David Koussens, La laïcité organisée en Belgique francophone. Un culte pas comme les autres (Éditions de l’Université de Bruxelles, 2025), 142 p.
Na eerder al een discoursanalyse te hebben gemaakt van de productie van het Centre d’Action Laïque, de Franstalige koepelvereniging van het georganiseerd vrijzinnig humanisme in België, richt socioloog David Koussens zich in dit korte boek als buitenlander op een vraag die voor Belgische historici tegelijk vanzelfsprekend en onthullend is: hoe bijzonder is de (Franstalige) Belgische “laïcité organisée” eigenlijk, en wat leert die bijzonderheid ons over de verhouding tussen (politieke, filosofische of levensbeschouwelijke) overtuiging, institutionele erkenning en publieke financiering? Het boek vertrekt daarbij van een voor België cruciale constatering: de staat erkent en financiert niet alleen religieuze culten, maar ook het georganiseerde niet-confessionele levensbeschouwelijke veld, vertegenwoordigd door het vrijzinnig humanisme. Koussens gebruikt die Belgische casus om preciezer te vragen wat in deze context nog onder “cultus”, “religie” en “laïcité” te begrijpen valt.
Voor historici zijn vooral de eerste twee van de vier hoofdstukken het meest relevant. Daarin plaatst Koussens de Franstalige Belgische situatie in een breder analytisch kader en toont hij hoe een buitenlands perspectief de eigenheid van het Belgische levensbeschouwelijke landschap zichtbaar maakt. De sterkte van die benadering is dat ze de vanzelfsprekendheden van het nationale debat doorbreekt: niet het onderscheid tussen religieus en vrijdenkers staat centraal, noch al dan niet bruikbare ideeën over verzuiling. De focus ligt daarentegen op de institutionele vertaling van overtuigingen in een bestel waarin ook ongelovigen via parallelle financierings- en erkenningsmechanismen kunnen worden ingebed. Dat is historisch precies een van de meest opvallende Belgische eigenaardigheden, en Koussens maakt daar terecht een analysekader van in plaats van louter een curiositeit.
Tegelijk is het boek ook een impliciete aanwijzing van hoeveel werk er voor Franstalig België nog te doen blijft. De historiografie van vrijdenken, vrijzinnigheid en georganiseerd humanisme is in België sowieso relatief beperkt, maar voor Wallonië en Brussel is ze nog schraler dan voor Vlaanderen. Waar voor de naoorlogse periode in Vlaanderen intussen meer onderzoek beschikbaar is, blijft de Franstalige kant vaak afhankelijk van institutionele zelfbeschrijvingen, sporadische archiefvormen van organisaties en enkele geïsoleerde studies. Dat maakt Koussens’ boek waardevol als overzicht en als probleemstelling, maar tegelijk ook als signaal: het veld is nog lang niet voldoende aangeboord, zeker gezien de internationale uniciteit van ons levensbeschouwelijk landschap. Wie de specifieke ontwikkeling van de Franstalige laïcité wil begrijpen, kan niet volstaan met organisatorische geschiedenis alleen. In het recent geredigeerde Religions et laïcités en France et en Belgique, 1990-2020 van Philippe Portier en Jean-Philippe Schreiber werd een ruimer Frans-Belgisch debat terecht aangekaart, maar ook daarin blijft het Nederlandstalige de hoofdmoot, terwijl de Franstalige zijde veel sterker verbonden blijft met oudere laïcistische tendensen en minder affiniteit voelt met het naoorlogs levensbeschouwelijk humanisme. De details blijven teveel onder de radar.
Daarin ligt meteen ook de oproep besloten die dit boek voor historici bevat. Wie dit onderzoeksterrein verder wil uitbouwen, moet minstens langs drie assen werken. Ten eerste is aansluiting nodig bij sociologische en antropologische inzichten, omdat het niet volstaat overtuigingen als abstracte categorieën te behandelen of enkel intellectuele productie van organisaties en voormannen (en vrouwen) te analyseren: men moet begrijpen hoe actoren overtuigingen ervaren, benoemen en institutioneel vormgeven. Ten tweede zijn methoden uit de sociale geschiedenis onmisbaar om individuen, families en groepen te reconstrueren en om de concrete sociale dragers van filosofische dan wel levensbeschouwelijke praktijken in kaart te brengen. Ten derde is er nood aan een nauwere verbinding met het historisch onderzoek naar minoritaire religies en grensfiguren. Onderwijs, het socioculturele veld en bio-ethische kwesties bieden daarbij bijzonder vruchtbare ingangen.
Koussens’ boek is dus geen synthese waar historici volledig op kunnen leunen, maar wel een nuttige uitnodiging om het Belgische geval ernstiger en ruimer te onderzoeken. Juist omdat de eerste hoofdstukken zo helder tonen hoe iemand van buitenaf de Belgische bijzonderheid leest, maakt het boek zichtbaar hoe veel nog ongeschreven is over de Franstalige geschiedenis van georganiseerd vrijzinnig humanisme. Voor Belgische historici is dat minder een beperking dan wel een programma.
Rejoignez-nous
Consultez les liens ci-dessous
