Contemporanea
Jaargang XLIII Jaar 2021 Nummer 1

Recensies

Goddeeris, Idesbald, Lauro, Amandine & Vanthemsche, Guy (red.), Koloniaal Congo. Een Geschiedenis in Vragen (Kalmthout: Polis, 2020) 432p.

Eva Schalbroeck, Universiteit Utrecht

Bart Van Loo, auteur van De Bourgondiërs stak onlangs zijn hand in een oud wespennest: waarom kunnen of willen academische historici geen boeken voor een breed publiek schrijven? Het succes van King Leopold’s Ghost van journalist Adam Hochschild en van Congo. Een geschiedenis van publiekshistoricus David Van Reybrouck lijkt koren op zijn molen. Met Koloniaal Congo. Een Geschiedenis in Vragen sprongen Idesbald Goddeeris, Amandine Lauro, en Guy Vanthemsche in het gat in de ‘markt’. Zij brachten een divers team van historici samen om een ‘doorgeefluik’ tussen de academische wereld en het breder publiek te maken. Het resultaat biedt een gedegen status quo van onderzoek over een brede waaier aan thema’s. Deze middenwegaanpak zal geen stormloop op de boekwinkels veroorzaken. Wel zal het zowel de student, de onderzoeker, als andere geïnteresseerden die voorbij simplismen willen kijken, aanspreken.

Dit boek is dus geen ‘klassiek’ publieksgeschiedenisboek dat bulkt van weetjes, tijdlijnen, en prenten of een meeslepend verhaal vertelt. Het is bedoeld als een hulpmiddel voor de vaak polemische debatten over het Belgische koloniale verleden. Die worden, volgens de redacteurs, regelmatig gevoerd met ‘onvolledige kennis van de feiten en van de context’ [achterflap]. Ze willen lezers kritischer laten discussiëren over thema’s die de laatste maanden enkel maar aan urgentie wonnen, zoals restitutie, door inzichten uit recent historisch onderzoek te resumeren. Ze laten daarbij lezers binnenkijken in het ‘atelier’ van de kritische koloniale historicus, die aan de hand van vragen en bronnen heersende opvattingen in vraag stelt.

Elk hoofdstuk behandelt een thema, gaande van politiek en economie tot religie en cultuur, op chronologische wijze. Een blik op de inhoudstafel maakt duidelijk dat volgens de auteurs niet enkel industrie, rubber, en elitevorming, maar ook natuurbehoud, etnografische studies en huishoudonderwijs cruciale bouwstenen van het kolonialisme waren. Historici van verschillende landen, leeftijden, en achtergronden – inclusief een aantal die regelmatig aan publieke debatten deelnemen – schreven mee. Met het beeld van de witte mannelijke historicus die nooit het archief (niet te verwarren met ’t Archief in Leuven) verlaat of een geschiedenis die enkel rond Leopold II draait, maakt het boek dus resoluut komaf.

De ‘atelier’-aanpak werkt het best als een stuk vertrekt vanuit een concrete vraag uit het publiek debat, zoals het aantal Congolese slachtoffers tijdens het Leopoldiaanse regime. De beste stukken laten zien dat een ogenschijnlijke simpele vraag geen voor de hand liggend antwoord heeft omdat er, bijvoorbeeld, weinig betrouwbare bronnen zijn (hoofdstuk 7) of omdat veel afhangt van de termen die we gebruiken, zoals ‘genocide’ (hoofdstuk 3). Het hoofdstuk over gezondheidszorg (hoofdstuk 22) illustreert mooi dat de kolonialen geen monolithisch groep waren, maar wel een veelheid aan politieke, religieuze, Belgische en buitenlandse, Katholieke en Protestantse actoren met parallelle, maar verre van overlappende belangen.

Verschillende stukken bewijzen dat de binaire denkkaders van een verleden dat essentieel een van onderdrukkers en onderdrukten is, overstijgen belangrijk is om de complexiteit ervan te begrijpen. Net dan zien we Europese ‘nervousness’, Afrikaanse agency, en tegenstellingen. Kolonisatoren vernietigden én beschermden fauna en flora uit economische overwegingen (hoofdstuk 27). Congolezen verzetten zich tegen het koloniale regime met geweld, maar ook met religie, grappen, en muziek (hoofdstuk 16). Een update van het publieke debat sinds Van Reybrouck (hoofdstuk 28) en een stuk over het Congolese koloniale geheugen (hoofdstuk 29) vormden ten slotte twee nuttige uitleidingen. Door te tonen dat de kernelementen van het koloniale verleden – racisme, paternalisme, geweld, exploitatie, verzet – in alle domeinen en op alles niveaus voorkwamen, en daarbij complexiteit te benadrukken is het boek zeer typerend voor de recente geschiedschrijving.

