‘Bezet Bedrijf’? Nico Wouters over tentoonstelling rond de bezettingspolitiek van de NMBS tijdens de Tweede Wereldoorlog
Nog tot en met 28 juni kan in Train World, het museum van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) in Schaarbeek, de tentoonstelling ‘Bezet Bedrijf’ bezocht worden. Die tentoonstelling focust op de houding van de NMBS tijdens de Tweede Wereldoorlog, en ontstond op basis van het gelijknamige en in 2023 verschenen boek van Nico Wouters, hoofd van het CegoSoma (Rijksarchief), die eerder ook een overheidsrapport over de bezettingspolitiek van het spoorwegbedrijf schreef. Hij ontdekte tijdens zijn onderzoek onder meer dat de NMBS door de Duitse bezetter betaald werd voor het uitvoeren van deportaties.
Hoe is de tentoonstelling ‘Bezet Bedrijf’ eigenlijk tot stand gekomen?
Dat was een initiatief van de NMBS. Het feit dat uit mijn onderzoek was gebleken dat de NMBS betalingen had ontvangen voor het uitvoeren van deportaties tijdens WOII, was verrassend voor zowel de NMBS als de beleidsmakers. Daar was ook in de media veel aandacht voor. Ik vermoed dat de NMBS daarom snel geschakeld heeft. Ze hebben mij vrij snel na het verschijnen van het rapport en mijn boek gecontacteerd om een tentoonstelling op te zetten, omdat ze zelf ook wisten dat ze iets met die geschiedenis van de bezetting moesten doen. In Train World een expo organiseren lag dan voor de hand.
In reactie op mijn onderzoek heeft de toenmalige federale minister van Mobiliteit bovendien een zogenaamde ‘Groep der Wijzen’ opgericht. Opnieuw vermoed ik dat dit vooral een reactie was op het historische feit van die betalingen. In het rapport van die ‘Groep der Wijzen’, dat in februari 2025 gepresenteerd werd, staan ook beleidsaanbevelingen, en een daarvan was om een tentoonstelling te organiseren in Train World. Maar op dat moment waren wij daar dus al mee bezig.
Was het moeilijk om de vertaalslag van het boek en het overheidsrapport naar de tentoonstelling te maken?
Moeilijk was dat niet, het enige probleem was de tijdsdruk. Normaal werken de mensen van Train World twee jaar aan een tentoonstelling, maar nu moest dat binnen de tien maanden gebeuren. Ik heb ook een grotere rol opgenomen dan dat ik op voorhand voor ogen had. Ik dacht dat ik vooral zou moeten controleren of de inhoud historisch correct was. Maar ik heb eigenlijk quasi alle thematische beslissingen genomen en ook de inhoudelijke teksten geschreven. Ik kreeg inhoudelijk een volledige vrijheid, en zat telkens min of meer op dezelfde lijn als de mensen van Train World. De tentoonstelling is vrij klassiek opgebouwd. Het verhaal wordt op een chronologische manier verteld, en weerspiegelde mijn boek dus ook min of meer. Maar het is natuurlijk niet gemakkelijk om complexe inhoud in een korte en bevattelijke tekst samen te vatten.
De enige echte discussie die er is geweest, was die met de juridische dienst van de NMBS. Die hadden opmerkingen bij enkele van mijn teksten, bijvoorbeeld bij het gebruik van het woord ‘deportatie’. Volgens het internationaal recht vandaag is dat een schending van de mensenrechten, maar die wetgeving bestond natuurlijk nog niet ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Dus de juridische dienst van de NMBS had liever dat ik dat woord niet gebruikte. Ik heb dan duidelijk gemaakt dat het alles was, of niets. Ik wilde die passage niet laten herschrijven, of toch zeker niet inhoudelijk. Mijn teksten zijn uiteindelijk ook door de juridische dienst aanvaard.
Train World is een museum met een permanente opstelling, waar de tijdelijke tentoonstelling telkens wordt ingepast. Was het een uitdaging om op die manier te werk te gaan?
