Een prehistorisch dier of toch vooral een monsterlijk idee? Cultuurhistorisch onderzoek naar de dinosaurus in de negentiende eeuw
Vandaag de dag heeft het natuurhistorisch museum in Brussel de grootste dinosauriërhal in heel Europa. De kiem daarvan werd zo’n 150 jaar geleden gelegd, toen er voor het eerst een dinosaurus te bezichtigen was, namelijk een Iguanodon. In 1878 stuitten mijnwerkers in Bernissart, een Belgisch mijndorpje, op tientallen skeletten van die soort. Hoewel dat een bijzondere vondst was, werden er al sinds het begin van de negentiende eeuw op verschillende plaatsen in de wereld steeds meer fossielen opgegraven. Dat was op zich niet nieuw. Vondsten van vreemde beenderen die de verbeelding tartten, zijn er altijd al geweest. Ze stellen de mens van oudsher voor raadsels, maar de antwoorden daarop zijn steeds tijds- en contextgebonden.
In de negentiende eeuw daagden die fossielen de toen courante tijdsopvattingen uit. De gevonden botfragmenten leken immers niet afkomstig te zijn van gekende dieren. Stilaan rijpte het besef dat het ging om wezens die ooit op deze aardbol rondgelopen hadden, maar intussen niet meer bestonden. Dat wilde ook zeggen dat de aarde veel ouder was dan tot dan toe algemeen aangenomen. Wetende dat ‘sauriërs’ – want dat is de naam die vele van deze dieren kregen – stamden uit een ongekend ver verleden, probeerden niet alleen wetenschappers, maar ook het bredere publiek de dieren te begrijpen.
De vondst in Bernissart betekende wereldwijd een enorme sprong vooruit in de paleontologische kennis van wat we vandaag kennen als dinosauriërs – een subgroep van de bredere biologische categorie van de sauriërs. Het zou echter verkeerd zijn om onze omgang met dinosauriërs te reduceren tot wetenschappelijk onderzoek. In 1854 vergaapten bezoekers van Sydenham Park in Londen zich aan verschillende standbeelden van ‘voorwereldlijke dieren’ of ‘monsters’, want zo werd de fauna van vóór het menselijke bestaan genoemd. Beelden van die dieren doken steeds meer op in de publieke ruimte: bijvoorbeeld in La terre avant le déluge (1863), een populariserend wetenschapsboek van Louis Figuier; in Mosasaurus Giganteus (1895), een kortverhaal dat in een Belgisch tijdschrift verscheen; of in de schilderijen van kunstenaar Charles Knight. Met andere woorden, het historische verhaal van deze prehistorische monsters is er niet alleen een van de wetenschap, maar ook van de cultuurgeschiedenis. Meer nog, het is altijd een cultuurgeschiedenis. Niemand heeft immers ooit een dinosaurus van vlees en bloed gezien. Hoe verbeelden mensen wat ze nooit gezien, gehoord of ervaren hebben? Ook al biedt de paleontologie aanknopingspunten om een dinosaurus als levend wezen te verbeelden, de mens put altijd uit culturele opvattingen, zoals bijvoorbeeld over evolutie, decadentie, intelligentie, geweld, gender, enzovoort.
De laatste drie decennia trachten onderzoekers steeds meer te begrijpen welke vormen de verbeelding van dinosauriërs aannam in de negentiende (en twintigste) eeuw. In dit artikel belicht ik hoe dat onderzoek aanvankelijk aangewakkerd werd door een (academische) interesse in historische paleokunst, het visueel afbeelden van prehistorisch leven. Daarna trek ik dat historiografisch veld open naar de dinosaurus als een cultureel construct en bespreek ik hoe onderzoekers uit verschillende disciplines de beeldvorming van dinosauriërs bestudeerd hebben. Dat koppel ik aan enkele reflecties: hoe kan nieuw onderzoek de resultaten van die benaderingen verrijken? Tot slot haal ik kort aan hoe inzichten uit andere onderzoeksdomeinen nieuwe perspectieven op de cultuurgeschiedenis van dinosauriërs kunnen aanreiken. Waar mogelijk leg ik een bijkomende focus op de geschiedschrijving over de Belgische casus.
