×

Message d'erreur

  • Warning : Illegal string offset 'header' dans bvng_publicatie_header_view() (ligne 797 dans /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Notice : Array to string conversion dans bvng_publicatie_header_view() (ligne 797 dans /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Warning : Illegal string offset 'header' dans bvng_publicatie_header_view() (ligne 807 dans /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Notice : Array to string conversion dans bvng_publicatie_header_view() (ligne 807 dans /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).

Over stedelijkheid en emoties. Interview met Anneleen Arnout

Nel de Mûelenaere

Nederland is, zo blijkt ook uit onze vroegere expat-rubriek, een aantrekkelijke werkomgeving voor Belgische academici. Ook het academische brein van Dr. Anneleen Arnout verliezen we dit jaar aan onze noorderburen, die haar beloonden met de prestigieuze Veni-financiering (NWO). In 2015 behaalde Arnout haar doctoraat Sights/sites of splendor: the shopping landscape in nineteenth-century Brussels (UA & KUL). Nu begint ze aan een nieuw project over emoties in grootsteden. Tijd voor een kort afscheidsinterview.

Waarom fascineert de stedelijke cultuur in de negentiende eeuw je?

Tijdens mijn masterjaar in Leuven maakte ik tijdens een seminarie cultuurgeschiedenis voor het eerst kennis met de literatuur over de Victoriaanse burgerlijke cultuur en de negentiende-eeuwse stad. Er kwam toen zoveel inspirerend onderzoek aan bod, dat het al snel een uitgemaakte zaak was dat ik voor mijn doctoraatsonderzoek over de ‘moderne metropool’ wilde werken. Negentiende-eeuwse steden zijn gewoon superspannende plekken. Voor de meeste steden is de negentiende eeuw een periode van ingrijpende veranderingen. De bevolkingsgroei is er ongezien; het verkeer draait in de soep; de contrasten zijn er groot. Er wordt gebouwd en verbouwd. Er wordt geëxperimenteerd met nieuwe technologieën en ideeën. De stad is de scène bij uitstek waarop het burgerlijke leven zich met al haar voorschriften en regels afspeelt. Tegelijkertijd is het ook de plek waar die negentiende-eeuwse burgerij uitgedaagd wordt en waar de cultuur die ze voorstaat ook op losse schroeven kan komen te staan.

Je hebt gepubliceerd over kunst- en antiekhandel, over consumptie, en nu over emoties in de stad? Wat is – naast de stedelijke cultuur - de rode lijn in je werk? Hoe gaat het ene over in het andere?

De vraag die ik uiteindelijk probeer op te lossen is hoe stad en stedelingen elkaar vormgeven. Ik vertrek daarbij steevast vanuit een ruimtelijk en materieel perspectief en ik ben vooral geïnteresseerd in aspecten van populaire cultuur en alledaagse ervaringen en handelingen. Binnen de moderne metropool lag de keuze voor consumptie en kleinhandel voor de hand. De negentiende eeuw is een periode waarin het consumptielandschap de publieke ruimte in steden koloniseert. Je kan de negentiende-eeuwse stad niet begrijpen zonder het consumptiegedrag en het winkellandschap in rekening te brengen. In de loop van mijn onderzoek kwam ik tot de vaststelling dat er over de moderne metropool altijd in hoog-emotionele termen wordt geschreven, maar dat die emotionaliteit nooit empirisch is onderzocht. In mijn Veni-project ga ik uitzoeken of de processen van verstedelijking veranderingen teweegbrachten in de emotionele repertoires van stedelingen.

Na je doctoraat heb je een irregulier maar tegelijkertijd ook typisch academisch traject van verschillende jobs afgelegd, kan je een woordje uitleg geven?

Ik heb de afgelopen maanden drie jobs gecombineerd in drie steden. Aan de Radboud Universiteit Nijmegen en aan de Universiteit Antwerpen had ik een onderwijsopdracht als historica. In Nijmegen doceerde ik historische vaardigheden aan bachelor studenten van het eerste jaar en begeleidde ik een aantal bachelor scripties. Aan de Universiteit Antwerpen heb ik in het kader van de bachelor scriptie een collegereeks opgezet over zintuigen en emoties in de moderne metropool en begeleidde ik studenten in hun onderzoek binnen dat thema. Bij Odisee Hogeschool Brussel werkte ik aan een onderzoek over langlevende familiebedrijven binnen het studiegebied Bedrijfskunde. Samen waren de drie jobs goed voor 90%.

Wat zijn voor jou de voordelen en nadelen geweest van dat constante wisselen van academische omgeving?

Het grote voordeel is dat ik een ontzettend gevarieerd jaar achter de rug heb. Na vijf jaar monomaan aan je doctoraat te hebben gewerkt, is dat wel fijn. Elke werkplek heeft zijn eigen cultuur. Er wordt op een andere manier over onderwijs en onderzoek gedacht. Er worden andere dingen van je verwacht als collega en werknemer. Dat verschil is sowieso verrijkend – des te meer omdat ik op elke plek een andere opdracht had. In Antwerpen en Nijmegen leerde ik bachelor studenten het historisch métier eigen maken. Bij Odisee bracht ik dan weer mijn dagen door tussen bedrijfskundigen op een interdisciplinair project. Die combinatie zorgde ervoor dat ik met een nieuw perspectief naar mijn eigen onderzoek en discipline leerde kijken.

