{"id":1213,"date":"2024-10-25T13:50:39","date_gmt":"2024-10-25T11:50:39","guid":{"rendered":"https:\/\/www.contemporanea.be\/?post_type=article&#038;p=1213"},"modified":"2025-02-25T17:01:39","modified_gmt":"2025-02-25T16:01:39","slug":"dag-van-de-nieuwste-geschiedenis-belvue-2024","status":"publish","type":"article","link":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/article\/dag-van-de-nieuwste-geschiedenis-belvue-2024\/","title":{"rendered":"Dag van de Nieuwste Geschiedenis, BELvue 2024"},"content":{"rendered":"\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">In de marge van de geschiedenis: actueel onderzoek, debatten, uitdagingen<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">In 2014 organiseerden historici Amandine Lauro en Magaly Rodr\u00edguez Garc\u00eda aan de ULB een studiedag over de historiografie van subalterne groepen en mensen in de marge van de samenleving. Ze betreurden de terughoudendheid van Belgische historici om met deze concepten aan de slag te gaan en hun relatieve afwezigheid op het domein van de \u2018subaltern studies\u2019, dat sinds de jaren 1980 was opgekomen. In het verlengde van deze ontmoeting leidden beide sprekers in 2016 een sessie op de Dag van de Nieuwste Geschiedenis, met de focus op \u2018Belgische historici en de internationalisering\u2019. Tien jaar na het colloquium aan de ULB heeft het onderzoek naar ondervertegenwoordigde sociale groepen in de Belgische geschiedschrijving duidelijk aan belang gewonnen. Daarom kozen we voor dit thema voor onze tweejaarlijkse Dag van de Nieuwste Geschiedenis, die dit jaar doorging in het Brusselse BELvue Museum. 41 sprekers, verdeeld over 12 sessies, gingen ermee aan de slag. Een verslag van de sessies kunt u hier terugvinden.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">True Crime. Aan de slag met strafrechtelijke archieven<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\"><strong>Sprekers<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>An Vandenberghe<\/strong> (Rijksarchief Gent): <em>Project OUTLAW. Hoe een databank 120.000 boeven vangt (1855-1924)<\/em><br \/>\n<strong>Matteo De Vuyst<\/strong> (UGent): <em>In het spoor van de dader. Strafrechtelijke trajecten in negentiende-eeuws Belgi\u00eb, 1870-1910<br \/>\n<\/em><strong>Paul Drossens<\/strong> (Rijksarchief Gent) en <strong>Kaat Wils<\/strong> (KU Leuven): <em>De archieven van Justitie: mogelijkheden voor onderzoek en publiekswerking<\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">An Vandenberghe stelde het BRAIN 2.0-project OUTLAW (<u>outlawtales.blog<\/u>) voor. OUTLAW wil het gebruik van gevangenisarchieven voor onderzoek en publiekswerking promoten. Om dat te bereiken, worden in een eerste fase alle 623 bewaarde registers van de \u2018morele boekhouding\u2019 van de Belgische gevangenissen gedigitaliseerd. Deze registers bevatten rijke notities over de familieachtergrond, het opleidingsniveau, het gedrag en de fysieke en mentale toestand van de ongeveer 120.000 gedetineerden die tussen 1855 en 1924 in Belgi\u00eb werden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Na het scannen van de registers worden, in een tweede fase, de gegevens van die mannelijke en vrouwelijke veroordeelden door vrijwilligers getranscribeerd en ingevoerd in een databank.<br \/>\nDeze \u2018criminele&#8217; databank zal een ongekend overzicht bieden van de veroordeelde gevangenis\u00adbevolking in Belgi\u00eb tijdens de tweede helft van de negentiende en het eerste kwart van de twintigste eeuw. Alle gegevens zullen \u2013 samen met de gedigitaliseerde beelden \u2013 ge\u00efntegreerd worden in Agatha, de online zoekmachine van het Rijksarchief, en zullen gratis ter beschikking worden gesteld aan het publiek. De databank zal een krachtige onderzoekstool vormen voor sociale historici en historische criminologen om de kenmerken en werking van het Belgische rechts- en strafsysteem in die periode bloot te leggen, maar ook om gericht onderzoek te doen naar een brede waaier aan \u2018marginale\u2019 groepen in de samenleving: vreemdelingen, vrouwen, minderjarigen, plegers van specifieke misdrijven zoals eigendoms- of zedendelicten, recidivisten enz..<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Gelieerd aan het OUTLAW-project bereidt Matteo De Vuyst met een FWO-beurs een historisch-criminologisch doctoraat voor over \u200b\u200bde impact van sociale kwetsbaarheid in het Belgische strafrecht, met nadruk op de periode 1870-1914. De Belgische samenleving onderging toen een eerste democrati\u00adsering, maar bleef gekenmerkt door grote sociaal-economische ongelijkheid. Groeiende bezorgdheid van de overheid over misdaad en de \u2018gevaarlijke klassen\u2019 leidde tot verhoogde pogingen om grote delen van de bevolking te disciplineren, met als gevolg een toenemend aantal arrestaties, strafrechte\u00adlijke vervolgingen en gevangenisstraffen.<br \/>\nDe werkhypothese is dat de aanrakingen van personen met het gerecht fundamenteel verschillen naargelang hun maatschappelijke positie en het bijbehorende sociale kapitaal \u2013 hun (on)vermogen om sociale netwerken te kunnen mobiliseren. Door het combineren van kwantitatieve methoden met kwalitatieve diepte-analyse van individuele strafrechtelijke trajecten, peilt dit proefschrift niet alleen naar de <em>topdown<\/em> justiti\u00eble behandeling van deze personen, maar ook naar hun persoonlijke ervaringen en <em>agency<\/em>. Door het opsporen van mechanismes van discriminatie via het <em>law-in-action<\/em> perspectief en het analytische concept van de rechtbank of de gevangenis als een \u2018arena\u2019, zal dit bijdragen aan een beter begrip van sociale kwetsbaarheid in het verleden, maar ook in het huidige rechtssysteem. Denk aan etnische profilering, racisme, seksuele ori\u00ebntatie, klassenjustitie enz.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Paul Drossens behandelde de rijkdom, beschikbaarheid en mogelijkheden van de archieven van Justitie voor zowel onderzoek als publiekswerking. Archieven van rechtbanken en gevangenissen bieden een unieke kijk op de onderkant van de samenleving en hoe groepen daarin functioneerden en evolueerden doorheen tijd en ruimte. Eerst kwamen de gerechtelijke archieven aan bod en met name de strafdossiers, die een enorme detailrijkdom uitstralen. Zij bevatten onder meer getuigenverhoren en inlichtingenbulletins van betichten, die zich heel goed lenen voor zowel kwantificerend als kwalitatief onderzoek. In deze dossiers komen vaak mensen aan het woord die elders geen bronnen van vergelijk\u00adbare omvang hebben nagelaten. Naast de mogelijkheden voor onderzoek werd ingegaan op enkele initiatieven waarbij deze archieven aan een breed publiek werden gepresenteerd: een tentoonstelling, boek en podcast rond een seriemoordenaar, een tentoonstelling in samenwerking met de vakgroep Kunstwetenschappen van UGent rond crime scenes en forensische fotografie tijdens het interbellum, workshops voor middelbare studenten rond assisendossiers enz. Ook gevangenisarchieven bevatten waardevolle reeksen voor de sociale geschiedenis: opsluitingsregisters en -dossiers, de morele boekhouding (cfr. OUTLAW) en antropologische dossiers, die een inkijk geven in het medische, fysiek-antropologische en psychologische instrumentarium dat werd ingezet om beschuldigden of gedetineerden te \u2018doorgronden\u2019 of te diagnosticeren.