Contemporanea
Jaargang XLIII Jaar 2021 Nummer 1

Recensies

Di Spurio, Laura, Du côté des jeunes filles. Discours, (contre-)modèles et histoires de l’adolescence féminine (Belgique, 1919-1965) (Brussel: Éditions de l’Université de Bruxelles, 2019), 298 p.

Laura Nys, laura.nys.hufs@gmail.com

In Du côté des jeunes filles. Discours, (contre-)modèles et histoires de l’adolescence féminine (Belgique, 1919-1965) onderzoekt Laura Di Spurio hoe vrouwelijke adolescentie zich ontwikkelt als een wetenschappelijk, cultureel en sociaal concept in België van de vroege twintigste eeuw tot de vroege jaren zestig. De vier delen van het boek behandelen elk een ander domein: kennis, educatie, vrije tijd en een schets van sociale portretten die de diversiteit onder adolescente meisjes weergeeft. De spanning tussen het discours van experten en beleidsmakers – in wiens ogen vrouwelijke adolescentie een riskante periode was die een strakke regulering vereiste – en de sociale praktijken van de meisjes zelf, loopt als rode draad doorheen het narratief. Het boek komt voort uit Di Spurio’s doctoraal proefschrift en is uitgegeven in de interdisciplinaire reeks ‘Genre(s)s & Sexualité(s)’. Du côté des jeunes filles is een belangrijke toevoeging aan de sociale en culturele gendergeschiedenis van België, in het bijzonder inzake wetenschap, educatie en arbeid.

De idee van adolescentie als een turbulente overgangsperiode is toe te schrijven aan de Amerikaanse psycholoog Stanley Hall, die in 1904 zijn monumentale Adolescence publiceerde. Hij zette adolescentie hiermee op de kaart als kennisobject in de psychologie. Maar, ‘plus qu’une psychologie de l’adolescence, c’est une « boyology » que propose Hall en 1904’, schrijft Di Spurio (p. 23). Wat wordt voorgesteld als een algemene studie van adolescentie, is in feite de adolescentie van witte middenklasse jongens. In het eerste deel van haar boek zoomt Di Spurio in op de wetenschappelijke kennisproductie over vrouwelijke adolescentie. Onderzoek naar meisjes kwam tergend traag op gang, te wijten aan een gebrek aan interesse en methodologische perikelen. De idee van adolescentie als een ‘crisisperiode’ verleende moralisten een wetenschappelijke onderbouwing in hun oproep tot een omkadering van adolescentes (p. 37 e.v.).

Die omkadering staat centraal in deel twee, waarbij enerzijds wordt gefocust op onderwijs en anderzijds op de katholieke actie ter bescherming van werkende jonge vrouwen. Het interbellum getuigde van een langzame intrede van meisjes in het onderwijs, zolang het onderricht geen bedreiging vormde voor hun rol als toekomstige echtgenote en moeder. Precies die spanning zorgde voor debat onder vrouwelijke sociale hervormers, waarbij bijvoorbeeld feministe Louise De Craene-Van Duuren en de katholieke Jeanne Cappe lijnrecht tegenover elkaar stonden in hun opvattingen over het belang van huishoudelijk onderricht (p. 78). Het zou gemakkelijk zijn om deze hoofdstukken te beperken tot de thematieken die de hervormers zelf aankaartten – onderwijs, het fabrieksleven –, maar Di Spurio kijkt ook naar adolescentes die onder de radar bleven. Ze diept veelzeggende cijfers op over onderbelichte groepen; bijvoorbeeld het gegeven dat aan het begin van de jaren zestig de helft van alle vrouwen tussen de veertien en twintig jaar niet naar school gingen (p. 97). Het deel verschaft hiermee een mooie balans tussen beleidsdiscussies en sociale geschiedenis.

Via discussies over de vermeende gevaren van de cinema en dansclubs toont Di Spurio vervolgens hoe de regulering van de vrije tijd alsmaar strakker verliep. Sociale groepen die in het interbellum nog niet geviseerd werden – inwoners van rurale regio’s en burgerlijke families – kwamen in de jaren vijftig alsnog in het vizier. Klasse bleef evenwel van belang. Zo werd de strenge regulering van dansclubs bekritiseerd door ouders uit de arbeidersklasse, wiens kinderen weinig andere opties hadden om uit te gaan. Meisjes uit burgerlijke middens, wiens ouders over een ruim huis beschikten, hadden daarentegen wel een alternatief: ‘les surprises-parties’ (p. 155) – een nieuw fenomeen in de jaren vijftig. Deze nieuwe uitingen van jongerencultuur zijn bijzonder interessant maar krijgen in de analyse niet altijd evenveel aandacht als de regulering ervan.

