Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 3

Recensies

Vergauwen, David, Joseph Ryelandt. Een culturele biografie van een romantisch componist in het fin-de-siècle Brugge (Brussel: ASP, 2020), 459 p.

Willem Erauw

2020 is niet alleen een corona- en een Beethovenjaar, het is ook een jubileumjaar voor de componist Joseph Ryelandt (1870-1965). Is Ryelandt bij insiders nog wel bekend, bij het grote concertpubliek is hij vrijwel vergeten. Joseph Ryelandt wordt dit feestjaar herdacht met een lijvige biografie door musicoloog David Vergauwen. De term culturele biografie is bescheiden uitgedrukt, want het gaat zowel om een cultuurgeschiedenis als een biografie. Ryelandts levensbeschrijving is verweven met een cultuurgeschiedenis van het Vlaamse katholieke muziekleven van midden negentiende tot midden twintigste eeuw, met de stad Brugge in de hoofdrol.

Het negentiende-eeuwse Brugge was een provinciestad die zijn middeleeuwse roem al eeuwenlang had verloren, schrijft Vergauwen in enkele inleidende hoofdstukken. Daarin blijkt ook dat Brugge echter niet zo “morte” was als het stereotype beeld uit de roman “Bruges-la-morte” van Rodenbach. Vergauwen beschrijft in geuren en kleuren Ryelandts opleiding en opgang tot één van de toonaangevende Belgische componisten eind negentiende eeuw. Telg uit een steenrijke familie, zodat Ryelandt nooit om den brode heeft moeten werken of componeren. Doordat hij opgegroeide in een Brugs oer-katholiek Vlaamsgezind milieu is zijn hele werk sterk katholiek geïnspireerd geweest en was hij als Vlaming nog niet vergiftigd met het nefaste nationalisme dat de generatie Vlaamsgezinden na hem in de armen van de antidemocratische Duitse bezettingsregimes van beide oorlogen zou leiden. Ryelandt was nog het type Vlaming dat Vlaanderen als een tweetalige regio zag, met het Frans als cultuur- en bestuurstaal en het Vlaams als volkstaal.

Het boek is het resultaat van een groots project om deze componist in het voetlicht te plaatsen. Vergauwen is vaak kritisch, maar heeft zonder twijfel een grote bewondering voor Ryelandt. De componist was dan ook niet alleen toonaangevend in eigen land, maar genoot internationaal aanzien. Een “romantisch componist”, staat er in de ondertitel. Een titel die vele ladingen dekt. We weten beter wat Ryelandt in elk geval niet was: vooruitstrevend. Waren in Ryelandts hoogdagen Stravinsky of Schönberg hun tijd vooruit, Ryelandt keerde zijn rug naar de toekomst en componeerde verder zoals een halve eeuw terug. Maar dat hoeft geen veroordeling te zijn, verre van. Muziek hoeft niet vernieuwend te zijn om goed of geniaal te zijn. “L’art ne progresse pas, il se transforme”, legt Vergauwen hem in de mond. En hij voegt er fijntjes aan toe : “Hoe vernieuwend was Bach destijds?”

Met de lijvige, goed gedocumenteerde (1454 eindnoten !) en pittig geschreven biografie heeft Vergauwen een meesterwerk afgeleverd en een monument opgetrokken voor Ryelandt. Van zijn prille jeugd tot zijn oude dag wordt het lange leven uit de doeken gedaan, tegen de achtergrond van een eeuw katholiek cultuurleven. Met een dergelijk werk over de componist en zijn oeuvre snak je als lezer uiteraard naar de muziek zelf. Gelukkig genoeg is er op internet heel wat te beluisteren tijdens de lectuur. Want de hamvraag, het Leitmotiv in het hele boek blijft: Hoe moeten we de erfenis van Ryelandt, zijn indrukwekkende oeuvre, binnen de muziekgeschiedenis plaatsen? Vergauwen analyseert vele werken in detail en gaat de invloeden op zijn werken na. Ryelandts grote voorbeelden zijn Duitse romantici zoals Schumann of Brahms, al is Ryelandt vooral in te passen in de Franse laatromantische traditie van d’Indy, Florent Schmitt en César Franck. Ryelandt wordt soms ook gespiegeld aan de Brit Elgar, nog zo’n laatromanticus die meer achteruit dan vooruit keek.

Om den brode moest Ryelandt het niet doen. Soms ontbrak het hem ook aan motivatie om zijn werk te publiceren en moest hij door anderen worden aangepord om zijn werk internationaal op de kaart te laten zetten. Na de vele uren lezen en luisteren is de luisterende lezer helemaal doordrongen van de ingetogen, introverte, vaak sombere, soms mystieke klankwereld van Ryelandt. Alhoewel het woord nergens in de biografie voorkomt, klinkt Ryelandt vaak als een dagdromer. Een kerngedachte in het boek is dat zijn muziek de verklanking van zijn geloof, van zijn katholieke geloofsbeleving is. Hij schreef dan ook veel geestelijke muziek: cantates en oratoria op christelijke, soms Bijbelse thema’s. Maar ook zijn symfonische werk en kamermuziek ademen een soort gedweeë stemming uit, weemoed, vaak op de rand van de melancholie. Het soort boek dat Vergauwen heeft geschreven is te weinig filosofisch om dieper in te gaan op de eeuwenoude relatie tussen religie en muziekbeleving, maar een korte filosofische of esthetische uitstap had wel zijn plaats kunnen hebben in het lijvige werk. Misschien is de auteur zelf te zeer een product van het Vlaamse katholicisme om er afstand van te kunnen nemen. Daar is op zich niets mis mee. Wanneer je niet in het katholieke mentale carcan bent opgegroeid, zoals de auteur van deze recensie, kan je het leven en werk van Ryelandt wat meer relativeren en begin je te beseffen welke componist Ryelandt had kunnen zijn mocht hij geboren zijn in een andere cultuur, in een ander land, in een vrijzinnig of protestants milieu. Zonder het katholieke juk had hij zijn vleugels wellicht nog meer kunnen openslaan, had zijn muziek wellicht minder de stempel van de sombere domper gehad.

Vergauwen heeft een meesterlijke, maar ook heel traditionele biografie geschreven. Daarmee brengt hij wellicht nog de grootste eer aan Ryelandt, die zelf een magistraal en tegelijkertijd heel traditioneel oeuvre bij elkaar componeerde. De biograaf is helemaal in de huid van zijn protagonist gekropen, soms is hij ook even ironisch als Ryelandt. In zijn voorwoord schrijft David Vergauwen dat hij hoopt dat zijn biografie ooit hopeloos achterhaald zal zijn. Daar zullen, vrees ik, nog talloze jaren en Heilig Bloedprocessies overheen gaan. Tussen de ernst en diepgang van zijn oeuvre laat Vergauwen gelukkig genoeg ook de grappende Ryelandt aan het woord. Op zijn sterfbed, begin mei 1965, na een leven tussen wijwater, Heilig Bloed en muzieknoten, beseft hij welk een gevierde Bruggeling hij is en knipoogt naar zijn dochter met de boodschap: “Soyez tranquille, je ne mourrai pas le jour du Saint Sang. Cela donnerait de l’embarras à tout le monde”.

- Willem Erauw