Dinosauriërs in paleokunst
Vandaag kennen we de Iguanodon als een planteneter, eentje met een lange staart, die zich op vier poten rond bewoog en met zijn bekachtige mond bladeren naar binnen werkte. Dat is te zien op reconstructies van hedendaagse paleokunstenaars. Dergelijke visuele reconstructies van prehistorisch leven – en meer specifiek van (dino)sauriërs – doken al in de negentiende eeuw op, al zou je, met de blik van vandaag, de Iguanodon op afbeeldingen van de jaren 1850 niet herkennen. Die paleokunst vormde vanaf de jaren 1960 en 1970 bovendien steeds meer onderwerp van kritisch onderzoek. Paleontologen werden zich ervan bewust dat deze beelden niet louter het resultaat waren van wetenschappelijke reconstructies, maar omgekeerd ook de uitkomst van fossielenonderzoek mee stuurden.
Sindsdien verschenen er verschillende studies over de visuele representaties van dinosauriërs. Meestal situeren auteurs die paleokunstwerken op een tijdlijn die strekt van 1830, toen Henry de la Beche Duria Antiquior schilderde, tot de productie van Jurassic Park in de jaren 1990. Schrijfster Zoë Lescaze en kunstenaar Walton Ford geven het meest volledige overzicht. Anderen, onder wie historicus Jean Le Loeuff, verdiepten zich in één specifiek kunstwerk of bestudeerden hoe kunstenaars en wetenschappers samenwerkten ? Gilles Vranken gooide het over een andere boeg in zijn masterproef Kunstwetenschappen en Archeologie en koos één dinosauriërsoort waarvan hij de artistieke representatie uit de negentiende eeuw onder de loep nam: de Iguanodon bernissartensis. Hij concludeerde dat de opstelling in het Brusselse natuurhistorische museum een grote invloed had op de beeldvorming van die dinosaurus. Veelal blijven dergelijke studies helaas steken op een beschrijvend niveau en verbinden auteurs die beelden amper met de historische (en culturele) context waarin ze tot stand kwamen. Een belangrijke uitzondering daarop is geoloog en historicus Martin Rudwick. Hij toonde aan dat ‘scenes of deep time’, waarop ook sauriërs te zien zijn, in de eerste helft van de negentiende eeuw hun vorm ontleenden aan de stijl van Bijbelse en natuurwetenschappelijke illustraties.
Dinosauriërs als cultureel construct
Paleokunst van dinosauriërs evolueert doorheen de tijd. Dezelfde dinosaurus ziet er anders uit naargelang de context waarin en het moment waarop het kunstwerk gemaakt werd. Sommige auteurs verbinden die evolutie zonder meer met voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Daarmee gaan ze echter voorbij aan de dinosaurus als een menselijk en cultureel construct. De dinosaurus is namelijk niet enkel een dier dat ooit in het verre verleden geleefd heeft. ‘De dinosaurus’ is ook een idee, een concept, een cultureel construct dat verandert van context tot context. Overigens zien we dinosaurussen niet alleen, we schrijven, lezen en vertellen er ook over. Onderzoek naar de dinosaurus als cultureel construct beperkt zich daarom niet tot visuele beeldvorming, maar betrekt ook – en misschien vooral – tekstuele verbeeldingen.
Iconoloog W.J.T. Mitchell problematiseert in The Last Dinosaur ‘de dinosaurus’ als een puur wetenschappelijke categorie en stelt dat het dier de relatie tussen mens en natuur belichaamt. Hij noemt de dinosaurus daarom het ‘totem animal of modernity’. Tot vandaag blijft Mitchell een belangrijke auteur in cultuurhistorisch onderzoek naar dinosauriërs, maar misschien vooral omwille van de interessante perspectieven die hij aanlevert en niet zozeer om de antwoorden die hij biedt. Ralph O’Connor merkt bijvoorbeeld terecht op dat met de idee van een totemdier de betekenis van de dinosaurus nog niet achterhaald is; ‘it simply restates [the T.D.K.] question in a more pointed form’. In tegenstelling tot Mitchell heeft antropoloog Brian Noble een erg gerichte onderzoeksfocus door enkele specifieke casussen uit het begin van de twintigste eeuw te bestuderen, zoals de Tyrannosaurus rex in het New Yorkse natuurhistorisch museum en de monsters uit The Lost World, een science fiction verhaal van Arthur Conan Doyle. Noble gebruikte (onder andere) het analytisch concept ‘performativiteit’, een verdienstelijke manier om beeldvormingsprocessen op een genuanceerdere manier te begrijpen. Hij stelt vast hoe motieven van mannelijkheid, imperialisme en racisme ingebed zijn in voorstellingen van T. rex en merkt op dat verschillende historische actoren, zoals wetenschappers en schrijvers, die motieven steeds herhalen en zo in stand houden. Nobles aanpak loont, want in tegenstelling tot Mitchell, die eerder fragmentarisch te werk ging, kan hij de vinger leggen op erg concrete beeldvormingsprocessen. Hij slaagt erin de historische interpretatie van T. rex tastbaarheid te verlenen, door een specifiek moment, met particuliere actoren, systematisch uit te diepen.