Deel vier wijkt enigszins af van de voorgaande delen. Het is veel langer en de klemtoon ligt, in tegenstelling tot voorgaande, meer op de jongeren zelf. Via allerhande bronnen – uitgegeven dagboeken, sociale rapporten en films – biedt Di Spurio een inkijkje in uiteenlopende facetten van de levens van adolescente meisjes. Met name de menstruatie, de daarbijhorende schaamte en de opkomst van lingerie voor meisjes in de jaren zestig (p. 198) zijn interessant op vlak van lichamelijkheid, terwijl de verrassend lage deelname van fabrieksarbeidsters aan syndicale acties (p. 177 e.v.) iets zegt over hun arbeidsleven. De opname van rurale gebieden in de analyse is een meerwaarde doorheen het hele boek, maar komt vooral in deel vier tot zijn recht, met name in hoofdstuk vijf. De beschrijving van de dorpsfeesten, die als minder gevaarlijk werden gezien dan stedelijke dansclubs (p. 252), is sprekend. De plattelandsmeisjes kunnen echter niet onder één kam worden geschoren: onder ‘les filles du champ’ hebben de travailleuses, ménagères en étudiantes elk een andere beleving van hun adolescentie, zo blijkt. Ook hier komt het er dus op aan de meervoudigheid van de vrouwelijke adolescentie te erkennen, niet alleen tussen klassen en regio’s, maar ook daarbinnen.

Doorheen haar boek diept Di Spurio een breed arsenaal aan bronnen op: wetenschappelijke en vulgariserende publicaties, brochures, observatierapporten van sociaal werk.st.ers en populaire cultuuruitingen zoals films en muziek. De selectie van de bronnen had transparanter mogen zijn. De lezer krijgt nauwelijks inzage in de gehanteerde methodologie. De brede waaier aan bronnen loont evenwel. De observatierapporten schetsen de sociale realiteit vanuit het standpunt van de sociaal werk.st.ers, terwijl de integratie van muziek en multimedia erin slaagt de lezer deelgenoot te maken van de jongerencultuur, bijvoorbeeld in de vorm van een videoclip ‘Je suis une jeune fille qui aime le twist’. Een zeer sterke passage is ook de analyse van de film La petite voleuse (1988), waar Di Spurio’s eigen stem mooi naar voren komt. Het geheel is een mooie balans tussen sociale en cultuurgeschiedenis.

De structuur is logisch, de domeinen zijn goed gekozen en het boek is ruimschoots geslaagd in zijn opzet: de debatten over de problematisering van vrouwelijke adolescentie worden op genuanceerde wijze geschetst en beslaan uiteenlopende sociale domeinen – van de cinema tot beroepsoriënteringsbureaus. Toch lost Di Spurio niet alle verwachtingen in. In haar conclusie verwoordt ze een van haar doelen als ‘de prouver combien les filles ont été actrices de leur propre histoire’ (p. 267). Hoe deze meisjes echter een actor zijn geweest in hun eigen geschiedenis, blijft op de achtergrond. Dat wil niet zeggen dat de meisjes volledig afwezig zijn uit het narratief, maar het is onduidelijk hoe hun agens zich precies manifesteerde. Misschien had de bestaande literatuur over vrouwelijke adolescentie in België, die bijvoorbeeld op vlak van justitie sterk ontwikkeld is,1 hier inspiratie voor kunnen leveren. Het is een aannemelijke keuze om justitie buiten beschouwing te laten in dit werk, gezien dit veld al veel aandacht kreeg in de historiografie. Maar juist vanuit de blik op justitie is er veel kennis beschikbaar over de perceptie van meisjes in wetenschap, de regulering van vrije tijd, generatieconflicten en de agens van de meisjes. Iets meer dialoog met die literatuur had het boek nog rijker gemaakt. Maar ook los daarvan is dit een sterk onderbouwd narratief en daarmee een belangrijke toevoeging aan de geschiedenis van gender en jongeren in België.

Twee aspecten verdienen nog een speciale vermelding. Ten eerste durft Di Spurio zich af en toe kwetsbaar op te stellen. Het vergt moed om een boek af te sluiten met zelftwijfel, zoals ze in de conclusie schrijft: ‘(…) une multitude d’autres histoires de jeunes filles se déploient devant moi, de nombreux regrets m’assaillent: pourquoi avoir choisi de donner la parole aux adultes plutôt qu’aux adolescentes ? (…)’ (p. 267). Deze moedige kwetsbaarheid is evenzeer merkbaar in de proloog waarin ze haar persoonlijke ‘histoire’ verbindt aan de algemene ‘Histoire’. Tot slot verdienen de verwijzingen naar songteksten een eervolle vermelding: muziekliefhebbers kunnen in de voetnoten terecht voor een op maat gemaakte soundtrack – van Françoise Hardy tot Britney Spears.

- Laura Nys

Webreferenties

  1. laura.nys.hufs@gmail.com: mailto:laura.nys.hufs@gmail.com
  2. ‘Je suis une jeune fille qui aime le twist’: https://www.sonuma.be/archive/une-petite-fille-en-fleur-ou-twisteuse

Referenties

  1. Onder de uitgebreide literatuur, zie bijvoorbeeld De Koster, Margo, ‘Ongepast gedrag van jonge vrouwen en (generatie)conflicten. Ouderlijke klachten over onhandelbare dochters bij de kinderrechter van Antwerpen in 1912-1913 en 1924-1925’, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis / Cahiers d’ Histoire du Temps Présent, 8 (2001), pp. 101-131; Massin, Veerle, Protéger ou exclure? L’enfermement des “filles perdues” de la protection de l’enfance à Bruges (1922-1965) (Ongepubliceerde Dissertatie, Université Catholique de Louvain, 2011).