Contemporanea
Jaargang XLIII Jaar 2021 Nummer 1

Review

Onderzoek onder de toonbank? Een historiografie van pornografie in België (1850-1914)

Leon Janssens

« La littérature immorale est un danger public, et il est grand temps qu’on se préoccupe d’en atténuer les effets plus funestes en réalité que ceux des plus terribles épidémies ». Zo begon de Belgische vertegenwoordiger Albert du Chastain zijn rapport over de stand van zaken van het ‘pornoprobleem’ in België op het congres Contre la Littérature Immorale in Lausanne in 1893. Uiteraard waren erotische teksten en afbeeldingen niet nieuw, maar vanaf 1880 werd pornografie als een groot sociaal probleem beschouwd in zowat alle Europese landen. Die problematisering is reeds onderzocht voor landen als Engeland, Duitsland en Frankrijk, maar de Belgische casus is relatief weinig bestudeerd en het onderzoek is sterk gefragmenteerd.1

Die fragmentatie heeft twee oorzaken. Ten eerste is het thema onderzocht door een breed scala aan onderzoekers met verschillende invalshoeken, maar die hebben het zelden als hoofdonderwerp genomen. Die invalshoeken werden ook bepaald door de veranderende opvattingen van onderzoekers over wat pornografie precies is. Vandaag begrijpen we pornografie vooral als ‘bewegend beeld’, maar doorheen de negentiende en twintigste eeuw werd het woord gebruikt voor uiteenlopende vormen van seksueel expliciete media waaronder beeld, tekst en zelfs geluid. Ten tweede is heel wat van het onderzoek gevoerd door buitenlandse onderzoekers die willen tonen hoe België een rol heeft gespeeld in ‘hun’ geschiedenis. Dit artikel zal de bestaande literatuur over de geschiedenis van pornografie in de periode 1850-1914 bespreken en onderverdelen in drie historiografische tendensen, respectievelijk boekhistorisch (vanaf 1930), sociaalhistorisch (vanaf 1990) en rechtshistorisch onderzoek (vanaf 2000). De scheidingslijnen tussen deze tendensen zijn eerder artificieel en de bijhorende ‘stromingen’ hielden niet van de ene op de andere dag op te bestaan. Daarom zal ik bij elke stroming wijzen op recent onderzoek dat aansluit bij deze tendensen.

De wetenschappelijke interesse voor immorele boeken in België kende een vroege voorloper in de boek- en drukgeschiedenis. Zo bestudeerde de Leuvense historicus Hermann Dopp al in de jaren 1930 de piraatdrukken of ‘contrefaçons’ van Franse werken die door Brusselse drukkers goedkoop werden geproduceerd en verspreid. Hij toonde hoe die traditie tot een einde kwam door een akkoord tussen Frankrijk en België in 1852, waarmee Brusselse drukkers verplicht werden om de rechten van Franse auteurs te respecteren. Een van de verklaringen die Dopp gaf voor dat verdrag was de druk van de Belgische publieke opinie op de politiek om die ‘immorele Franse drukken’ het land uit te werken. Hoewel het historisch onderzoek naar pornografie pas echt doorbrak in de jaren 1970, is Dopps bijdrage een belangrijke en vaak geciteerde voorloper.2

Maar pornografie kwam pas echt aan bod in de wetenschappelijke literatuur vanaf 1968, en dat is geen toeval. Het was een periode waarin allerlei maatschappelijke evoluties waaronder de seksuele revolutie, de tweede feministische golf en de opkomst van de pornografische langspeelfilm ervoor zorgden dat een thema als pornografie op de historiografische agenda kwam. Zo schreef Colette Baudet in 1968 een thesis over de flamboyante Brusselse uitgever Henry Kistemaeckers. Haar onderzoek werd twintig jaar later uitgegeven als een boek: Grandeur et misères d’un éditeur Belge (1986). Naast een volledig bibliografisch overzicht van al zijn publicaties toont Baudet’s boek ook hoe Kistemaeckers als uitgever van verschillende socialistische, anarchistische en erotische werken meermaals in contact kwam met het Belgische gerecht.3