Dat was inderdaad niet evident. Neem nu het voorbeeld van de zogenaamde spooktrein. Dat was de trein van 3 september 1944 die vanuit Brussel-Zuid aan het einde van WOII nog snel politiek vervolgden wilde deporteren, maar uiteindelijk door het verzet werd tegengehouden. De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd, dus dat hoort in principe aan het einde. Maar het type locomotief dat voor die trein werd gebruikt staat ergens in het midden van de permanente tentoonstelling. Dus dan moet je een van de verhalen van het einde van de bezetting toch al vrij vroeg in de tentoonstelling vertellen.
In de tentoonstelling wordt er ook gebruik gemaakt van artificiële intelligentie, onder meer door bepaalde personages tot leven te wekken en hen te laten spreken. Hoe is dat idee ontstaan, en heeft dat voor discussies gezorgd?
Dat idee kwam van Train World. Zij hadden dat in eerdere tentoonstellingen reeds gebruikt. Ik ben daar niet over in discussie gegaan. Ik vond het een interessant idee en was benieuwd. De enige voorwaarde was uiteraard dat ik de inhoud kon bepalen en de teksten mocht schrijven.
We brengen onder meer een Duitse officier, een verzetsman en de toenmalige directeur-generaal van de NMBS Narcisse Rulot tot leven met AI. Die eerst twee zijn vrij anonieme figuren, maar de directeur-generaal is misschien een stuk controversiëler. Je hoort hem zijn beleid verdedigen en verantwoorden. Die stem is uiteraard ook met AI gegenereerd; hij spreekt vloeiend Nederlands, terwijl die man dat nooit heeft gesproken. Uiteraard zorgt dat voor discussies: waar ligt de grens? Sommige collega’s vonden dat dat te ver ging, omdat volgens hen beelden en teksten op die manier gemanipuleerd werden.
Maar wat die man zegt is gebaseerd op historisch onderzoek, op basis van verklaringen en rapporten van zijn hand die ik in de archieven heb gevonden. Hij verdedigt zijn beleid en dat sluit aan bij de vragen die we met de tentoonstelling willen stellen. Dus daar vind ik het functioneel. Ik vind het bijvoorbeeld problematischer wanneer acteurs worden ingezet in TV-reeksen om historische scènes na te spelen, puur voor de beleving. Dan zet je de historische realiteit naar je hand zonder goede reden en wordt het fictie.
De tentoonstelling sluit af met vragen voor het publiek: was wat de NMBS deed tijdens de Tweede Wereldoorlog een vorm van collaboratie of niet? Men probeert de nuance op te zoeken. Daarom de vraag: heeft de NMBS gecollaboreerd?
Voor mij gaat het niet om collaboratie. Uiteraard zijn er collega’s die het daar niet mee eens zullen zijn. Ik vind de ondertitel van de tentoonstelling, ‘Tussen collaboratie en verzet’, daardoor ook niet fantastisch. Inhoudelijk zegt dat helemaal niets. Wat is dat dan, tussen collaboratie en verzet? Dat is hetzelfde als ‘grijs verleden’: klinkt mooi, maar het zegt niets. Het gaat om een extreme vorm van de politiek van het minste kwaad.
De tentoonstelling lijkt erg in te zetten op het idee van ‘verantwoordelijkheid’. Is de discussie daarover belangrijker dan het antwoord op die collaboratie-vraag?
Bij de NMBS, maar ook toen ik het rapport schreef voor de overheid, was er natuurlijk de vraag rond ‘verantwoordelijkheid’. Bij de tentoonstelling moest die term terugkomen, en ook de pedagogische dienst van de NMBS wilde daar iets mee doen. Hun publiek denkt namelijk ook in die termen. Dat maakt dat net die vragen aan het einde van de tentoonstelling centraal staan: wie is er nu eigenlijk verantwoordelijk? Als historicus heb ik uiteraard moeite met de notie van verantwoordelijkheid – in mijn ogen is dat geen wetenschappelijke term. Maar ik schreef het rapport voor een opdrachtgever, en die verwachtte dat ik dat woord wél zou gebruiken. Ik heb daarom de term zelf gedefinieerd en uitgelegd dat ik het zuiver in een historische context gebruik, niet in juridische, politieke of morele zin.