Dat je voortdurend van focus moet wisselen heb ik zowel als een moeilijkheid en als een voordeel ervaren. Je bent nooit meer dan twee dagen op één plek en je moet kort op de bal spelen. Als het lukt, geeft dat ontzettend veel voldoening. Je wordt ook echt goed in organisatie en planning en dat zijn bijzonder handige skills om te beheersen. Wat ik zelf als het grootste nadeel heb ervaren is het gevoel dat je ‘vliegende reporter’ bent. Je holt voortdurend van de ene plek naar de andere en bent overal en nergens. Met drie werkplekken heb je veel collega’s, maar je hebt geen tijd om ze echt te zien of te leren kennen.

En was dat te combineren? Correleert het aantal procenten met de werkuren die je er werkelijk insteekt?

Het is geen ideale situatie en ik denk niet dat het jaren vol te houden valt, maar ik kreeg het uiteindelijk wel gebolwerkt. De combinatie was zeker een uitdaging en vergde veel organisatie. Er kwam ook veel reistijd bij kijken. Ik moest mijn week strak plannen – zeker toen bovenop de drie jobs ook de Veni-procedure in een stroomversnelling kwam. Uiteraard is er altijd meer werk dan tijd, maar uiteindelijk lukte het op een of andere manier toch. Ik had wat dat betreft wel het geluk dat het zwaartepunt van mijn opdracht aan de UA vooral in het eerste semester lag – voor ik aan de andere twee jobs begon. Ik heb toen veel meer gewerkt dan de procenten die ik had, maar dat gaf me in het tweede semester meer marge. Die was op dat moment meer dan welkom.

Je begint nu in Nijmegen aan project rond de emotionele beleving in Londen, Amsterdam en Parijs (1850-1930). Op welke maatschappelijke groepen concentreer je je in het bijzonder?

Voor het nieuwe project ga ik vooral gebruik maken van pers, autobiografische bronnen en populaire literatuur. In principe wil ik een dwarsdoorsnede van de samenleving kunnen maken, maar de bronnen beperken de mogelijkheden enigszins. In de praktijk zullen de midden- en hogere klassen meer aan bod komen dan de lagere klassen. Via populaire literatuur, (socialistische) pers en andere (sociaalkritische) publicaties wil ik toch een beeld proberen te krijgen van de lagere groepen in de verschillende steden.

Het project neemt de Eerste Wereldoorlog en een stuk van het Interbellum mee in de onderzoek scope. Waarom deze atypische cesuur?

1914 wordt vaak als een soort ‘natuurlijke’ grens van de negentiende eeuw en de haar typerende urbanisering gezien. Dat is natuurlijk niet noodzakelijk zo. Hoewel de bevolkingstoename na 1900 afneemt, zijn een aantal processen van de negentiende-eeuwse urbanisatie nog volop aan de gang. Ik denk bijvoorbeeld aan de verspreiding van lichtreclame of de uitbouw van sociale woonwijken. Het is belangrijk om die cesuur op z’n minst in vraag te stellen aan de hand van empirisch onderzoek.

Waarom heb je ervoor gekozen om ook in Nederland een project aanvraag te doen?

Er waren een paar redenen. Onderzoeksfinanciering is zo moeilijk vast te krijgen dat het me verstandig leek om op meerdere paarden te wedden. Omwille van de afstand en de taal vermoed ik dat Nederland voor veel Vlaamse onderzoekers vanzelfsprekend deel uitmaakt van het sollicitatiegebied. Voor mij speelde mee dat ik graag bij Jan Hein Furnée wilde werken. Hij is vorig jaar in Nijmegen tot hoogleraar Europese Cultuurgeschiedenis benoemd. Omwille van zijn onderzoeksinteresses en cultuurhistorische ‘stijl’ was hij de meest logische persoon in de lage landen om aansluiting bij te zoeken. Ook niet onbelangrijk was de persoonlijke overweging dat mijn echtgenoot al een vaste baan had in Nederland en dat een Veni-beurs ons leven een pak minder ingewikkeld zou maken.

De Veni-financiering brengt je in Nijmegen, waar je ook het laatste jaar werkte als docent, zie je grote verschillen tussen de Belgische en Nederlandse academische cultuur?

Er zijn natuurlijk de typische dingen zoals mondigere studenten en kortere lunchpauzes in Nederland. Maar wat mij misschien het meest opviel was dat alles tot in de puntjes in percentages wordt berekend. Alle onderwijsactiviteiten tellen mee, van de begeleiding van het aantal bachelor scriptanten tot het coördineren van een master.

- Nel de Mûelenaere