Ook literatuurwetenschappers bogen zich over de dinosaurus als cultureel construct. Richard Fallon bestudeerde hoe kennis over dinosauriërs in Victoriaans Engeland verspreid werd in tekstvorm, gaande van populariserende wetenschapsteksten over science fiction-verhalen tot wetenschappelijke papers. Dinosauriërs werden opgegraven in Amerika, Britse auteurs schreven erover en die teksten werden op hun beurt dan weer gelezen werden door zowel het Amerikaanse als het Britse publiek. Dat zorgde ervoor dat imperialistische en nationalistische opvattingen de beeldvorming van dinosauriërs beïnvloedden, stelt Fallon, wat hij beschouwt als het resultaat van een transatlantische uitwisseling. Daarnaast verdiepten historici Paul Semonin en Lukas Rieppel zich verder in dat motief van dominantie. Semonin wijst er zo op dat we steeds praten over dinosauriërs in termen van dynastieën en overheersing – zowel nu als in het verleden. Volgens hem liggen sociaal darwinistische opvattingen die in het midden van de negentiende eeuw opkwamen daaraan ten oorsprong, terwijl Rieppel dit eerder situeert in ‘an older, laissez-faire model of social organization’.
En buiten de Engelstalige wereld?
Het merendeel van cultuurhistorisch onderzoek naar dinosauriërs bestudeert enkel de Anglo-Amerikaanse wereld. Europese cultuurgeschiedenissen van dinosauriërs blijven onderbelicht. Cultuurhistoricus Ilja Nieuwland keek daarom naar het begin van de twintigste eeuw, toen Amerikaans filantroop Andrew Carnegie gipsen Diplodocus-exemplaren schonk aan Europese natuurhistorische musea. Nieuwland gebruikte het antropologische model van een ‘thick description’ van Clifford Geertz en toonde zo dat Carnegie tot op zekere hoogte controle had over de gift zelf, maar niet over de culturele betekenis die het Europese publiek aan die gipsen fossielen toekende. Enkel Shana Van Hauwermeiren voerde cultuurhistorisch onderzoek dat op België focuste. In haar masterproef geschiedenis stelde ze vast dat de Iguanodon in de periode 1878-1920 niet alleen erg gekend was, maar journalisten het dier zelfs in tal van situaties als metafoor gebruikten.
Niet enkel Amerika kent dus een cultuurgeschiedenis van dinosaurussen, in tegenstelling tot wat de historiografie misschien doet vermoeden. Het lijkt het beeld te scheppen dat vondsten op eigen bodem cruciaal zijn om dinosaurussen ook in culturele milieus te introduceren. Het loont volgens mij echter om van dat idee af te stappen. In België verschenen dinosaurussen bijvoorbeeld al in de jaren 1860 in ‘wetenschapsspektakels’, terwijl er pas in 1878 dinosaurusfossielen gevonden werden. Onderzoek naar Europa, Azië en Afrika is dus nodig om het narratief uit de historiografie te verbreden. Bovendien kan een transnationaal perspectief daarbij het onderzoeksveld verrijken. Beelden van dinosaurussen houden zich niet aan de landsgrenzen; ze circuleren. Dat wil daarentegen niet zeggen dat die beelden overal op dezelfde manieren functioneren. Daarom is het interessant om van context tot context te bestuderen hoe nieuwe betekenissen geprojecteerd werden op bestaande (visuele of tekstuele) beelden.
Dé dinosaurus?
Literatuurwetenschapper Ralph O’Connor beantwoordt niet zozeer de vraag hoe ‘de dinosaurus’ historisch vorm kreeg, maar oppert in een sterk artikel hoe we (methodologisch) dichter tot de betekenis van dat concept kunnen komen. Hij pleit ervoor om verder te gaan dan een close reading van teksten en de terugkerende elementen met een bredere historische context te verbinden. Hij stelt namelijk vast dat over de dieren geschreven werd als angstwekkende, vreemde, lelijke, oude wezens die de verwondering prikkelen. De auteur toont dat die motieven door verschillende mensen op allerlei manieren gecombineerd werden en dat het nodig is om die enorme variëteit en de culturele achtergrond van die verschillende discoursen te begrijpen, als we ook de betekenis van ‘de dinosaurus’ willen vatten.