Het antwoord blijft uiteindelijk ook erg genuanceerd. De toenmalige directeur-generaal van de NMBS, Narcisse Rulot, draagt uiteraard individuele verantwoordelijkheid. Dat kwam ook doordat die man tijdens de oorlog zijn bevoegdheden flink uitbreidde: er was geen politieke bevoogding meer, de raad van bestuur werkte nauwelijks nog, en met de vakbonden moest hij geen rekening meer houden. Hij had dus veel persoonlijke macht, die hij bij momenten ook zal gebruiken. Het was dus ook ten dele aan hem, met al die macht, om te protesteren wanneer dat nodig was.
Maar er is ook zoiets als een collectieve verantwoordelijkheid van de Belgische staat en daar leg ik ook een focus op. Ik vind bijvoorbeeld dat de mensen boven de directeur-generaal, maar ook het bredere Belgische establishment, een zware verantwoordelijkheid dragen omdat zij hoe dan ook mee de NMBS naar die samenwerking met de Duitse bezetter hebben geduwd. Zij wisten ook wat er aan de hand was, en zijn dus ook verantwoordelijk. Aan het begin van mijn carrière had ik het misschien niet gedurfd, maar nu vind ik dat een historicus de term ‘verantwoordelijkheid’ moeten durven gebruiken.
Wat met de verantwoordelijkheid van de individuele personeelsleden van de NMBS?
Dat is erg complex. Vooreerst: wat de machinisten bijvoorbeeld zelf dachten is voor mij een raadsel. Om die reden komt dit onderzoek eigenlijk te laat. Verschillende getuigen leven namelijk niet meer. Het enige wat we hebben qua getuigenissen is een interview door een ambtenaar die op de dienst oorlogsslachtoffers werkte. Die heeft in 1972 een van de machinisten van dat befaamde 20ste konvooi geïnterviewd. Maar de vragen die daar werden gesteld, blijven erg oppervlakkig.
Waarom moest net die bepaalde machinist dat konvooi besturen? Kon die dat dan niet weigeren? Wat ging er door die machinist heen qua emoties? Heeft die dat vaker moeten doen? Net die vragen zijn interessant omdat de Duitse instructies stelden dat er voor die deportatietreinen uitsluitend uiterst betrouwbaar Belgisch personeel mocht worden ingezet. Dat betekent dus dat de mensen die die treinen bestuurden de samenwerkingspolitiek van de NMBS met de bezetter ondersteunden? Langs de andere kant: er was ook een immens gebrek aan personeel en treinen. Dus misschien werd het personeel van die deportatietreinen eerder pragmatisch, willekeurig gekozen.
Wat kan het antwoord op die vragen zijn?
Interessant is wat het archiefmateriaal ons daarover vertelt. De NMBS kreeg vaak pas twee dagen op voorhand te horen dat ze een deportatietrein moeten rijden, en zij moesten dus in allerijl mensen en materiaal zoeken. Dan wordt dat proces erg logistiek: welke locomotieven hebben we nog? Welke treinstellen hebben we nog? Maar ook: waar staan die? En dan kan het zijn dat een machinist die toevallig bij een bepaald rangeerstation hoort en beschikbaar is, dat die die trein moest besturen. Maar door gebrek aan bronnen, weten we dat dus niet zeker.
Bij het maken van het boek ‘Gewillig België: Overheid en Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog’ in 2007, waarvoor ik een hoofdstuk over de NMBS schreef, dachten we dat er een soort van antisemitisme bij bepaalde delen van de Belgische elite en ambtenaren heerste – of xenofobie, omdat de meeste Joden niet van Belgische afkomst waren. Dat antisemitisme kon dan ook een verklaring zijn voor het gebrek aan protest bij de NMBS tegen de bezettingspolitiek. Maar de NMBS heeft ook nooit geprotesteerd tegen deportaties van dwangarbeiders of verzetsmensen. Zo is er bijvoorbeeld een machinist waarvan ik zeker weet dat die zelf een verzetsman was, die ook verzetsmensen heeft gedeporteerd.
