Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 4

Review

“Met vereende krachten”: een Antwerpse universiteitsgeschiedenis (1954-2003)

Alexia Coussement, Universiteit Antwerpen, Alexia.Coussement@uantwerpen.be

Door de getroffen maatregelen tegen het coronavirus bleven de voorbije maanden heel wat universiteitsstudenten weg uit Antwerpen. Hun afwezigheid kan doen terugdenken aan een relatief recent verleden, toen de Scheldestad nog niet beschikte over een universiteit. Tijdens de jaren 1950 huisvestte Antwerpen verschillende instellingen voor hoger onderwijs, waaronder drie handelshogescholen, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, het Universitair Instituut voor de Overzeese Gebieden, de Hogere Zeevaartschool. Toch pleitten vanaf 1954 almaar meer Antwerpenaren voor de officiële inrichting van een universiteit in hun stad. Dit betekende het begin van een lange politieke strijd, die op bepaalde momenten zelfs dreigde te ontaarden in een derde schooloorlog. Het pleidooi voor een Antwerpse universiteit kaderde binnen een breder nationaal debat over de hervorming en uitbreiding van het universitaire landschap dat vooral na 1961 sterk oplaaide.

Na jaren van parlementaire discussies, straatprotesten, vurige redevoeringen en polemieken deed de wet op de Universitaire Expansie van 9 april 1965 de gemoederen enigszins bedaren. Om tot een consensus te komen bij zowel de katholieken als bij de vrijzinnigen, hield het besluit krampachtig vast aan het ideologische evenwicht. In Antwerpen creëerde dit een bijzondere situatie. In plaats van één volledige universiteit te stichten, verkregen twee bestaande handelshogescholen een universitair statuut. Voortaan vormden ze het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (RUCA) en de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA). Ze organiseerden verschillende kandidatuursopleidingen, maar boden beiden de gehele opleiding Toegepaste Economische Wetenschappen aan. Er bestond geen eensgezindheid of deze constructie contraproductief of net verrijkend zou werken.

Hoewel de expansiewet erkend universitair onderwijs in de stad mogelijk maakte, waren het RUCA en de UFSIA in werkelijkheid twee beperkte universitaire instellingen die naast elkaar leefden. De uitbreiding van de wet volgde in 1971 en stichtte nog de pluralistische Universitaire Instelling Antwerpen (UIA). Zij stond in voor de licentiaten en doctoraten. Samen vormden het RUCA, de UFSIA en de UIA een conglomeraat van autonome instellingen met verschillende levensbeschouwelijke achtergronden en inrichtende machten.1 Over een termijn van dertig jaar werkten deze instanties geleidelijk aan nauwer samen. Na een langdurig onderhandelingsproces fuseerden ze in 2003 tot de Universiteit Antwerpen.

De Antwerpse universiteitsgeschiedenis vormt een unieke casus die tot nu toe onderbelicht bleef binnen de historiografie. Dit reviewartikel gaat hier dieper op in door eerst de voornaamste ontwikkelingen van universiteitsgeschiedenis als discipline te benoemen en vervolgens te wijzen op haar ontplooiingskansen in België. Ten slotte kadert het artikel de studie van de Antwerpse casus binnen dit onderzoeksveld.

Toelichting maquette tijdens opening campus UIA op 3 juli 1972, van links naar rechts: Etienne Dhanis (rector UFSIA), Louis Major (minister van Arbeid en Tewerkstelling), Andries Kinsbergen (gouverneur Antwerpen), Gaston Eyskens (premier), Willy Claes (minister van Nationale Opvoeding), Jos De Saeger (minister van Openbare Werken) (UArchief, Archief van Andries Kinsbergen, 106).

Universiteitsgeschiedenis is een genre dat even oud is als de universiteit zelf. Het duurde echter tot ver in de twintigste eeuw vooraleer het zich ontwikkelde van een hobby of gelegenheidsopdracht tot een opzichzelfstaande historische discipline. Vóór de jaren 1970 draaide universiteitsgeschiedenis in de meeste gevallen rond de ontstaansgeschiedenis of de academische prestaties van de eigen instelling, en dit vanuit een intellectueel of politiek perspectief. Daarnaast lag de focus doorgaans op de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. De discipline transformeerde enerzijds onder impuls van Anglo-Amerikaanse historici als Richard Kagan, Lawrence Stone en Fritz Ringer. Anderzijds speelde de Annales-school, onder meer geïnspireerd door de cultuursociologie van Pierre Bourdieu, een voorname rol. Deze historici uitten kritiek op de achterhaalde insteek van universiteitsgeschiedenis en pleitten in de plaats voor een sociologische, antropologische en culturele heroriëntatie, met een grotere aandacht voor de meer recente periodes. De vernieuwingsdynamiek verspreidde zich. In België profileerde historica Hilde De Ridder-Symoens zich als pionier met haar artikel ‘Universiteitsgeschiedenis als bron voor sociale geschiedenis’ (1978).2 De Nederlandse universiteitshistoricus Willem Frijhoff, die bovendien zelf een belangrijke rol speelde in de transformatie van de discipline, stelde hoe de ‘nieuwe universiteitsgeschiedenis’ uiteindelijk rond 1980 werd geboren. Deze kenmerkte zich niet enkel door een paradigmatische omslag, maar ook door een doorgedreven professionalisering. Zo kwamen er gespecialiseerde verenigingen, journals, onderzoeksgroepen en leerstoelen die zich specifiek toelegden op universiteitsgeschiedenis.3

