Contemporanea
Jaargang XLIII Jaar 2021 Nummer 1

Recensies

Verdoodt, Frans-Jos, Daens (Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2020), 256 p.

Luc De Munck, KU Leuven

Toen ik in 1983 mijn licentiaatsverhandeling communicatiewetenschappen afrondde over de overgang van het daensistische weekblad De Werkman naar het Vlaams-nationale concentratieweekblad Strijd tijdens het interbellum, was dat een van de talrijke scripties die in de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig aan de universiteiten van Leuven en Gent werden gewijd aan deelaspecten van de daensistische beweging. Ook de driejaarlijkse Priester Daensprijs, die de beste Vlaamse scriptie over het onderwerp bekroonde, kreeg telkens meerdere inzendingen. In de nasleep van de magistrale historische roman Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht van Louis-Paul Boon uit 1971, en gestimuleerd door het Daensmuseum en Archief van de Vlaamse sociale strijd in Aalst en zijn dynamische conservator Reinoud D’Haese, kon de beweging van priester Adolf Daens en zijn broer-journalist Pieter in die periode rekenen op ruime belangstelling vanwege historische vorsers. Een ervan was Frans-Jos Verdoodt, die in 1979 aan de universiteit van Gent zijn lijvige licentiaatsverhandeling (526 pagina’s!) schreef over Hector Planquaert, een van de wegbereiders van de beweging. In 1988 wijdde Verdoodt zijn doctoraal proefschrift aan de verhouding tussen het kerkelijke gezag en de Aalsterse priester-politicus. Onder de titel De zaak Daens. Een priester tussen Kerk en christen-democratie werd dit doctoraat in 1993 gepubliceerd door het Davidsfonds. Het was overigens niet toevallig dat het boek verscheen net na de veelgeprezen film van Stijn Coninx, met Jan Decleir in de rol van priester Daens.

Sindsdien is de belangstelling vanuit historisch-wetenschappelijke hoek voor de daensistische beweging bijna volledig stilgevallen. In journalistieke artikels worden nog wel sporadisch parallellen gemaakt met de strijd van Daens tegen het sociaal onrecht op het einde van de negentiende eeuw, en in 2008 zorgde Daens de musical voor hernieuwde belangstelling. Een artikel van film- en mediawetenschapper Gertjan Willems in Wetenschappelijke Tijdingen in 2019 stelde zelfs dat de ‘Daensmythe’ nog lang zal aanwezig zijn in het Vlaamse cultureel geheugen. Maar vernieuwende studies - zoals eerder van Karel Van Isacker (Het Daensisme: de teleurgang van een onafhankelijke, christelijke arbeidsbeweging in Vlaanderen 1893-1914, 1959) en Lode Wils (Het daensisme: de opstand van het Zuidvlaamse platteland, 1969) - bleven na het doctoraatsonderzoek van Frans-Jos Verdoodt uit.

Het is dan ook een uitstekend idee dat de jonge Nederlands-Belgische uitgeverij Sterck & De Vreese het initiatief heeft genomen om het boek van Verdoodt opnieuw uit te geven. Een dergelijke heruitgave laat immers toe om een nieuw publiek kennis te laten met belangrijke historische bronnen, die nog enkel via bibliotheken of antiquariaten toegankelijk zijn. De recente geactualiseerde heruitgave van Onvoltooid verleden, het baanbrekende werk van Luc Huyse en Steven Dhondt uit 1991 over de naoorlogse collaboratie en repressie; is daar een mooi voorbeeld van. Maar in dat geval is het wel belangrijk dat de lezer duidelijk wordt gemaakt dat het gaat over een reprint van een eerdere basisstudie, en dat deze contextueel wordt geduid en aangevuld.