Bovendien zijn er daarover ook na de oorlog nooit opmerkingen gekomen. Neem bijvoorbeeld de Nationale Confederatie van de Politieke Gevangenen, een belangenvereniging van politiek gevangenen en dus een sterke en machtige lobbygroep, die hebben nooit een klacht tegen de NMBS ingediend. Ook in de verzetspers is er daar nooit iets over gezegd. Op zich vind ik dat echt verrassend, want dat toont toch aan dat er een soort van algemeen aanvaarde consensus was dat wat de NMBS tijdens de bezetting deed, onvermijdelijk was. Dat men dus geen keuze had.
Was het de bedoeling om het publiek van de tentoonstelling ook over die vragen van verantwoordelijkheid na te laten denken?
Inderdaad. Ik heb tijdens mijn hele carrière de politiek van het minste kwaad bestudeerd, maar ik denk dat dat bij het grote publiek toch nog niet zo bekend is. Om die reden ben ik ook akkoord gegaan om de tentoonstelling mee op te zetten. Ik zag het als een kans om een complex thema onder de aandacht van het brede publiek te brengen.
Ik hoop dat de tentoonstelling voldoende nuance brengt, en de complexiteit van die bezettingsperiode weerspiegelt. Dat is belangrijk, want ik heb de indruk dat we steeds meer kennis en inzicht over de Tweede Wereldoorlog verliezen, en dat we daardoor terug in oude zwart-wit scenario’s aan het denken zijn. Dertig jaar geleden dacht ik dat we daar definitief van af zouden zijn. Maar nu blijkt dat onze kennis kan toenemen, terwijl er tegelijk ook meer misbruik van geschiedenis en desinformatie is. Net om die reden ben ik blij dat we in de tentoonstelling niet meegaan in het zoeken naar een vorm van daderschap, maar dat we ruimte laten om de complexiteit van verantwoordelijkheid te duiden.
Dat brengt me dan tot de vraag: waarom heeft het zo lang geduurd voordat er gedegen onderzoek naar en een tentoonstelling over de NMBS tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam?
Dat fascineert mij ook. Wat betreft de erfenis van de Tweede Wereldoorlog valt op dat veel kennis vaak voorhanden was, maar dat dat niet werd opgepikt in het maatschappelijk debat. Dat de NMBS deportaties had uitgevoerd, was ook na de oorlog al geweten. Het is niet dat dat een geheim was. In het hoofdstuk dat ik in 2007 schreef in ‘Gewillig België’ over de collaboratie door de NMBS, stond al dat er Belgische machinisten en treinen werden gebruikt voor de deportatie van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien was dat niet eens iets dat ik zelf had ontdekt; daar was al onderzoek naar gevoerd in het verleden.
Ik weet nog dat ik bij het schrijven aan dat hoofdstuk in 2007 verrast was door de reikwijdte van de samenwerking: dat er Belgische machinisten en treinen gebruikt waren, dat vond ik verregaand. Ik dacht: hier gaat toch reactie op komen? Maar het tegendeel was waar: niemand stelde daar vragen over. Zelfs niet toen in 2012, bij de opening van Kazerne Dossin, de toenmalige gedelegeerd bestuurder van de NMBS, Jannie Haek, over de samenwerking van de NMBS met de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog had gesproken.
Het was dus blijkbaar wachten op een maatschappelijke verschuiving en media-aandacht die er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat er ook politieke aandacht voor dit verleden kwam. En wanneer er dan een regeringsopdracht komt, geeft dat het onderzoek ook meer gewicht.
Hoe komt het dat er dan plots wel een overheidsopdracht werd uitgeschreven?