Het onderzoek van Baudet was bekend bij de Franse onderzoeker Pascale Pia (1903-1979). In zijn onderzoek naar de Franse schrijver Charles Baudelaire stootte hij op het feit dat Brussel ook een belangrijke rol had gespeeld in de productie van verboden Franse werken in de tweede helft van de negentiende eeuw. In het artikel L’édition Belge au temps de Baudelaire (1973) argumenteert Pia dat het akkoord van 1852 een crisis veroorzaakte in de Brusselse drukkerswereld, maar dat de strenge censuur in Frankrijk ervoor zorgde dat de drukkers al snel een nieuwe bron van inkomsten hadden: veelal erotische boeken die verboden waren in Frankrijk.4

De fragmentatie van het onderzoeksveld is duidelijk aanwezig in het boekhistorisch onderzoek. Pornografie werd er steeds als onderdeel van een ander thema bestudeerd, namelijk de boekgeschiedenis. Dat veranderde vanaf de jaren 1990, maar het onderzoek naar België bleef in de marge van werken over andere landen. Zo was er de publicatie van het belangrijke overzichtswerk Clandestine Erotic Fiction in English door Peter Mendes waarin hij de rol van Brussel als centrum van Engelstalige obscene boeken in een Europees kader plaatst. Andere werken waarin de Belgische casus aan bod komt zijn Gay et Doucé: éditeurs sous le manteau 1877-1882 door Jacques Duprilot (1998) en de Bibliographie des ouvrages érotiques publiés clandestinement en français van Jean-Pierre Dutel (2002). Pas recent kwam hier verandering in, met Veronique Weses retrospectieve bibliografie van de verboden boekencollectie.5

Het boekhistorisch onderzoek naar de Belgische casus heeft tot nu toe vooral aandacht gehad voor de vele Franse schrijvers, kunstenaars en uitgevers van luxueuze erotische boeken.6 Toch waren het niet zozeer deze dure uitgaven die voor zoveel bezorgdheid zorgden op het einde van de negentiende eeuw. Het was net de handel in massaal geproduceerde, goedkope en visuele pornografie die voor grote ongerustheid zorgden. Meer sociaalhistorische georiënteerde studies gaven daar vanaf de jaren 1990 aandacht aan.7

Vanaf het midden van de negentiende eeuw – door de uitvinding van de fotografie - werd pornografie steeds visueler. Erotische stereodaguerreotype ca. 1850 door anoniem, Fotomuseum Antwerpen, Public Domain Mark 1.0. Geraadpleegd via Europeana.

Voor de Belgische casus gebeurde dat door de Franse historica Annie Stora-Lamarre in het hoofdstuk Bruxelles ou L’Europe de L’édition clandestine (1990). Hoewel ook zij de Belgische casus bestudeerde in functie van Frankrijk, had ze wel aandacht voor de concrete situatie in België. Zo gebruikte ze de algemene dossiers van de staatsveiligheid om het leven van ‘doordeweekse’ pornoverkopers in de straten van Brussel te bestuderen. Dat is echter een onderwerp dat nog veel meer in detail zou kunnen worden bestudeerd. De belangrijkste bijdrage van Stora-Lamarre is dat ze toont hoe pornografie reeds in het midden van de negentiende eeuw als een gevaar voor de natie werd gezien in België. Volgens Stora-Lamarre werd dat discours pas vanaf de jaren 1880 overgenomen in Frankrijk.8

In recent onderzoek staat steeds vaker de maatschappelijke betekenis en de concrete inhoud van pornografische publicaties centraal. In 2018 verscheen - op Nederlands initiatief - het overzichtswerk Onder de Toonbank over de geschiedenis van pornografie in de Lage Landen. De aandacht voor visuele bronnen en de culturele betekenis van pornografische producten maakt dat dit werk ook gekarakteriseerd kan worden als een socio-culturele geschiedenis van pornografie. Het werk analyseert immers de vele linken tussen maatschappelijke evoluties en pornografische thema’s, zoals de introductie van ‘exotische’ vrouwen onder invloed van de koloniale expansie of de populariteit van erotische verhalen over de handel in blanke slavinnen.9 In zulke culturele analyses van pornografie zitten nog heel wat mogelijkheden voor Belgische historici.