UFSIA, Campus Rodestraat 14 ingehuldigd in 1974, foto circa 1980 (UArchief, Fotoarchief UFSIA, 1220).

Het aantal publicaties in de geest van deze georganiseerde universiteitsgeschiedenis nam gestaag toe. Het bekendste voorbeeld is wellicht het onderzoeksproject dat de CRE (Standing Conference of Rectors, Presidents and Vice-Chancellors of the European Universities) in 1980 opstartte. De initiatiefnemers wilden inzetten op een interdisciplinair, comparatief onderzoek naar de geschiedenis van het Europese universitaire landschap, waarin de band met de samenleving centraal moest staan. Het ambitieuze project, waaraan tientallen gerenommeerde historici meewerkten, resulteerde in de vierdelige reeks A history of the University in Europe (1992-2011). De Ridder-Symoens verzorgde de redactie van de eerste twee volumes.4. Een ander voorbeeld is de ondertussen vijftiendelige reeks Universiteit & Samenleving (2006-2020), samengesteld onder leiding van de Nederlandse universiteitshistorici Leen Dorsman en Peter Jan Knegtmans. Deze congresbundels belichten uiteenlopende aspecten binnen de contemporaine universiteitsgeschiedenis, gaande van de internationalisering van het universiteitsbedrijf, tot de band met de politiek en de rol van studenten in de Nederlandse samenleving.5

In 2017 wijdde Contemporanea haar eerste themanummer aan universiteitsgeschiedenis. Hiervoor schreef Pieter Dhondt het artikel ‘Belgische universiteitsgeschiedenis vanuit internationaal perspectief’. Daarin kaartte hij aan hoe België op vlak van universiteitsgeschiedenis sterk achterophinkte ten opzichte van Nederland. Dit kan tot op vandaag niet ontkend worden. Frijhoff verklaarde de afwezigheid van een nationale Belgische universiteitsgeschiedenis bijvoorbeeld door de verdeeldheid van het universiteitslandschap, waarbij er amper een band bestaat tussen de Nederlandstalige en Franstalige instellingen. Het aantal historische studies dat zich op meer dan één universiteit richt, is bijzonder beperkt.6 Daarnaast blijft de tweede helft van de twintigste eeuw in grote mate een braakliggend terrein. De snelle veranderingen en de toenemende complexiteit van het universiteitswezen tijdens deze periode, vormen hierbij een mogelijke oorzaak. Jeffrey Tyssens en Kenneth Bertrams behoren tot de weinige historici die zich toelegden op dergelijke contemporaine, nationale geschiedschrijving. Tyssens publiceerde artikels als ‘De democratisering van het onderwijs: Perspectieven van de naoorlogse ontwikkeling’ (1994) of ‘Het Belgische universitair systeem, 1817-1991: Configuraties van bevoogding en autonomie’ (2000). Bertrams onderzocht onder meer de wisselwerking tussen wetenschap, industrie en de staat in Universités et Entreprises, 1880-1970 (2006).7

RUCA, Hoofdgebouw CMI – Gebouw A, 1979 (UArchief, Fotoarchief UFSIA, 1520).

Het onderzoek naar de meer recente ontwikkelingen van het Belgische universiteitswezen, vormde de voorbije decennia eerder het werkveld van sociologen, politicologen en rechtskundigen. Hun bevindingen kunnen een bijdrage vormen tot het historisch onderzoek. Zo bestudeerde Jan De Groof als jurist de wisselende verhouding tussen autonomie en centralisatie binnen het Vlaamse hoger onderwijs. Onderwijssociologen Kurt De Wit en Jef Verhoeven onderzochten dan weer de toenemende deelname van externe stakeholders aan het interne universiteitsbeleid of de evolutie van de Vlaamse studentenpopulatie.8 Dit is slechts een kleine greep uit de omvangrijke hoeveelheid aan interdisciplinaire literatuur over dit thema.