Dat had vermoed ik vooral te maken met wat er in het buitenland gebeurde. In Nederland en Frankrijk zijn er schadevergoedingen door de nationale spoorwegmaatschappijen, de NS en de SNCF, betaald. Bovendien heeft de Joodse gemeenschap, die sterk internationaal georganiseerd is, ook systematisch druk uitgeoefend op de Belgische regering en de NMBS. Ik kreeg zelf vanaf 2017 ook regelmatig vragen daarover. Toch kwam de uiteindelijke beslissing van de overheid om een onderzoek op poten te zetten in januari 2022, ook voor mij als een verrassing.
De tentoonstelling in Train World loopt nog tot eind juni. Wat moet er daarna gebeuren met de herinnering aan dit stuk geschiedenis van de NMBS?
Het heeft volgens mij geen zin om in elk station herinneringsplekken in te richten, maar een duurzaam ankerpunt ergens in het land is het overwegen waard. Train World heeft in haar permanente tentoonstelling een van de deportatiewagons staan, en de tekst daarover is herschreven. Maar ik hoop dat ze, zeker naar het onderwijs toe, samen met Kazerne Dossin of de Stichting Auschwitz, een soort van permanente module ontwikkelen over de bezettingsperiode. Want deze tentoonstelling is tijdelijk, en het zou fout zijn om te denken dat de pagina daarmee omgeslagen is.
Er wordt ook vaak over schadevergoedingen gesproken – ook in het buitenland, zoals eerder gezegd. Is dat opportuun?
Recent zijn er twee klachten ingediend tegen de NMBS, finaal ook met het doel een schadevergoeding te kunnen ontvangen. Ik kan daar nu moeilijk iets over zeggen, zeker omdat er ook een discussie gaande is tussen de minister en de NMBS. In het rapport staat namelijk dat er sprake is van een collectieve historische verantwoordelijkheid, wat ook de Belgische staat zou betrekken. Binnenkort zal het gerecht daar mogelijk een oordeel over moeten vellen, wat op zich ook interessant is.
Daarbij wordt de vraag dan ook: aan wie moet de NMBS die vergoeding dan betalen? Er zijn verschillende Joodse organisaties in België, maar er zijn ook andere slachtoffergroepen met de politiek gevangenen en de dwangarbeiders. Dat blijft delicaat: wie vertegenwoordigt vandaag nog al die slachtoffers?
Maar eigenlijk vind ik de kwestie van de schadevergoedingen secundair. Je zou immers ook kunnen zeggen dat de NMBS door deze tentoonstelling te organiseren reeds een deel heeft terugbetaald. Bovendien: mocht de NMBS de 53 miljoen Belgische franken die ze van de Duitse bezetter heeft ontvangen investeren in onderwijs, tentoonstellingen en herinneringstrajecten, dan zou ik dat persoonlijker interessanter vinden. Zo kiest de NMBS er dan voor om op een duurzame manier om te gaan met haar eigen geschiedenis en herinnering.
Is er nog ruimte voor toekomstig onderzoek naar de NMBS tijdens de bezetting?
De financiële afwikkeling na de bezetting vind ik zelf erg interessant. Mijn boek en de tentoonstelling stoppen kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar op dat moment is er een enorme discussie gaande binnen de Belgische staat over de financiële afwikkeling van de oorlog. De NMBS had immense schulden. Wie zou die schulden betalen en hoe?
Dat hangt ook samen met de betalingen die de NMBS tijdens de bezetting van de Duitse bezetter ontving. In de boekhouding zijn die niet meer te vinden. Maar ik zou eigenlijk graag de jaarverslagen en -rapporten eens in de diepte bekijken. Op welke manieren duiken de betalingen uit Duitsland in de cijfers op? Duiken die überhaupt op? Hoe zijn die verrekend in de globale inkomsten en uitgaven van de NMBS? Dat heb ik tijdens mijn onderzoek onvoldoende kunnen bestuderen.
Contacteer ons
Dat kan via onderstaande link