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Kaat Wils ging dieper in op de internering van geesteszieken en recidivisten als vergeetput van Jusititie. Zij belichtte het masteronderzoek van Diane Staelens en Emma Minderhout, dat gebaseerd was op de archieven van de psychiatrische afdeling van de gevangenis van Vorst en de bijhorende commissie tot bescherming van de maatschappij (tot 1975\/1980). Op basis van de notulen van de commissie, de interneringsdossiers en de dagboeken van de arts-antropoloog en het verplegend personeel analyseerden beide studenten hoe de internering in de praktijk verliep en wat de invloed was van experten, zoals de psychiater. Hoe zag het leven van een ge\u00efnterneerde in een instelling eruit? Welke stappen moesten ondernomen worden om vrij te komen en wat gaf hierbij de doorslag? Hoe verliep de communicatie tussen de betrokken ge\u00efnterneerden en de commissie? Wat was uiteindelijk de \u2018agency\u2019 van de ge\u00efnteerden? Uit het onderzoek bleek dat dit beperkt was: kleine verzoeken (een parkiet op de kamer of een huwelijk van een naaste bijwonen) werden soms ingewilligd, maar zij (noch hun raadsman of familie) hadden nauwelijks impact op de plaats van internering of op de beslissing over de (voorlopige of definitieve) invrijheidstelling.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">R\u00e9cits et archives du monde ouvrier\u00a0<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\"><strong>Julien Tondeur (CARHOP): <\/strong><em>Le CARHOP. Une posture et des pratiques pour construire et transmettre des histoires en marge<\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Julien Tondeur a pr\u00e9sent\u00e9 le Centre d\u2019Animation et de Recherche en Histoire Ouvri\u00e8re et Populaire (CARHOP), qui a pour mission de recueillir et valoriser la m\u00e9moire ouvri\u00e8re et sociale. Depuis sa cr\u00e9ation en 1980, le CARHOP se concentre sur l&#8217;histoire des groupes marginalis\u00e9s souvent ignor\u00e9s par l&#8217;historiographie.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">L&#8217;intervenant a soulign\u00e9 l&#8217;importance d&#8217;une d\u00e9marche participative qui associe recherche et \u00e9ducation permanente, permettant aux acteurs concern\u00e9s de se r\u00e9approprier leur histoire. Julien Tondeur a donn\u00e9 l&#8217;exemple d&#8217;un projet sur la Fa\u00efencerie Boch, o\u00f9 d&#8217;anciens employ\u00e9s ont contribu\u00e9 \u00e0 la collecte de t\u00e9moignages, mettant en lumi\u00e8re leur v\u00e9cu et leur sociabilit\u00e9 au sein de l&#8217;entreprise. Cette approche renforce l&#8217;agentivit\u00e9 des participants et enrichit la compr\u00e9hension des luttes sociales.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>\u00a0<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Lionel Vanvelthem (IHOES): <\/strong><em>L\u2019histoire orale dans les marges : les collectes et collections sonores de l\u2019Institut d\u2019histoire ouvri\u00e8re, \u00e9conomique et sociale <\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">L\u2019Institut d\u2019histoire ouvri\u00e8re, \u00e9conomique et sociale (IHOES), situ\u00e9 \u00e0 Seraing, joue un r\u00f4le crucial dans la collecte, la pr\u00e9servation et la valorisation de la m\u00e9moire des travailleurs et de leurs luttes. Depuis pr\u00e8s de quarante ans, l&#8217;IHOES a document\u00e9 des groupes sociaux souvent n\u00e9glig\u00e9s, tels que les mouvements politiques de gauche, les collectifs f\u00e9ministes et les groupes de r\u00e9sistants.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">L\u2019intervention a mis l\u2019accent sur le travail de collecte d\u2019archives sonores et audiovisuelles, ainsi que sur les campagnes d\u2019enqu\u00eates orales men\u00e9es par l&#8217;institut. Des exemples tels que le fonds audio de Jacqueline Sarol\u00e9a et les t\u00e9moignages recueillis aupr\u00e8s d&#8217;ouvri\u00e8res et de migrants illustrent l\u2019importance de cette d\u00e9marche pour la recherche historique sur les groupes marginaux. L&#8217;IHOES contribue ainsi \u00e0 donner une voix \u00e0 ceux qui ont rarement l&#8217;occasion de s&#8217;exprimer.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Fran\u00e7ois Welter (CARHOP): <\/strong><em>Sortir les ch\u00f4meurs et les ch\u00f4meuses de la marge. Coaliser et organiser les sans-emploi au sein de la CSC (1970-2013)<\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Fran\u00e7ois Welter a pr\u00e9sent\u00e9 l&#8217;histoire et les luttes des ch\u00f4meurs et ch\u00f4meuses en Belgique, ainsi que le r\u00f4le de la Conf\u00e9d\u00e9ration des syndicats chr\u00e9tiens (CSC) dans leur organisation. Avec la crise \u00e9conomique des ann\u00e9es 1980, la CSC a d\u00fb r\u00e9\u00e9valuer son approche, pla\u00e7ant l&#8217;organisation des sans-emploi au centre de ses pr\u00e9occupations. Fran\u00e7ois Welter a d\u00e9crit la cr\u00e9ation d&#8217;un groupe sp\u00e9cifique au sein de la CSC pour d\u00e9fendre les droits des ch\u00f4meurs et ch\u00f4meuses, soulignant les combats embl\u00e9matiques men\u00e9s par le syndicat. Ces luttes visent non seulement \u00e0 conqu\u00e9rir des droits, mais aussi \u00e0 d\u00e9fendre et \u00e0 soutenir les sans-emploi dans un contexte de stigmatisation et de discrimination.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Alvin De Coninck: <\/strong><em>Erkenning en schadevergoeding door Duitsland van Belgische\u00a0dwangarbeiders<\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">L\u2019intervention d&#8217;Alvin De Coninck a expos\u00e9 les injustices subies par les travailleurs forc\u00e9s pendant la Seconde Guerre mondiale, ainsi que les difficult\u00e9s persistantes li\u00e9es \u00e0 leur reconnaissance et \u00e0 leur indemnisation. De Coninck a discut\u00e9 des r\u00e9clamations des travailleurs forc\u00e9s, en citant notamment l\u2019exemple de la soci\u00e9t\u00e9 Siemens, contre laquelle une plainte commune a \u00e9t\u00e9 d\u00e9pos\u00e9e, en 1953, par d\u2019anciens travailleurs forc\u00e9s de France et de Belgique. Ces personnes avaient \u00e9t\u00e9 emprisonn\u00e9es au KZ Auschwitz et utilis\u00e9es dans les usines de Siemens au sein du complexe industriel et, par cons\u00e9quent, n\u2019\u00e9taient pas consid\u00e9r\u00e9s comme \u00ab employ\u00e9s \u00bb par l\u2019industrie Siemens. La plainte a donc \u00e9t\u00e9 rejet\u00e9e par la justice allemande. Position qui est d\u2019ailleurs confirm\u00e9e par la <em>Duitse Grondwettelijk Hof <\/em>en 1996, qui d\u00e9clare que les travailleurs forc\u00e9s ne peuvent faire valoir aucun droit \u00e0 l\u2019encontre des entreprises allemandes ou de l\u2019\u00c9tat allemand. Dans son expos\u00e9, Alvin De Coninck a montr\u00e9 \u2013 par d\u2019autres exemples \u2013 l\u2019\u00e9volution de cette situation et les mesures prises \u2013 \u00e0 terme \u2013\u00a0 par le gouvernement allemand concernant les indemnisations pour les travailleurs forc\u00e9s. En 2000, un accord est conclu entre le gouvernement allemand, les organisations des victimes de guerre, les grandes entreprises et les ONG. Une communication qui souligne les discriminations persistantes ainsi que les complications juridiques entourant les indemnisations d\u2019apr\u00e8s-guerre. La lutte pour la reconnaissance des droits des travailleurs forc\u00e9s demeure complexe et marqu\u00e9e par des injustices.