Een andere discipline die de maatschappelijke impact van pornografie centraal stelde is het rechtshistorisch onderzoek. Dat is ook het eerste onderzoeksveld dat België in al zijn eigenheid bestudeerde. De wetgeving rond pornografie kreeg in 2002 aandacht met Liesbet Stevens’ doctoraat Strafrecht en seksualiteit. Aan de hand van diverse juridische bronnen schept het boek een duidelijk kader van de wetgeving rond de zogenaamde ‘middellijke zedenschennis’ (letterlijk: het schenden van de goede zeden aan de hand van middelen). Stevens’ hoofdhypothese is dat de wetgeving rond pornografie vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw steeds strenger werd.10

Dat sluit aan bij het onderzoek naar de vervolging van middellijke zedenschennis voor de correctionele rechtbank en het Hof van Assisen. Zo toont de thesis van Sophie van Merlen dat de uitbreiding in de wetgeving zich ook vertaalde in een strengere vervolging voor de correctionele rechtbank in Brussel en het Hof van Assisen van Brabant. Die laatste gerechtelijke instantie staat centraal in het doctoraatswerk van Bram Delbecke (2012) over de geschiedenis van persmisdrijven in België. Hij toont aan dat het aantal zaken inderdaad steeg doorheen de laatste 20 jaar van de negentiende eeuw. In zijn werk wordt ook ingegaan op sociaal-culturele vraagstukken zoals de inhoud van de vervolgde publicaties en de maatschappelijke weerklank die dit soort van processen kregen in de media.11

Het Franse tijdschrift La Gaudriole werd in 1891 verboden in België omdat het pornografisch was. RIP, La Gaudriole : Journaux de joyeux récits, contes gaulois et romans illustrés, 5 april 1891, 8. Geraadpleegd via Gallica.

Het rechtshistorisch onderzoek gebeurde uiteraard steeds vanuit een sterk legaal georiënteerd perspectief. Daardoor blijven de sociale en culturele aspecten van pornografie grotendeels buiten beeld, maar historici zouden dezelfde bronnen kunnen gebruiken om zo’n geschiedenis van pornografie te schrijven. De archieven van de correctionele rechtbanken, parketten en politiearchieven bieden mooie kansen om onderzoek te verrichten naar bijvoorbeeld pornografienetwerken en zelfs inhoudelijke analyses te maken van pornografische producten uit deze periode.

Het onderzoek naar pornografie in België in de periode 1850-1914 is sterk gefragmenteerd over verschillende disciplines en historische tendensen. Met mijn onderzoeksproject ‘Porn Hub: Brussel en de angst voor internationale pornografienetwerken’ tracht ik die fragmentatie te overbruggen. Ik onderzoek hoe pornografie vanaf 1880 geproblematiseerd werd als een internationaal georganiseerd netwerk dat goedkope en door iedereen consumeerbare producten in grote hoeveelheden België binnenbracht. Zo zal ook ik proberen een antwoord te formuleren op de vraag waarom pornografie zo’n gevreesd probleem werd op het einde van de negentiende eeuw.

- Leon Janssens

Webreferenties

  1. Europeana: https://www.europeana.eu/en/item/2058401/_providedCHO_580c13e6_c9fc_11e3_ac11_a36b10936c6f
  2. Gallica: https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k9943459/f30.item
  3. onderzoeksproject: https://www.arts.kuleuven.be/mosa/english/research/folder-current-research/2018porn-hub2019-brussel-en-de-internationale-angst-voor-pornografie-netwerken-1880-1910