Dat de beeldvorming rond dinosauriërs veranderlijk is, wordt ook duidelijk in de invloed die het beoogde doelpubliek uitoefende op de termen waarmee wetenschappers over de dieren schreven. Professor Film Studies John McGowan-Hartmann toont hoe die auteurs zich beriepen op het beeld van draken om dinosauriërs bevattelijker te maken voor dat niet-gespecialiseerde publiek. Wezens uit mythische verhalen raakten zo verweven in wetenschappelijke narratieven. Daar stopte de betekenisgeving niet. O’Connor toont dat wetenschappers het begrip van de dinosauriër niet unilateraal stuurden. Het bredere publiek las over de dieren, ging zelf aan de slag met de karakteristieken die ze in die teksten tegen kwamen en construeerde zo mee nieuwe en diverse betekenissen van ‘de dinosaurus’.
Meer aandacht voor de volatiliteit van het concept ‘dinosaurus’ is dus zinvol. Vooralsnog komt de idee van de dinosaurus – het gebruik van het bepaald lidwoord zegt al het zijne – redelijk monolithisch naar voren. Er waren echter niet alleen meerdere dinosauriërsoorten gekend, ook de betekenisgeving kon verschillen van context tot context. Door beeldvorming meer te lokaliseren – in specifieke individuen, publicaties, lezingen, enzovoort – kan de idee ‘dinosaurus’ op een concreter en gediversifieerder niveau geanalyseerd worden. Het artikel van O’Connor is daartoe een goede aanzet.
Dinosauriërs zijn geen monopolie van de wetenschap
De laatste jaren gaat er in het bredere cultuurhistorisch onderzoek meer aandacht uit naar hoe amusement en wetenscapscommunicatie elkaar in het verleden versterkten. Onderzoekers toonden namelijk aan dat het brede publiek meestal buiten het museum in contact kwam met wetenschap, bijvoorbeeld op kermissen of in theaters. Sauriërs doken zo bijvoorbeeld op in voorstellingen over de geschiedenis van de aarde voor het bestaan van de mens, waarbij de magische lantaarn vaak een verdienstelijk medium was. Het publiek leerde prehistorische dieren echter niet alleen kennen via wetenschapsdeling. Ook in fictieliteratuur en op theaterpodia maakten sauriërs hun opgang in de negentiende eeuw. De wetenschap heeft immers niet het monopolie over het dier; ook buiten de (spreekwoordelijke) muren van de wetenschapsbeoefening kon het brede publiek de dinosaurus als concept consumeren. Om de beelden in wetenschappelijke milieus te begrijpen, is het dus noodzakelijk om ook net de wisselwerking met beeldvorming in andere contexten te bestuderen. Het lijkt me daarom vruchtbaar om los te komen van de paleontologie als het (nagenoeg) enige startpunt voor de cultuurgeschiedenis van dinosauriërs en te kijken naar de manieren waarop dinosauriërverbeeldingen steeds opnieuw, op verschillende plaatsen en in verschillende sferen, tot stand kwamen.
Conclusie
Wanneer je de historiografie erop naslaat, wordt het cultuurhistorische verhaal van dinosauriërs getypeerd door een erg Anglo-Amerikaans narratief dat de paleontologie vaak als startpunt neemt. Dat verhaal heeft nood aan diversifiëring. Onderzoek heeft er baat bij om de geografische schaal open te trekken, voorbij de Engelstalige wereld, en een transnationaal perspectief te hanteren. Bovendien vraagt de wisselwerking tussen beeldvorming uit wetenschappelijke en culturele milieus om bijkomende aandacht. Door dit te bestuderen op een erg concreet niveau en ruimte te laten voor de wording van ‘de dinosaurus’ – en het concept niet als een robuust gegeven te beschouwen – kan nieuw onderzoek de relatie tussen specifieke contexten en specifieke betekenissen beter belichten.
In het project ‘Between Reality and Fantasy: Imagining Dinosaurs in Belgian Science and Culture from 1854 to 1914’ tracht ik aan enkele van die hiaten toe te komen. Daarvoor bestudeer ik de beeldvorming van (dino)sauriërs in fictieverhalen, populariserende wetenschapsteksten, wetenschapsopvoeringen en natuurhistorische musea in België (1854-1914). Zo belicht ik hoe in Belgische culturele en wetenschappelijke milieus dinosauriërverbeeldingen ge(re)construeerd werden, hoe ze evolueerden en hoe ze met elkaar interageerden. Mijn onderzoek vergroot zo het begrip van een transnationale cultuurgeschiedenis van dinosauriërs in België in de tweede helft van de negentiende eeuw.
Contacteer ons
Dat kan via onderstaande link