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Veerle Vanden Daelen (Kazerne Dossin) en Janiv Stamberger (UAntwerpen): Joden en marginaliteit &#8211; een verkenning<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">Janiv Stamberger en Veerle Van den Daele lichtten toe hoe het domein van de <em>Joodse Studies<\/em>\u00a0zich leent tot het bekijken van de maatschappij vanuit een subaltern oogpunt. Dit studiegebied daagt het concept echter ook uit, omdat die ene Joodse gemeenschap niet bestaat, maar uiteenvalt in verschillende groepen en een grote diversiteit kent. De Franse en industri\u00eble Revolutie en de burgerlijke democratie\u00ebn die in de 19de\u00a0eeuw ontstonden, boden een aantal Joodse families in West-Europa de mogelijkheid om het isolement van hun gemeenschap te doorbreken en de maatschappelijke ladder te beklimmen. In het onafhankelijke Belgi\u00eb behoorden recent aangekomen Joden uit de buurlanden, zoals de Bisschofsheims, Wieners en Errera\u2019s, tot het politieke, academische, culturele en economische establishment. De Joodse immigranten die vanuit Oost-Europa westwaarts trekken vanaf de jaren 1880 en na de Eerste Wereldoorlog vormen een totaal andere groep. Hoewel ze onderling ontzettend divers zijn in ideologische aanhang (zionisme, socialisme&#8230;), mate van religiositeit en nationale achtergrond zijn ze erg verschillend van de geaccultureerde Belgische Joden op sociaal, politiek, religieus en cultureel vlak. Vele van deze nieuwelingen zijn straatarm en blijven letterlijk en figuurlijk in de marginaliteit.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Vanuit het antisemitisme dat in het interbellum goed gedijt, verwordt de Joodse armoezaaier en migrant tot de heraut van het bolsjewisme en geportretteerd als drager van ziektes. Eigenaardig genoeg gedijt hiernaast ook een ander beeld waarmee de spot wordt gedreven: dat van de rijke, corrupte en louche Joodse zakenman met haakneus die geld verdient op de kap van de \u2018eerlijke autochtoon\u2019.\u00a0Van de machtige rijke Jood die achter de schermende touwtjes in handen heeft en de christelijke samenleving corrumpeert.\u00a0Ondanks hun tegenstellingen, worden beide denkbeelden probleemloos naast elkaar gebruikt.\u00a0Deze antisemitische denkbeelden maken dus illusie op zowel de marginale &#8216;Joodse migrant&#8217; als de geaccultureerde Belgische Joden die meestal sociaaleconomisch hoog op de ladder staan. Beide groepen worden krijgen dus te maken met een proces van marginalisering met als doel hen buiten de samenleving te plaatsen.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Wanneer de focus op de Antwerpse casus wordt gelegd, komt een interessant inzicht naar voor over deze periode: dat van de \u2018marginale\u2019 gemeenschap die door haar leidende aanwezigheid in de diamantsector in het interbellum een groter economisch belang genereert dan de Antwerpse haven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de hele gemeenschap zwaar vervolgd, waardoor de Belgische overheid de diamantsector vanaf 1945 actief moet heropstarten.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Thirza Vandenabeele (Erfgoedcel Gent): Onderhandelen over het verleden in De Wereld van Hilair. Een werkbare methode om het historisch debat van onderop te herschikken?<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\"><strong>Welke rol nemen historici op in de superdiverse samenleving ? Voor veel publiekshistorici is dit geen theoretische, maar een zeer concrete vraag: hoe ga je er in de praktijk mee aan de slag? In haar recente boek <\/strong><strong><em>Ons Gedeeld Verleden <\/em><\/strong><strong>(2023) pleit Tina De Gendt voor een democratiserende rol, waarbij publiekshistorici en erfgoedwerkers de ongehoorde stemmen in de samenleving niet alleen actief beluisteren, maar ook zelf het woord geven \u00e9n mee de agenda laten bepalen. Niet alleen naar het publiek toe, maar ook naar onderzoek en bewaring toe. Hoe kan zo\u2019n \u2018onderhandeld narratief\u2019 het historisch debat helpen herschikken? Wat is de concrete impact en waar liggen de valkuilen? Vertrekkend vanuit de concrete ervaring met een onderhandelingsproces rond Congolese migratie in de Gentse Dampoortwijk, besprak Thirza Vandenabeele (Erfgoedcel Gent) de kansen en uitdagingen van deze methodologische verschuiving. <\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Canoniseren of dekoloniseren? De afgelopen jaren was er voor historici in het publieke domein geen ontsnappen aan. In superdiverse steden worden publiekshistorici vooral geconfronteerd met de realiteit dat een groot deel van de bevolking geen stem heeft of krijgt in het historische debat. De idee\u00ebn, vragen en verhalen van veel burgers blijven vaak onopgemerkt door onderzoekers, erfgoedprofessionals en archivarissen. En als ze wel worden opgepikt, gebeurt dat niet altijd met veel respect voor het eigenaarschap van de betrokkenen. In het kader van het participatieve erfgoedproject De Vierkante Kilometer, een initiatief van STAM-Stadsmuseum Gent en Erfgoedcel Gent, ontwikkelde historica Tina De Gendt een methode voor publiekshistorici in de superdiverse praktijk. Uniek aan de methode van \u2018onderhandelen\u2019 is dat deze niet focust of het uitbreiden van het publiek, maar wel op het creeeren van ruimte in de historische praktijk voor nieuwe, vaak vergeten stemmen en onbelichte narratieven. De veelvuldigheid aan perspectieven die eigen is aan superdiversiteit wordt met andere woorden ingezet om de geschiedenis vanuit de basis te herbekijken.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">De Gentse Vierkante Kilometer dient niet alleen als katalysator voor talrijke erfgoedinitiatieven, waaronder verschillende podcasts, films en tentoonstellingen over Gentse stadsgeschiedenis, maar stimuleert ook academisch onderzoek naar onder meer interreligieuze solidariteit, Pakistaanse migratie, onderwijsongelijkheid en de rol van pionierbemiddelaars in de jaren 1970. Dankzij het project werden ook diverse archieven van subalterne en gemarginaliseerde groepen, zoals zelforganisaties en activisten, in bewaarinstellingen ondergebracht. Sinds de publicatie gingen zowel studenten als praktijkwerkers uit verschillende sectoren met de methode aan de slag. Maar hoe haalbaar is dit model in de praktijk? Wat is de impact op langere termijn?