Dhondt gaf in 2017 terecht aan dat er op het vlak van Belgische universiteitsgeschiedenis zeker nog ruimte is voor expansie. Er bestaat bijvoorbeeld nog geen synthesewerk over het Belgische of Vlaamse universiteitswezen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw. Wel verschenen er de voorbije jaren enkele gedegen universiteitshistorische studies over individuele instellingen. Jo Tollebeek en Liesbet Nys onderzochten de geschiedenis van de Leuvense universiteit sinds 1968 in De stad op de berg (2005). Daarna belichtte Saartje Vanden Borre in Toga’s voor ’t Hoge (2015) het verleden van de campus KULAK in Kortrijk. Vervolgens kwam het Leuvense onderzoekssbeleid aan bod in De kracht van wetenschap (2018) door Liesbet Nys en de historie van de academische ziekenhuizen in Zorg en wetenschap (2019) door Joris Vandendriessche.9 Gita Deneckere behandelde de Gentse universiteitsgeschiedenis in Uit de Ivoren Toren (2017). Daarnaast richtte de universiteit het digitale platform UGentMemorie op om het institutionele geheugen toegankelijk te maken voor het brede publiek. Het is opvallend hoe enkel de twee oudste Nederlandstalige instellingen actief publiceren over het eigen, nabije verleden. Zo blies de Vrije Universiteit Brussel vorig jaar vijftig kaarsjes uit, maar met uitzondering van een publieksboek over de Oudstentenbond VUB, verscheen er verder geen studie over haar wordingsgeschiedenis.10 Recent onderzoek naar de stichting en uitbouw van de universiteit van Hasselt en Antwerpen is tot heden eveneens afwezig. Ik wil hieraan tegemoetkomen.

Opening campus UIA met op de voorgrond Willy Claes als ministers van Nationale Opvoeding, 3 juli 1972 (UArchief, Archief van Andries Kinsbergen, 106).

Naast de puzzel van de nationale universiteitsgeschiedenis verder te vervolledigen, bevat de Antwerpse casus heel wat onderzoekspotentieel. Eerdere publicaties leken door hun ‘interne’ blik en descriptief karakter min of meer blind te zijn voor het grotere plaatje en de bevindingen die daaruit konden voortvloeien.11 Om deze lacune op te vullen, beantwoordt mijn onderzoek volgende vragen: Hoe positioneerde Antwerpen zich binnen het politieke debat over de universitaire expansie? Welke dynamieken leefden er tussen de drie universitaire instellingen en hoe beïnvloedden die de onderlinge samenwerking? In welke mate stuurden externe processen als verzuiling en ontzuiling, democratisering, neoliberalisme of europeanisering de ontwikkeling van dit unieke amalgaam? Door daarbij na te gaan in hoeverre de Antwerpse instellingen de tendensen volgden die zich in grote delen van West-Europa simultaan voltrokken, krijgt deze studie ook een internationale dimensie. Dit onderzoek wil enerzijds bijdragen tot het onderzoeksveld van de contemporaine universiteitsgeschiedenis en anderzijds tot de geschiedschrijving over Antwerpen en de Belgische onderwijspolitiek.

Cartoon eenmaking Universiteit Antwerpen: De confederale Universiteit Antwerpen werd in december 1996 opgericht. Zij had rechtspersoonlijkheid en nam bij wijze van spreken de vierde stoel aan de tafel in, 1998 (UArchief, Fotoarchief RUCA, 12787).

Daarnaast kan de studie een verder nut hebben voor de Universiteit Antwerpen zelf, en dit niet enkel binnen het kader van een aankomend jubileum. De Zwitserse socioloog en filoloog Walter Rüegg, die onder meer verantwoordelijk was voor de reeks A History of the University in Europe, schetste een interessante analogie. Hij stelde dat een machine enkel maar gerepareerd en bruikbaar kan worden wanneer de betekenis van de onderdelen en hun onderlinge afhankelijkheid gekend zijn. Op dezelfde manier moet de universiteit als een erg complexe, sociale instelling van tijd tot tijd worden onderworpen aan een fundamentele analyse van haar structuren en functies die zich in de loop van haar geschiedenis hebben ontwikkeld. De kennis hierover is onmisbaar om haar eigen opdracht beter te begrijpen en reëel te verbeteren.12

- Alexia Coussement

Webreferenties

  1. Alexia.Coussement@uantwerpen.be: mailto:alexia.coussement@uantwerpen.be
  2. UGentMemorie: https://www.ugentmemorie.be/

