrijding een aantal getuigenissen aflegde die een heel ander licht werpen op de zaak. In een van deze verhoren wordt ook melding gemaakt van de drie joodse vrouwen die in de lente van 1943 waren aangenomen. De tuinman schetst een meer genuanceerd beeld van de familie en stelt in een van zijn verklaringen dat de drie vrouwen enkel waren aangenomen ‘voor de schone schijn’. Uit het onderzoek blijkt overigens ook dat de buren perfect wisten dat er Joodse vrouwen in de villa zaten ondergedoken, maar dat niemand er ook maar aan dacht de zus van Degrelle te verklikken bij de bezetter.

Het verhaal van de familie Cornet toont vooral hoe de oorlog voor de meeste Belgische gezinnen zelden te herleiden was tot de traditionele zwart-wittegenstelling die jarenlang door een niet onbelangrijk deel van de naoorlogse historici werd gepropageerd. De meeste gezinnen probeerden zo goed mogelijk te overleven en balanceerden daarbij meer dan eens op een slappe koord. Het is dan ook jammer dat een gerenommeerd journaliste als Simone Korkus weinig oog lijkt te hebben voor deze soms subtiele nuance en het gezin Cornet bijna ongegeneerd op een voetstuk licht. Het gebrek aan historische kritiek is meteen ook de belangrijkste zwakte van dit overigens unieke document humain. Toch brengt La Servante de Degrelle een authentiek en indringend verhaal dat oude zwart-witbeelden van het noodzakelijke grijs voorziet.

- Bruno Cheyns