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">In het academiejaar 2023-2024 gingen Thirza Vandenabeele (Erfgoedcel Gent) en Hilair Francisco (een Gentenaar van Conogolese afkomst) samen met Ava Cornelis en Lotte Bauweraerts (masterstudenten UGent) met de methode aan de slag te voorbereiding van een nieuwe episode van de expo De Vierkante Kilometer, waarbij de focus op Gentse Dampoort lag. Vertrekkende van het persoonlijke verhaal van Hilair werd een historische mini-documentaire gemaakt. Zijn verhaal biedt niet enkel een uniek perspectief op de recente migratiegeschiedenis van Gent, maar werpt ook licht op verborgen publieke ruimtes in de stad en de gebrekkige omgang met mentaal welzijn van minderheidsgroepen. Elk vanuit hun eigen perspectief ondervonden de deelnemers aan dit onderhandelingsproces obstakels die hen confronteerden met de bredere context van geschiedenis in superdiversiteit. Het bespreekbaar maken van macht en machtsstructuren in het tot stand brengen van historische verhalen bleek van cruciaal belang, vooral wanneer deze verhalen direct verbonden zijn met individuen uit gemarginaliseerde gemeenschappen. Hoe ga je om met je positie als publiekshistoricus en hoe zorg je ervoor dat je voldoende veilige ruimte biedt aan de betrokkenen? Hoe stel je de verschillende verwachtingen en noden van de partners op elkaar af?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">In haar presentatie besprak Thirza Vandenabeele aan de hand van deze casus het potentieel en de valkuilen van de onderhandelingsmethode. Het proces van co-creatie en enkele specifieke technieken die kunnen gebruikt worden bij het navigeren door bestaande machtsdynamieken bij het blootleggen van verborgen geschiedenissen werden uitgebreid toegelicht en in een bredere context geplaatst. Vanuit de praktijk bood zij aldus een kritische reflectie op de geschiedschrijving van ondervertegenwoordigde sociale groepen.<\/p>\n<p><strong>\u00a0<\/strong><\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Chercher les \u00ab subalternes \u00bb dans les sources du pouvoir. \u00c9thique et m\u00e9thodes<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\"><strong>Intervenant\u00b7es\u00a0<\/strong><\/p>\n<ol style=\"text-align: justify;\">\n<li><strong>Mathilde Lucic (ULB)\u00a0:\u00a0<\/strong><em><em>Chercher les jeunes filles enferm\u00e9es dans les sources religieuses (Belgique, 1840-1930)<\/em><\/em><\/li>\n<li><strong>Margaux Roberti-Lintermans (UCLouvain)\u00a0<\/strong>:\u00a0<em><em>Saisir la voix des enfants au prisme des archives d\u2019adultes. Les enqu\u00eates sociales des stagiaires de la protection de l\u2019enfance (1945-1980)<\/em><\/em><\/li>\n<li><strong>Juliette Masquelier (ULB)\u00a0:\u00a0<\/strong><em><em>Lire l\u2019engagement politique des femmes dans les archives de la Police des \u00e9trangers (1918-1958)<\/em><\/em><\/li>\n<li><strong>Samuel Dal Zilio (Universit\u00e9 du Luxembourg), Aurore Fran\u00e7ois (UCLouvain) et Anne Roekens (UNamur):\u00a0<\/strong><em>Que restera-t-il demain pour \u00e9crire l\u2019histoire des marginalit\u00e9s et subalternit\u00e9s\u00a0? Les dossiers personnels entre droit \u00e0 l\u2019information et protection de la vie\u00a0priv\u00e9e<\/em><\/li>\n<\/ol>\n<p style=\"text-align: justify;\">\n<p style=\"text-align: justify;\">Au c\u0153ur de cette session, il a \u00e9t\u00e9 question de la mani\u00e8re dont les individus et les groupes domin\u00e9s, en particulier les populations marginalis\u00e9es ou vuln\u00e9rables, n&#8217;ont laiss\u00e9 que peu de traces \u00e9crites directes, leurs existences \u00e9tant souvent document\u00e9es \u00e0 travers des sources produites par les dominants. Les dossiers personnels issus d\u2019institutions telles que les asiles, les institutions de protection de l\u2019enfance, les centres sociaux, les administrations ou encore les institutions religieuses et scolaires, sont ainsi devenus des mat\u00e9riaux incontournables pour les historien\u00b7nes. Ces sources, essentielles pour comprendre les pratiques institutionnelles vis-\u00e0-vis des personnes marginalis\u00e9es, posent toutefois des d\u00e9fis consid\u00e9rables aux chercheurs et chercheuses. Leur analyse exige de d\u00e9celer la voix et l\u2019agentivit\u00e9 des personnes concern\u00e9es dans des documents qui sont souvent marqu\u00e9s par le pouvoir et la r\u00e9gulation sociale.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">L\u2019int\u00e9r\u00eat pour ces sources ne faiblit pas dans le champ de la recherche historique. Cependant, une demande sociale croissante les rejoint, provenant directement des personnes concern\u00e9es ou de leurs descendants, d\u00e9sireux de comprendre leur propre histoire personnelle ou familiale. Certains per\u00e7oivent cette d\u00e9marche comme un recours \u00ab th\u00e9rapeutique \u00bb aux archives. Pourtant, la conservation de ces documents est de plus en plus compromise, que ce soit en raison d\u2019un manque de moyens ou de volont\u00e9 de les pr\u00e9server, ou par l\u2019application incertaine du RGPD, particuli\u00e8rement dans les institutions priv\u00e9es.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Cette session a permis d\u2019\u00e9changer autour de cette probl\u00e9matique, notamment sur les outils intellectuels et institutionnels que les historien\u00b7nes peuvent mobiliser pour extraire de ces \u00ab\u00a0sources du pouvoir \u00bb des informations permettant de raconter la vie d\u2019hommes et de femmes souvent r\u00e9duits \u00e0 de simples \u00ab fiches \u00bb dans des dossiers administratifs. Plusieurs questions m\u00e9thodologiques ont \u00e9t\u00e9 soulev\u00e9es : comment mesurer les biais inh\u00e9rents \u00e0 ces documents ? Quelles positions \u00e9thiques adopter pour humaniser des sources souvent froides et impersonnelles ? Et surtout, comment concilier le droit \u00e0 l\u2019oubli et \u00e0 la vie priv\u00e9e avec la pr\u00e9servation de la m\u00e9moire et du patrimoine, afin de sauvegarder la m\u00e9moire de toutes les classes sociales, y compris les plus marginalis\u00e9es ?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Les \u00e9changes ont mis en lumi\u00e8re la n\u00e9cessit\u00e9 de r\u00e9fl\u00e9chir \u00e0 des m\u00e9thodes rigoureuses pour analyser ces sources tout en prenant en compte les implications \u00e9thiques et l\u00e9gales de leur utilisation. Le respect des droits individuels, notamment en mati\u00e8re de vie priv\u00e9e, ainsi que la pr\u00e9servation de ces archives dans des conditions appropri\u00e9es, sont des pr\u00e9occupations majeures pour garantir que ces traces historiques, si fragiles, puissent continuer \u00e0 \u00eatre exploit\u00e9es \u00e0 des fins de recherche et de m\u00e9moire.