Referenties

  1. Tyssens, Jeffrey, ‘Het Belgische universitair systeem, 1817-1991: configuaraties van bevoogding en autonomie’, Persoon en Gemeeschap, 53:6 (2000): 167.
  2. De Ridder-Symoens, Hilde, ‘Universiteitsgeschiedenis als bron voor sociale geschiedenis’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 10 (1978): 74-98; Frijhoff, Willem, ‘University History in the Low Countries’, CIAN-Revista de Historia de las Universidades, 20:1 (2017): 87.
  3. Dhondt, Pieter, ‘Belgische universiteitsgeschiedenis vanuit een internationaal perspectief’, Contemporanea, 39:3 (2017).
  4. Barblan, Andris, ‘Epilogue: from the university in Europe tot he universities of Europe’, in: Rüegg, W. (ed.), A History of the University in Europe, Volume IV: Universities since 1945 (New York: Cambridge University Press, 2011), 550-552.
  5. Frijhoff, Willem, ‘Honderd jaar universiteitsgeschiedenis in Nederland’, Studium, 6:3/4 (2013): 202.
  6. Frijhoff, Willem, ‘University History in the Low Countries’, CIAN-Revista de Historia de las Universidades, 20:1 (2017): 95.
  7. Tyssens, Jeffrey, ‘De democratisering van het onderwijs. Perspectieven van de naoorlogse ontwikkeling’, Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 56 (1994): 219-243; Tyssens, Jeffrey, ‘Het Belgisch universitair systeem, 1817-1991: configuraties van bevoogding en autonomie’, Persoon en Gemeenschap, 53:6 (2000): 155-168; Bertrams, Kenneth, Universités et Entreprises. Milieux académiques et industriels en Belgique, 1880-1970 (Brussel: Le Cri, 2006).
  8. De Groof, Jan, ‘Verzelfstandiging: autonomie versus “centralisatie” in het hoger onderwijs van de Vlaamse gemeenschap?’, in: De Groof, J. & Van Loon, F. (red.), Optimalisering van beleidsbeslissingen in het hoger onderwijs (Antwerpen: Kluwer Rechtswetenschappen België, 1998): 3-34; De Wit, Kurt & Verhoeven, Jef, ‘Stakeholders in Universities and Colleges in Flanders’, European Journal of Education, 35:4 (2000), 421-437; Verhoeven, Jef & De Wit, Kurt, ‘Vlaamse studenten becijferd’, Delta, 5:19 (2008): 25-32.
  9. Tollebeek, Jo & Nys, Liesbet, De stad op de berg. Een geschiedenis van de Leuvense universiteit 1968-2005 (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2005); Vanden Borre, Saartje, Toga’s voor ’t hoge (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2015); Nys, Liesbet, De kracht van wetenschap. Een geschiedenis van het onderzoeksbeleid aan de KU Leuven (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2018); Vandendriessche, Joris, Zorg en wetenschap. Een geschiedenis van de Leuvense academische ziekenhuizen in de twintigste eeuw (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2019).
  10. Deneckere, Gita, Uit de ivoren toren: 200 jaar Universiteit Gent (Gent: Tijdsbeeld & Pièce Montée, 2017); Danniau, Fien, Mantels, Ruben & Verbruggen, Christophe, ‘Towards a Renewed University History: UGentMemorie and the Merits of Public History, Academic Heritage and Digital History in Commemorating the University’, Studium, 5:3 (2012): 179-192; s.n., De Oudstudentenbond VUB. 50 jaar op eigen benen (Brussel, 2019).
  11. De voornaamste publicaties die eerder verschenen over de geschiedenis van de voorlopers van de Universiteit Antwerpen zijn: Lenders, Piet, Ontstaan en groei van de universiteit van Antwerpen (Leuven: Garant, 1991); Van Beeck, Robert et al., Bouwen aan de Universiteit Antwerpen. 30 jaar RUCA 1965-1995 (Antwerpen: EPO, 1997); Mortelmans, Koen, Raeymaekers, Peter & Ruyters, Marc, 150 jaar RUCA, anderhalve eeuw groeien (Deurne: Wilda, 2002).
  12. Rüegg, Walter, ‘Foreword’, in: De Ridder-Symoens, Hilde (ed.), Volume I: Universities in the Middle Ages (New York: Cambridge University Press, 1992): xxvii; Dorsman, Leen, ‘Een kwart eeuw universiteitsgeschiedenis in Nederland’, Nieuwsbrief Universiteitsgeschiedenis, 13/°2 (2007): 45.