Op dat vlak schort er jammer genoeg wel wat bij de voorliggende heruitgave. Om te beginnen is er de titel. Daens schept bij de lezer de verwachting dat het gaat over een biografie van de Aalsterse priester. Maar dat is niet het geval: het gaat hier over het verhaal van de strijd van eenling Daens tegen de machtige katholieke kerk, vanaf het moment dat hij in 1893 het politieke terrein betrad (enkel pagina’s 36-37 geven biografische informatie over de voorafgaande periode). Door het weglaten van de veel duidelijker titel en ondertitel van de oorspronkelijke uitgave heeft de lezer daar het raden naar. Dit zou echter perfect kunnen opgevangen worden door in een geactualiseerde inleiding de historische context mee te geven, eventueel aangevuld met historische feiten die in de voorbije dertig jaar aan het licht zijn gekomen.

In de oorspronkelijke uitgave uit 1993 schetste de inleiding duidelijk het historische kader en het begrippenkader. In de huidige uitgave wordt deze inleiding vervangen door een nieuwe tekst (p. 7-12), waarin (te) kort de geschiedenis van Daens wordt toegelicht, zonder verwijzing naar het opzet van het proefschrift en met een zeer summiere actualisering. Enkel uit voetnoot 1 bij de inleiding (die overigens in de tekst ontbreekt), opgenomen op de laatste pagina van het boek, kan de aandachtige lezer achterhalen dat het hier gaat over een ongewijzigde uitgave van het boek uit 1993.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier over een zeer gedegen studie, die op uitstekende wijze de aanhoudende spanningen tussen priester Daens en de kerkelijke overheid schetst. Die spanningen ontstonden wanneer Daens in april 1893 toetrad tot de beweging van de christendemocraten. Ze eindigden pas in 1907, wanneer hij door de Gentse bisschop Antoon Stillemans feitelijk gedwongen werd om in een brief het verlangen uit te drukken om een ‘gehoorzaam en trouw priester’ te zijn. In de tussenliggende tweehonderd pagina’s borstelt de auteur een gedetailleerd en weinig verheffend portret van het gevecht van Daens met de kerkelijke overheid, die de benaming ‘dissidente christendemocratie’ kort na de verkiezing van Daens in 1894 in het leven riep. Vier dagen na zijn verkiezing kreeg hij van zijn bisschop al het verbod opgelegd om de mis te lezen in het openbaar, omdat hij ‘schandaal verwekte’ door zijn aanwezigheid op ‘rumoerige en onwelvoeglijke bijeenkomsten’ (p. 64). Deze maatregel zou nooit meer opgeheven worden. Een jaar later kwam er vanuit Rome een monitum: een schriftelijke waarschuwing die Daens in strenge bewoordingen terechtwees omwille van zijn politieke actie, en hem vroeg om alles te vermijden ‘wat de tweedracht onder de katholieken kan veroorzaken’ (p. 122). Deze Vaticaanse ingreep zou beslissend zijn voor de oriëntering van de christendemocratie in België, die steeds minder bewegingsruimte kreeg van de kerkelijke overheid. Vijf jaar later leidde dit tot het ultieme verdict: de degradatie van priester Daens, nadat hij voor de gemeenteraadsverkiezingen in Aalst aangeduid was als kopman van een kartellijst met socialisten en liberalen. Het was de definitieve start van het kaltstellen van Daens, ook al werd hij in 1902 nog herverkozen als parlementslid. Uiteindelijk aanvaardde hij enkele maanden voor zijn overlijden op 14 juni 1907 een onderwerpingsformule, waardoor hij de laatste sacramenten kon ontvangen en zijn begrafenis werd ontdaan van elke politieke betekenis.

Frans-Jos Verdoodt - niet alleen medestichter en jarenlang directeur van het ADVN, maar ook al meer dan veertig jaar dé expert inzake de studie van de daensistische beweging – heeft voor zijn proefschrift zeer uitvoerig archiefonderzoek verricht, en weet de resultaten daarvan op een boeiende en gestructureerde manier te beschrijven. Bijna dertig jaar na de oorspronkelijke publicatie blijft het een referentiewerk. Deze heruitgave is dan ook een aanrader voor al wie geïnteresseerd in de figuur van Daens, die vandaag nog steeds diepe emoties oproept, en meer in het algemeen voor onderzoekers van de Belgische sociale en religieuze geschiedenis op het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.

- Luc De Munck