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Valorisatie van historisch onderzoek naar subalterne groepen<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">Valorisatie groeit aan belang in historisch onderzoek. Steeds vaker vereisen projecten dat historici hun onderzoek publieksgericht communiceren en partnerschappen aangaan met groepen buiten de academische wereld. In hun panel over de valorisatie van historisch onderzoek reflecteerden Tim Debroyer (KU Leuven, FWO), Els Minne (KU Leuven), Brent Geerts (KU Leuven) en Stijn Carpentier (KADOC) over de ethische vragen die zulke partnerschappen met zich meebrengen wanneer de recente geschiedenis van weinig gehoorde groepen in beeld wordt gebracht. De besproken projecten varieerden van onderzoek naar pati\u00ebntenorganisaties, over religieuze middenveldorganisaties en de wisselwerking tussen onderzoek, onderwijs en de erfgoedsector, tot het perspectief van gastarbeiders en migratiegemeenschappen.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Tim gaf inzicht in de rijke diversiteit aan materialen die worden bewaard binnen Belgische pati\u00ebntenorganisaties. Toegang tot die materialen vraagt een groot wederzijds vertrouwen tussen de organisatie en historicus want pati\u00ebnten, hun familieleden en vrijwilligers behoren vaak tot kwetsbare groepen. Langs de andere kant zijn er publieke figuren binnen deze gemeenschappen die trots zijn op hun engagement en die niet zomaar geanonimiseerd willen worden. Tim moet de delicate balans bewaken tussen privacy bij het delen van de resultaten van dit onderzoek en ruimte laten voor publieke erkenning.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Els besprak haar onderzoek naar naoorlogse, religieus ge\u00efnspireerde armoedebestrijders. Naast een bijdrage aan het historisch debat, beoogt dat onderzoek ook een hedendaagse impact: de bestudeerde initiatieven worden via werkgroepen met elkaar en overheidsdiensten in contact gebracht. Els reflecteerde over de rol van historici als woordvoerder voor subalterne groepen in een hedendaags debat, en welke verantwoordelijkheden zo\u2019n rol met zich meebrengt. Vervalt historisch onderzoek al te gemakkelijk in een monoloog, en wat als academische interesse niet wenselijk is voor de subalterne groepen zelf?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Brents onderzoek situeert zich dan weer op het snijvlak van publieksgeschiedenis en onderwijskunde. Hij onderzoekt hoe scholen en musea educatieve producten ontwerpen die aansluiten bij de collecties van de musea. In dit project is valorisatie zowel het onderwerp van onderzoek (educatoren als publiekshistorici) als het object (onderlinge expertiseuitwisseling). Tijdens zijn presentatie benadrukte Brent de noodzaak van een interdisciplinaire aanpak en het honoreren van de gelijkwaardigheid van expertise tussen academische en niet-academische partners.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Binnen het onderzoek dat Stijn voert naar gastarbeiders, ten slotte, fungeert valorisatie als een brug tussen de academische wereld en enkele migrantengemeenschappen. Praktische uitdagingen zijn onder andere het op vrijwillige basis betrekken van subalterne groepen en het opbouwen van eerlijke partnerschappen. Stijn stelde daarbij vragen over hoe een onderzoeker de rol als bruggenbouwer kan opnemen: hoever willen of kunnen historici gaan in het vertolken van de stem van subalterne gemeenschappen? Wie bepaalt uiteindelijk het narratief en welke verantwoordelijkheid brengt dat met zich mee? En hoe blijven die partnerschappen duurzaam voortleven wanneer een project na enkele jaren geen financiering meer krijgt?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">De vier presentaties vormden slechts een aanloop naar een debat met het publiek. Het gesprek ging voornamelijk over de rol en verantwoordelijkheden van historici ten aanzien van hedendaagse subalterne groepen. Na het afronden van een project, bijvoorbeeld, vallen opgebouwde banden vaak weg en blijft de kennis achter bij de academische partners. De korte-termijn financieringslogica werkt de duurzame valorisatie van projecten tegen en cre\u00ebert in het slechtste geval wantrouwen tegenover academici. Daarnaast blijft de vraag wiens expertise te horen is in de uiteindelijke resultaten een aandachtspunt. Worden enkel partners betrokken die gratis, op vrijwillige basis kunnen meewerken of is er geld voorzien om hen voor hun moeite te vergoeden? Zulke vragen be\u00efnvloeden wie er uiteindelijk mee in een project zal stappen. Dat roept dan weer de vraag op of valorisatie een middel is om financiering binnen te halen (performatief), of een doel om maatschappelijk gedragen onderzoek te voeren (authentiek). Doorheen het debat rees de vraag welke rol een onderzoeker moet opnemen wanneer hun onderzoek gevaloriseerd zal worden. Laten ze de vertaalslag over aan partners, of maken ze die zelf? In hoeverre kan het resultaat onderhandeld worden door anderen? En zijn de rollen van activist en onderzoeker verenigbaar?<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Het panel riep bewust meer vragen dan antwoorden op: het benadrukte de noodzaak van ethische overwegingen, interdisciplinaire samenwerking en duurzame partnerschappen om waardevolle kennis te genereren en te delen. De uitdagingen en spanningen die hierbij komen kijken, bieden ook kansen voor diepgaande dialoog en begrip tussen verschillende belanghebbenden.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Histoires f\u00e9ministes\/f\u00e9ministes dans l\u2019histoire<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">L&#8217;historiographie des groupes subalternes met en lumi\u00e8re l&#8217;importance des femmes, souvent marginalis\u00e9es dans les r\u00e9cits historiques en raison de la domination masculine et des in\u00e9galit\u00e9s de genre. L&#8217;histoire f\u00e9ministe cherche \u00e0 r\u00e9parer ce silence en r\u00e9int\u00e9grant les femmes dans le r\u00e9cit \u00e0 travers des initiatives comme les dictionnaires des femmes, l&#8217;histoire des mouvements f\u00e9minins et la red\u00e9couverte de leurs r\u00f4les dans divers domaines. Les femmes auteures, journalistes et \u00e9rudites jouent un r\u00f4le crucial dans cette d\u00e9marche, car leurs activit\u00e9s, historiquement r\u00e9serv\u00e9es aux hommes, ont \u00e9t\u00e9 per\u00e7ues comme f\u00e9ministes.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Cependant, ce processus de r\u00e9int\u00e9gration est confront\u00e9 \u00e0 des d\u00e9fis m\u00e9thodologiques, car de nombreuses femmes restent invisibles dans les sources historiques. Un exemple marquant est celui de Lily Pousset, pseudonyme de la journaliste Elise Beeckman, dont le travail reste difficile \u00e0 attribuer en raison de l&#8217;anonymat de ses publications. L&#8217;historiographie f\u00e9minine en Belgique n\u00e9cessite \u00e9galement une analyse critique, car elle peut reproduire des biais de l&#8217;historiographie dominante. La table ronde s\u2019est donc concentr\u00e9e sur la red\u00e9couverte des premi\u00e8res femmes \u00e9crivaines et journalistes en Belgique, tout en r\u00e9fl\u00e9chissant aux m\u00e9thodes employ\u00e9es pour \u00e9crire leur histoire.