Referenties

  1. Du Chastain, Albert, ‘Rapport de M. du Chastain, de Bruxelles : La littérature immorale devant la presse et devant l’opinion’, Actes du Congrès International Contre la Littérature Immorale (Genève: Isaac Soullier, 1894), 31. Voor meer over pornografie in de Lage Landen voor 1800: Leemans, Inger, ‘Arousing Discontent: Dutch Pornographic Plays, 1670-1800’, Journal for Early Modern Cultural Studies, 12:2 (2012), 117-158; Voor een overzicht van recent internationaal onderzoek: Sigel, Lisa, ‘Looking at Sex. Pornography and Erotica Since 1750’, in: Toulalan, Sarah, and Fisher, Kate, eds., The Routledge History of Sex and the Body: 1500 to the Present (New York: Routledge, 2013), 223-236; Williams, Linda, ‘Pornography, Porno, Porn: Thoughts on a Weedy Field’, Porn Studies, 1:1–2 (2014), 24-40; Voor recent onderzoek over pornografie in andere Europse landen, zie: Engeland: Stoops, Jamie, Thorny Path: Pornography in Early Twentieth-Century Britain (Montreal: McGill-Queen’s University Press, 2018). Nederland: Sliggers, Bert, De zedenloze jaren 30. De gebroeders Taurel en de handel in erotica (Amsterdam: Boom, 2020); Matthey, Ignaz, ‘Zedelijkheidswetgeving en pornohandel omstreeks 1900 De rechtszaken tegen de uitgevers Bergé & Versteeg en het trio Kikkert-Reinders-Lemoine’, Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 18 (2011), 6–30. Frankrijk: Rodemacq, Maxence, ‘L’industrie de l’obscénité à Paris (1855-1930)’, Romantisme, 167:1 (2015), 13–20. Duitsland: Leonard, Sarah, Fragile Minds and Vulnerable Souls: The Matter of Obscenity in Nineteenth-Century Germany (Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 2015); Stark, Gary D., ‘Pornography, Society, and the Law in Imperial Germany’, Central European History, 14:3 (1981), 200–229.
  2. Dopp, Herman, La contrefaçon des livres français en Belgique 1815-1852 (Leuven: Uystpruyst, 1932), 174–78.
  3. Baudet, Colette, Grandeur et misères d’un éditeur belge: Henry Kistemaeckers 1851-1934 (Bruxelles: Labor, 1986).
  4. Pia, Pascal, ‘L’édition Belge au temps de Baudelaire’, Études Baudelairiennes, 3 (1973), 11.
  5. Mendes, Peter, Clandestine Erotic Fiction in English 1800-1930 (Aldershot: Scolar press, 1993), 28-30; Duprilot, Jacques, Gay et Doucé: éditeurs sous le manteau 1877-1882 (Paris: Astarté, 1998); Dutel, Jean-Pierre, Bibliographie des ouvrages érotiques publiés clandestinement en français entre 1880 et 1920 (Paris: Dutel, 2002); Wese, Veronique, De Gifkast van de Koninklijke Bibliotheek van België: aanzet tot een retrospectieve bibliografie (Centrum voor Volwassenenonderwijs Gent: onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 2011) ; Colligan, Colette, ‘Digital Discovery and Fake Imprints: Unmasking Turn-of-the-Century Pornographers in Paris’, Book History, 22:1 (2019).
  6. Valazza, Nicolas, ‘Reading the Paratext in Clandestine Literature: The Case of the Publisher Poulet-Malassis’, Textual Cultures, 22 (2011); Valazza, Nicolas, ‘L’Éditeur et le graveur en société avec le poète: Poulet-Malassis, Rops, et Baudelaire en Belgique’, L’Esprit créateur 58:1 (2018), 87.
  7. Kendrick, Walter, The Secret Museum: Pornography in Modern Culture (New York: Viking Penguin, 1987); Iain, McCalman, Radical Underworld: Prophets, Revolutionaries and Pornographers in London, 1795-1840 (Cambridge: Cambridge University press, 1988); Hunt, Lynn, The Invention of Pornography: Obscenity and the Origins of Modernity, 1500-1800 (New York: Zone Books, 1993); Darnton, Robert, The Forbidden Best-Sellers of Pre-Revolutionary France (New York: Norton, 1996); Sigel, Lisa, Governing Pleasures: Pornography and Social Change in England, 1815-1914 (New Brunswick: Rutgers university press, 2002).
  8. Stora-Lamarre, Annie, L’enfer de la IIIe République: censeurs et pornographes 1881-1914 (Paris: Imago, 1990), 151-178; Stora-Lamarre, Annie, ‘Le livre en question. La censure au Congrès international contre la pornographie (Paris, 1908)’, Mil neuf cent. Revue d’histoire intellectuelle, 7:1 (1989), 87–98.
  9. Verschillende bijdragen in: Onder de Toonbank: pornografie en erotica in de Nederlanden (Amsterdam: Van Oorschot, 2018).
  10. Stevens, Liesbet, Strafrecht en seksualiteit: de misdrijven inzake aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, ontucht, prostitutie, seksreclame, zedenschennis en overspel (Antwerpen: Intersentia, 2002).
  11. Jacobs van Merlen, Sophie, La Répression de L’Édition Pornographique à La Fin Du 19eme Siècle a Bruxelles 1867-1900 (Université Catholique de Louvain: ongepubliceerde masterthesis, 2004); Delbecke, Bram, De lange schaduw van de grondwetgever. Perswetgeving en persmisdrijven in België, 1831-1914 (Gent: Academia press, 2012), 345-400.