Door zulke complexe inzichten behapbaar te brengen, slagen de hoofdstukken en het boek in hun opzet. Toch zijn er een aantal kanttekening en gemiste kansen. Minder geslaagd zijn de stukken die op een spervuur van vragen een relatief beschrijvend antwoord geven, zoals die over de dekolonisatie (hoofdstuk 5) en de Congocrisis (hoofdstuk 6). Didier Gondola is een van de weinig auteurs die gedegen inzichten en literaire flair laat samengaan (hoofdstuk 16). De conclusies bevatten te veel herhaling en te weinig terugkoppeling naar grotere debatten of nieuwe vragen. Af en toe kijken schrijvers over de koloniale grens, maar meer vergelijking met andere kolonies, inclusief Ruanda-Urundi – die ‘andere’ Belgische kolonie die steevast onderbelicht wordt in publieke debatten – hadden specifieke inzichten meer kunnen contextualiseren. Dat had ook de ietwat impliciete poging van het boek om decenniaoude beweringen over het ‘unieke karakter’ van het kolonialisme in Congo te nuanceren, kunnen versterken.

De evolutie van historiografische perspectieven – van triomfantalisme naar veelzijdige nuance – had ook meer naar voren kunnen komen in de hoofdstukken zelf. Ook werd er te weinig gezegd over thema’s waarover geen consensus is, vragen waarop geen ‘ja, maar’-antwoord bestaat, of onderwerpen waarover historici nog maar erg weinig weten. Dergelijke inzichten hadden de lezer kunnen doen inzien dat het historisch aterlier vaak ook een bouwwerf is. Nu voelt het allemaal soms wat te netjes aan.

Door de – overigens zeer legitieme – focus op het ontrafelen van het koloniale systeem kregen we slechts een glimp van een aantal personen en verhalen die niet enkel op zich interessant zijn, maar die ook het Belgische kolonialisme erg goed illustreren. Het verhaal van profeet Simon Kimbangu, bijvoorbeeld, toont treffend aan hoe religie, geneeskunde, repressie, en verzet essentieel verweven waren. Nu bleef dat door de thematische aanpak – en ondanks de cross-referencing tussen de verschillende hoofdstukken – wat te abstract. Zo hadden we ook meer kunnen leren over een ander heet historiografische hangijzer, namelijk de balans tussen analyse en narratief. Al deze ‘issues’ zijn eigenlijk symptomatisch voor een overzichtswerk in het algemeen en de middenwegaanpak van dit specifieke boek. Dat laatste is meteen zowel de sterkte als de zwakte ervan.

Voor elk wat wils. Voor de onderzoeker, inclusief diegenen die sterk vertrouwd zijn met het veld, biedt het boek een goede historiografische status quo en literatuurlijsten. Voor studenten, journalisten, mensen in de cultuur- en erfgoedwereld vormt het een goed startpunt voor de groeiende berg literatuur. Een breder publiek dat niet op zoek is naar quizkennis, een eenduidig verhaal, of ‘de waarheid’ zal er zeker ook iets aan hebben. Of dat publiek het boek ook effectief zal smaken? The proof of the pudding is in the eating. Reflectie over het lezerschap binnen enkele jaren kan stof tot nadenken bieden over hoe historici kunnen communiceren over het koloniale verleden.

Een boek dat ruim 400 pagina’s telt, geschreven werd door 31 Belgische en niet-Belgische auteurs, thema’s van assimilatie tot zendingsdrang behandelt: het illustreert mooi de grote vooruitgang die het veld de afgelopen 60 jaar heeft gemaakt. Het is ook een verdienstelijke poging om een breed publiek te doen beseffen dat ook koloniale geschiedenis een werkwoord is. 1 Toch blijft het een paar stappen verwijderd van het ‘summum’: koloniale geschiedenis is een (publieke en academische) ‘discussie zonder eind’.

- Eva Schalbroeck

Webreferenties

  1. Universiteit Utrecht: https://www.uu.nl/medewerkers/ERMSchalbroeck

Referenties

  1. Soen, Violet, Geschiedenis Is Een Werkwoord : Een Inleiding Tot Historisch Onderzoek (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2016).