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Une histoire des femmes dans l\u2019enseignement secondaire est-elle possible ? \u2013 Camille Provost (HELHa)<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">Si l\u2019histoire des femmes et du genre est d\u00e9sormais un champ de recherche riche et reconnu dans le milieu universitaire, sa \u00ab\u00a0vulgarisation\u00a0\u00bb reste encore \u00e0 effectuer afin d\u2019aider les enseignant\u00b7es et les \u00e9diteur\u00b7rices de manuels qui voudraient s\u2019en saisir au-del\u00e0 de l\u2019anecdote ou de \u00ab\u00a0la femme exceptionnelle\u00a0\u00bb, dans une perspective d\u2019analyse de la soci\u00e9t\u00e9 et de la construction des rapports femmes-hommes.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Depuis 30 ans, revues sp\u00e9cialis\u00e9es, articles de presse et scientifiques, rapports institutionnels pointent la n\u00e9cessaire inclusion des femmes dans le cours d\u2019histoire, afin d\u2019offrir d\u2019autres mod\u00e8les d\u2019identification, une meilleure compr\u00e9hension des soci\u00e9t\u00e9s pass\u00e9es et des rapports de domination. Or le manque de supports adoptant une approche mixte, la quasi-absence de cette question dans la formation p\u00e9dagogique et un cloisonnement entre le monde de la recherche et celui de l\u2019enseignement entravent cette inclusion. En outre, le nouveau r\u00e9f\u00e9rentiel du tronc commun dans le cadre du pacte d\u2019excellence n\u2019encourage gu\u00e8re cet effort.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Proposer une histoire mixte, plus incarn\u00e9e, d\u00e9naturaliser les rapports sociaux en en d\u00e9voilant la construction est un projet ambitieux et n\u00e9cessaire. Cela permettrait \u00e9galement de casser l\u2019id\u00e9e que beaucoup d\u2019\u00e9l\u00e8ves se font d\u2019une histoire t\u00e9l\u00e9ologique\u00a0; cette croyance en un progr\u00e8s continu et in\u00e9luctable influence leur perception de la soci\u00e9t\u00e9 et de la politique, et par l\u00e0 m\u00eame leurs comportements et engagements.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">M\u00e9moire et enseignement de l\u2019histoire en F\u00e9d\u00e9ration Wallonie-Bruxelles. Entre repentance et \u00e9mancipation\u2026 opportunit\u00e9s et risques du nouveau r\u00e9f\u00e9rentiel \u2013 Luc Blanchart (HELHa)<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">La mise en \u0153uvre du Pacte pour un Enseignement d\u2019Excellence et du Tronc Commun de 5 \u00e0 15 ans a amen\u00e9 la F\u00e9d\u00e9ration Wallonie-Bruxelles \u00e0 red\u00e9finir les disciplines d\u2019enseignement. Le cours de Formation historique, g\u00e9ographique, \u00e9conomique et sociale (FHGES) mobilise ainsi diverses sciences \u00ab\u00a0humaines\u00a0\u00bb afin de favoriser la \u00ab\u00a0compr\u00e9hension plurielle\u00a0\u00bb du monde et une \u00ab\u00a0citoyennet\u00e9 \u00e9mancip\u00e9e\u00a0\u00bb. Si le nouveau r\u00e9f\u00e9rentiel n\u2019innove gu\u00e8re par les finalit\u00e9s poursuivies, les contenus ont \u00e9t\u00e9 totalement revisit\u00e9s par l\u2019introduction de l\u2019histoire contemporaine. \u00c0 c\u00f4t\u00e9 des comp\u00e9tences et savoir-faire attendus (structuration du temps et m\u00e9thode critique), un socle commun de savoirs incontournables est d\u00e9sormais d\u00e9fini. Cependant, la lecture attentive du r\u00e9f\u00e9rentiel interroge. L\u2019\u00e9tude superficielle et parcellaire d\u2019enjeux de soci\u00e9t\u00e9 (d\u00e9veloppement durable, citoyennet\u00e9, rapports sociaux et culturels\u2026) \u00e0 travers quelques moments cl\u00e9s de l\u2019histoire sans coh\u00e9rence chronologique permet-elle vraiment aux jeunes de comprendre notre temps\u00a0? D\u2019autre part, dans leur volont\u00e9 de r\u00e9diger un \u00ab\u00a0canon historique\u00a0\u00bb qui ne dit pas son nom, les r\u00e9dacteurs du r\u00e9f\u00e9rentiel ne d\u00e9rogent pas \u00e0 une histoire d\u00e9terministe, h\u00e9ro\u00efque et eurocentr\u00e9e, voire belgocentr\u00e9e, tr\u00e8s \u00e9loign\u00e9e des acquis de la recherche historique et ne r\u00e9pondant pas \u00e0 la promesse d\u2019une histoire critique et \u00e9mancipatrice.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">De waarde van erfgoed en historische distantie om controversi\u00eble onderwerpen makkelijker bespreekbaar te maken in het onderwijs<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">De sessie werd ingeleid door Martine Vermandere van het Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis. Ze gaf uitleg over het educatieve piloottraject dat momenteel bij Amsab-ISG loopt. Het onderzoek van Vital Stichelbaut is het meest recente resultaat uit dit traject.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Vital Stichelbaut, deeltijds praktijkassistent aan de vakgroep geschiedenis (UGent) en deeltijds student binnen de educatieve masteropleiding (UGent), schreef dit academiejaar een educatieve masterscriptie over het omgaan met controversi\u00eble onderwerpen in het secundair onderwijs via erfgoed en historische distantie. Concreet ontwierp hij een lespakket rond het thema \u2018homoseksualiteit\u2019. Leerlingen gaan hierbij aan de slag met archiefstukken uit het archiefbestand van de Rooie Vlinder, een Belgische socialistische actiegroep voor de bevrijding van homoseksualiteit (1976-1981).<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Recent onderzoek van \u00c7avaria (2023) toonde aan dat 60,4% van de bevraagde LGBTQIA+ leerlingen zich op school onveilig voelt vanwege hun seksuele ori\u00ebntatie. Daarnaast voelt bijna de helft (45,1%) van de bevraagde LGBTI+ leerlingen zich ongemakkelijk tot zeer ongemakkelijk om zelf LGBTQIA+ thema\u2019s in de klas bespreekbaar te maken.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Vital Stichelbaut lichtte zijn (voorlopige) onderzoeksbevindingen en zijn zelf ontworpen lespakket toe. Vervolgens vond er een rondetafelgesprek plaats met Joris Van Doorsselaere en Na\u00efma Lafrachi. Joris Van Doosselaere is deeltijds leerkracht geschiedenis in het secundair onderwijs en onderzoeker en onderwijsassistent aan de Universiteit Gent. Hij onderzoekt de relatie tussen erfgoed en geschiedenisonderwijs. Na\u00efma Lafrarchi is jurist, onderwijskundige en Master of Science in Instructional and Educational Science. Zij werkt aan een onderzoeksproject (UGent) om een didactisch-pedagogisch instrument te ontwikkelen waarmee geschiedenisdocenten in het Vlaamse secundair onderwijs beter kunnen omgaan met controversi\u00eble en historisch gevoelige onderwerpen. Hildegarde van Genechten, adviseur participatie en educatie bij Faro, modereerde de rondetafel. Naast de onderzoeksvraag van de scriptie, werd met de deelnemers ook ingegaan op de vragen: wat wordt beschouwd als een controversieel onderwerp, hoe kunnen emoties een plaats krijgen in het onderwijs, en wat is de rol van empathie?<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Collecties in evenwicht? Omgaan met de ondervertegenwoordiging van vrouwen in erfgoedcollecties<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\">Liberas organiseerde een sessie rond de omgang met de ondervertegenwoordiging van vrouwen in erfgoedcollecties. Liberas-onderzoeker en publieksmedewerker Kim Descheemaeker, gespreksmoderator van dienst, stelde vast hoe de erfgoedwereld de roep om meerstemmigheid omarmt.