Contemporanea
Jaargang XLIII Jaar 2021 Nummer 1

Recensies

Truyens, Jasper, Antwerpen 1920. Verhalen van de VIIe Olympiade (Leuven: Davidsfonds, 2020), 174 p.

Stijn Knuts

Er rust een vloek op de Olympische Spelen van Antwerpen. Toen die in 1920 plaatsvonden, gebeurde dat in een wereld die herstellende was van de Eerste Wereldoorlog. De enige Spelen die België ooit organiseerde, waren daardoor beperkt in hun potentieel en internationale reikwijdte. Voor de olympische beweging betekenden ze nochtans een heropleving. Zowel de olympische vlag als de olympische eed verschenen voor het eerst ten tonele in Antwerpen.

Een eeuw later gooide corona roet in het eten bij de herdenking van diezelfde Spelen. Heel wat evenementen die de Antwerpse olympiade opnieuw voor het voetlicht moesten brengen, konden niet of slechts beperkt plaatsvinden. Gelukkig heeft een boek zich niet aan lockdowns en social distancing te houden. Met zijn Antwerpen 1920. Verhalen van de VIIe Olympiade wil sportsocioloog Jasper Truyens de enigszins vergeten Spelen van 1920 in ere herstellen. Er is immers nog maar weinig historische aandacht geweest voor dat betekenisvolle internationale sportevenement. Een uitzondering daarop is De herboren Spelen (1995) van pionierend sporthistoricus Roland Renson. Truyens werpt hem in zijn inleiding terecht een bloemetje toe.

Zowel de titel, de vormgeving als de inhoudelijke opbouw van Antwerpen 1920 maken duidelijk dat het om een publieksboek gaat, dat een brede waaier aan historisch en/of sportief geïnteresseerde lezers moet informeren en entertainen. In 25 korte hoofdstukken behandelt Truyens de voorgeschiedenis, de organisatie en het verloop van de Spelen. Van toekenning, over atletenhuisvesting, tot – uiteraard – het verloop en de winnaars en verliezers van de verschillende sportdisciplines. Hij besteedt daarbij vooral veel aandacht aan de organisatorische en financiële aspecten van de Spelen, van de initiële Antwerpse kandidaatstelling voor de Eerste Wereldoorlog, over de naoorlogse toekenning en rush om alles tijdig klaar te krijgen, tot de financiële naweeën.

Dat alles leest jammer genoeg niet altijd even aangenaam. Of het nu gaat om de verrichtingen van het organiserende Comité Executif of om het verloop van de olympische voetbal- en wielercompetities, de auteur hanteert een heel beschrijvende, opsommende stijl. Feitje wordt op feitje gestapeld, detail op detail. Daarbij blijft hij angstvallig dicht bij zijn bronnen – vooral administratieve documenten, rapporten en de schaarse sporthistorische studies waarin de Antwerpse Spelen een rol kregen. Dat toont zich in het soms rechtstreeks overnemen van brontaal en in de ellenlange citaten die het boek doorspekken, vaak zonder veel toe te voegen.

Bovendien kampt het boek met een gebrek aan diversiteit. Het overheersende perspectief is dat van de bobo’s van de Belgische en internationale olympische beweging. Journalisten, toeschouwers, zelfs atleten; ze komen allemaal weinig in het stuk voor. Het blijft vooral bij korte, feitelijke atletenbiografietjes. Dat is op zich een legitieme keuze, maar is wel vreemd voor een boek over een sportevenement zoals de olympische Spelen. Door gebruik te maken van de vele digitale, gratis toegankelijke persdatabanken in de Verenigde Staten en in verschillende Europese landen, had de auteur relatief makkelijk meer verscheiden stemmen kunnen laten horen.

Door dat niet te doen, liet Truyens vooral een schat aan materiaal liggen dat zijn boek meer spankracht en reikwijdte had kunnen geven. Om maar een voorbeeld te noemen: de figuur van de Amerikaans-Hawaïaanse zwemmer Duke Kahanamoku, gouden medaillewinnaar en een van de katalysatoren van de moderne surfcultuur, bood mogelijkheden om het over kwesties zoals sport en ras te hebben. Maar in het boek wordt Kahanamoku slechts tweemaal terloops vermeld, waarvan een keer dan nog fout geschreven (p. 121).

Storender is het grote gebrek aan historische duiding in het boek. Wie nieuwsgierig is naar de bredere sociale, politieke of zelfs sportieve context waarin de Spelen plaatsvonden, is eraan voor de moeite. Zo is er nauwelijks toelichting aanwezig bij sleutelbegrippen van de vroeg-twintigste-eeuwse sportcultuur. Dat een amateur geen geld verdient met zijn sport en een prof wel, is een onderscheid dat de meeste lezers zelf wel kunnen maken. Maar waarom had die tweedeling zo’n symbolisch belang voor de olympische beweging? In Antwerpen 1920 kom je het niet te weten, hoewel Truyens het regelmatig over profs en amateurs heeft. Evenmin krijgt de lezer iets mee over het belangrijke onderscheid tussen sport, turnen en gymnastiek, over de uitsluiting van Duitsland en haar voormalige bondgenoten van deelname, of over de schaduw die de Groote Oorlog over het evenement wierp. Een korte duiding daarvan zou het verhaal nochtans veel begrijpelijker maken.

Waar Truyens wel een poging tot duiding doet, is die niet altijd even accuraat. Zo schrijft hij dat ‘enkel de aristocratie had de tijd en de middelen om zich met het bestuur en de organisatie van sport in te laten’ (p. 61). Dat aristocraten een aanzienlijke rol speelden in de 19de-eeuwse sport, klopt. Maar sportbestuurders en atleten zoals een Alfred Verdyck of een Victor Boin, die Truyens gemakshalve ook onder die aristocratische noemer vat, kwamen uit de burgerij.

Er zijn lichtpunten, zoals een amusante geschiedenis van de olympische vlag, een beschrijving van het bijzondere Bergvall-competitiesysteem dat de Spelen hanteerden of het hoofdstuk over vrouwelijke olympiërs. En wie details wil over de organisatorische aspecten van de Spelen, vindt zeker zijn of haar gading in dit boek. De frisse vormgeving, de vele foto’s en de aantrekkelijke infographics doen het bovendien mooi ogen. Maar als geheel is Antwerpen 1920 te opsommend en vooral te beperkt in zijn historische kadering. Dit boek over de enige Olympische Spelen op Belgische bodem had meer in zijn mars kunnen hebben.

- Stijn Knuts