\u00a0 Zeker aan genderdiversiteit wordt een groeiende aandacht besteed. Meerdere musea zetten tentoonstellingen op over vrouwelijke kunstenaars en plaatsen vraagtekens bij de representativiteit van hun collecties op gebied van genderevenwichten. Archiefinstellingen focussen meer en meer op vrouwenstemmen en zoeken naar sporen van de strijd voor vrouwenrechten in hun collecties. In de historiografie is het perspectief verschoven van vrouwengeschiedenis naar gendergeschiedenis. Dit perspectief wordt de laatste jaren meer en meer verrijkt door \u2018subaltern studies\u2019 om machtsrelaties te onderzoeken in het verleden en het heden. Liberas nodigde verschillende sprekers uit de archiefwereld en museale wereld uit om op basis van concrete projecten en vanuit de verschillende erfgoedfuncties te reflecteren over manieren om (historische) vrouwenstemmen in erfgoedwerking meer centraal te plaatsen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Vrouwen van kleur<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Els Flour, verbonden aan het Archief- en Onderzoekscentrum voor Vrouwengeschiedenis (AVG-Carhif), presenteerde haar ervaringen met de functies \u2018herkennen en verzamelen\u2019 en \u2018behouden en borgen\u2019. Ze duidde hoe het AVG-Carhif en het Fonds Suzan Daniel in het midden van de jaren 1990 werden opgericht om zich te ontfermen over archieven die in het toenmalige archieflandschap onderbelicht bleven: van organisaties en personen uit de vrouwenbeweging en uit de LGBT-gemeenschap. Als partner van het\u00a0<a href=\"https:\/\/www.fondssuzandaniel.be\/public_html\/fsd\/nl\/wie%20zijn%20we.html\">Fonds Suzan Daniel<\/a>\u00a0staat het AVG-Carhif in voor de bewaring van archieven uit de lesbische beweging. Els Flour kaartte aan hoe zelfs het AVG-Carhif, een erfgoedcentrum dat zich focust op een brede emancipatiebeweging (de vrouwenbeweging en feministische beweging buiten de klassieke zuilen en personen en organisaties die werken rond gender), moeite ondervindt om een representatieve collectie op te bouwen. Dit komt onder andere door de op het heden en de toekomst gefocuste werking van feministische militanten. Organisaties van vrouwen van kleur vormen dan weer een blinde vlek in de collecties van het AVG-Carhif. Dat er een duidelijk vraag is om die lacune in te vullen bleek onder meer uit de publieke aandacht voor de \u2018herontdekking\u2019 van het leven en het oeuvre van de Belgisch-Congolese schrijfster N\u00e8le Marian (Mathilde Huysmans, 1906-2005). De twee door AVG-Carhif bewaarde archiefdozen in verband met het levensverhaal en oeuvre van N\u00e8le Marian werden de laatste jaren, hoe gering in omvang ook, intens geconsulteerd.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Vrouwen op kieslijsten<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>\u00a0<\/strong>Nyala Nauwelaers belichtte voor de functie \u2018onderzoeken\u2019 haar stage voor de Master Gender en Diversiteit bij Liberas. Ze deed in Liberas onderzoek naar de posities binnen de liberale beweging in Vlaanderen ten aanzien van genderquota in de politiek, vanaf de jaren 1980 tot vandaag. Dat vrouwen vandaag steevast op de eerste of tweede plaats van kieslijsten staan en dat kieslijsten paritair samengesteld zijn, is het resultaat van een stapsgewijs proces van onderhandelen achter de schermen binnen een evoluerende tijdsgeest. Sommige opiniemakers pleiten vandaag voor de afschaffing van de kiesquota. Vanwege het gelijkheids- en vrijheidsbeginsel is het aanvaarden van kiesquota voor de Vlaamse liberalen nooit een evidente zaak geweest. Het stageonderzoek gebeurde deels op basis van archief- en tijdschriftcollecties, zoals de gedigitaliseerde collectie kernteksten van de liberale partijen en het gedigitaliseerde partijblad van VLD, <em>De<\/em> <em>Burgerkant<\/em> (1993-2004). Het is belangrijk op te merken dat een beperking tot dergelijk door de partij gevormd archief \u2013 en documentatiemateriaal niet altijd toelaat bepaalde nuances of informele discussies rond vrouwenkwesties, die achter de schermen plaatsvonden, naar de oppervlakte te brengen.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Het afnemen van interviews hielp om de deelcollectie van Liberas rond politieke partijen en hun fracties rond deze thematiek van meer context te voorzien. Het vrouwenmanifest van VLD-Vrouwen, uitgebracht in 1992, presenteerde quota bijvoorbeeld als \u2018lapmiddelen die een die een aantasting betekenen van de vrije keuze van mannen en vrouwen\u2019. Het jaar daarop nam VLD in haar statutencongres de intentie om zeker 1\/5 vrouwen op kieslijsten na te streven, zoals opgenomen in de PVV-statuten van 1982, niet over. Uit de interviews met enkele prominente boegbeelden van de liberale vrouwenbeweging kwam naar boven dat de principi\u00eble houding van VLD tegen quota in de jaren 1990 niet mag doen vergeten dat achter de schermen bij PVV\/VLD-Vrouwen geen sprake was van een volledig eensgezind standpunt. Iris Van Riet, auteur van het vrouwenmanifest, worstelde naar eigen zeggen met het topic van quota en gaf te kennen dat de afwijzing van quota in het liberale vrouwenmanifest er enkel kwam na de nodige discussie en debat. PVV-boegbeeld Annemie Neyts is bijvoorbeeld steeds voorstander van verplichte quota geweest. Zij zag in 1982 echter dat een \u2018verplicht streven\u2019 op dat moment, met de aanvang van het meer op harde economische thema\u2019s gerichte en neoliberaal geladen \u2018Verhofstadt-tijdperk\u2019, het hoogst haalbare was.<\/p>\n<p><strong>\u00a0<\/strong><\/p>\n<p><strong>Het penseel in vrouwenhanden<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>\u00a0<\/strong>Wat betreft de erfgoedfunctie \u2018presenteren en toeleiden\u2019 had Stefan Huygebaert, curator bij Mu.ZEE te Oostende, het over <em>Anna Boch: Een impressionistische reis<\/em>, een tentoonstelling die tussen 1 juli en 5 november 2023 meer dan 93.000 bezoekers trok. Dat het om een expo over een vrouwelijke kunstenaar ging was duidelijk een factor in het succes. Hoewel ze Belgi\u00ebs meest prominente vrouwelijke kunstenaar rond 1900 was, staat Anna Boch (1848-1936) bovenal bekend omwille van een historisch feit dat niet direct met haar eigen kunst te maken heeft. Ze kocht tijdens zijn leven een kunstwerk van\u00a0<a href=\"https:\/\/nl.wikipedia.org\/wiki\/Vincent_van_Gogh\">Vincent van Gogh<\/a>, op het Salon van Les XX in\u00a0<a href=\"https:\/\/nl.wikipedia.org\/wiki\/1890\">1890<\/a>. Huygebaert stond stil bij de keuze om in de tentoonstelling de veelzijdigheid van Anna Boch (meer dan alleen haar eigen kunstpraktijk) nadrukkelijk te tonen en appreci\u00ebren. De curators kozen voor de presentatie van levensgrote foto\u2019s van Anna in haar ateliers in woonsten, omringd door meubelen die ze voor zichzelf liet ontwerpen, of op reis in een (luxe)auto ergens aan de Franse kust. Ondanks de duidelijke opzet van de tentoonstelling om Anna Bochs kunst in de schijnwerpers te zetten, plaatste een recensent in een stuk voor de NRC haar oeuvre toch opnieuw in de schaduw van haar mannelijke \u2018mentor\u2019 Isidore Verheyden en het portret van haar broer Eug\u00e8ne door Van Gogh.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Anna Boch was geen vrouw in de \u2018marge\u2019 van de geschiedenis, maar viel als onafhankelijk vrouw met een neus voor talent wel op in de Belgische kunstwereld van het fin de si\u00e8cle. Anna Boch werd geboren in een erg welgesteld milieu. Haar familie was eigenaar van de Manufacture Boch Fr\u00e8res Keramis in La Louvi\u00e8re, waar de thematiek van \u2018het penseel in vrouwenhanden\u2019 een heel andere connotatie kreeg. Tijdens een eerdere sessie op de Dag van de Nieuwste Geschiedenis kwam een mondelinge geschiedenisproject, uitgevoerd door het Centre d&#8217;Animation et de Recherche en Histoire Ouvri\u00e8re et Populaire, aan bod dat in 2011 de penibele omstandigheden documenteerde waarin arbeidsters van het keramiekbedrijf tot diep in de 20<sup>ste<\/sup> eeuw voor een karig loon moesten werken om het servies zo snel mogelijk te beschilderen met de hand.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Vrouwen van papier<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\">Voor wat betreft de erfgoedfunctie \u2018participeren\u2019 kwamen Els Depuydt en Liesbeth Langouche van de Openbare Bibliotheek Brugge aan het woord. Depuydt en Langouche lichtten het project \u2018Vrouwen van Papier\u2019 toe. Via participatie van een groep enthousiaste vrijwilligers realiseerde het project een online brieveneditie van het corpus brieven geschreven door vrouwelijke correspondenten van Guido Gezelle (1830-1899).\u00a0 Guido Gezelle wisselde brieven uit met 200 vrouwen in binnen- en buitenland. Hij schreef met baronessen, burgerdames, dienstmeisjes, religieuzen, zakenvrouwen, fabrieksmeisjes, Engelse vrouwen en inwijkelingen, biechtelingen en familieleden. Het project haalt deze vrouwen uit de schaduw van de geschiedenis.\u00a0Op een breder niveau wil dit project een steentje bijdragen aan de \u2018gendergap\u2019 in biografische databanken. Zo werd op 8 maart, internationale vrouwendag, een Wikipedia-schrijfsessie georganiseerd voor de creatie van Wikipedia-pagina&#8217;s over een aantal notabele vrouwen uit dit register.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n                    <h2 class=\"block-title\">Binnen het systeem maar buiten de boeken: (on)macht en marginaliteit in Congo-historiografie<\/h2>\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p style=\"text-align: justify;\"><strong>Rondetafelgesprek met individuele presentaties door Felix Deckx, Hannah de Korte, Simon Nsielanga Tukumu en Mick Feyaerts\u00a0(KULeuven)<\/strong><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><em>In deze sessie reflecteerden drie doctoraatsstudenten van de KU Leuven (Mick Feyaerts was verontschuldigd) over hun zoektocht naar geschikte bronnen voor de geschiedschrijving over Congolezen tijdens en na de kolonisering. Zowel in de introductie als tijdens de bijdragen werd sterk de nadruk gelegd op de nood aan een creatieve benadering van het bronnencorpus en de ambigue relatie tussen de historiografie over subalterne groepen en de niet altijd neutrale kwalificering van deze groepen als \u2018subaltern\u2019 of \u2018marginaal\u2019. <\/em><\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Hannah de Korte<\/strong> ging dieper in op haar onderzoek naar de geschiedenis van ziektebestrijding in Congo. Ze focuste in het bijzonder op de geschiedenis van de zogenaamde \u2018sanitaire brigades\u2019, door de koloniale overheden opgerichte brigades van Congolese arbeiders die er op werden uitgestuurd om de verspreiding van Malaria tegen te gaan, onder meer door het droogleggen van moerassen. De Korte beschreef haar moeilijke zoektocht naar bronnenmateriaal over deze brigades en haar methodologie om via een combinatie van close reading en de confrontatie van verschillende documenten inzicht te verwerven in hun bestaan. Ze concludeerde dat de arbeiders van deze brigades enerzijds ondergeschikt waren aan de koloniale overheid, maar anderzijds toch een grotere bewegingsvrijheid genoten dan vele andere Congolezen.<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Felix Deckx<\/strong> legde de focus op de bronnen van zijn doctoraatsonderzoek naar de evolutie van de behandeling, ervaring en socioculturele betekenis van lepra in (Belgisch) Congo tussen 1930 en 1970. In de loop van deze decennia verbleven duizenden Congolezen in tientallen leprozerie\u00ebn verspreid over het land. Over hun leven, verblijf en behandeling is weinig bekend. Mondelinge bronnen bieden deels een oplossing, maar vele voormalige pati\u00ebnten zijn reeds overleden. Deckx slaagde er toch in om hun sporen en agency te traceren via een close reading van traditionele koloniale en missionaire bronnen (Congolese tijdschriften onder voogdij van missiecongregaties, brieven van Congolezen aan Belgische artsen in de leprozerie\u00ebn en gerechtelijke verslagen van conflicten in de leprozerie\u00ebn).<\/p>\n<p style=\"text-align: justify;\"><strong>Simon Nsielanga Tukumu<\/strong> belichtte zijn doctoraatsonderzoek over praktijken en discours van dekolonisering binnen de Soci\u00ebteit van Jezus in Congo (tussen 1960-2000). De focus lag op de zoektocht naar bronnen die het toelaten om te traceren of er sprake was van vormen van dekolonisering binnen de soci\u00ebteit. Via zijn onderzoek wil Nsielanga Tukumu ook analyseren hoe Afrikaanse jezu\u00efeten binnen de soci\u00ebteit navigeerden na de onafhankelijkheid en op welke manier ze binnen de nieuwe provinciestructuren eigen, Congolese of Afrikaanse accenten legden.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>\n\n\n<section  class=\"contemporanea-section full-width-text\">\n    <div class=\"contemporanea-container\">\n        \n                    <div class=\"block-text lh-2\"><p>Met dank aan Paul Drossens, Johannes Van De Walle, Vincent Mazy, An Rydant, Els Minne, Xavier Dabe, Martine Vermandere, Christoph De Spiegeleer en Kristien Suenens voor de verslagen.<\/p>\n<\/div>\n            <\/div>\n<\/section>","protected":false},"author":11,"featured_media":0,"template":"","format":"standard","meta":{"_acf_changed":false,"footnotes":""},"class_list":["post-1213","article","type-article","status-publish","format-standard","hentry"],"acf":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/article\/1213","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/article"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/types\/article"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/users\/11"}],"version-history":[{"count":16,"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/article\/1213\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1511,"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/article\/1213\/revisions\/1511"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.contemporanea.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1213"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}