Contemporanea
Tome XLII Année 2020 Numéro 2

La Parole à...

Doctoreren in Cambridge: een gesprek met Eva Schalbroeck

Eva Schalbroeck is momenteel aan de slag als wetenschappelijk medewerker bij Bestor (Belgian Science and Technology Online Resources). Tussen 2014 en 2019 verbleef ze echter in Cambridge, waar ze aan de University of Cambridge eerst een masterjaar volgde en vervolgens haar doctoraat behaalde. Een bijzondere ervaring waar we Eva graag eens over uithoren.

Eva, je hebt uiteindelijk 5 jaar in Cambridge gestudeerd en gewerkt. Hoe ben je daar in de eerste plaats terecht gekomen?

Ik deed mijn masterjaar in cultuurgeschiedenis met Kaat Wils als promotor. Zij had aangegeven dat een doctoraat voor mij tot de mogelijkheden behoorde en zij had me aangemoedigd om een jaar in het buitenland te studeren. Via een master in het buitenland kon ik internationale ervaring opdoen die natuurlijk goed staat op je cv als je een projectaanvraag wil doen. Om eerlijk te zijn was ik oorspronkelijk op zoek naar een plaats in de VS, ook omdat Kaat Wils zelf daar een master gedaan. Door omstandigheden is de financiering daarvoor helaas niet doorgegaan. Dan ben ik een beetje noodgedwongen beginnen kijken welke universiteiten nog deadlines hadden die open stonden en zo kwam ik uit bij de Britse universiteiten. Het is dus in die zin geen bewuste keuze geweest, er speelde ook toeval mee. Zodra ik wist dat ik voor een Britse universiteit zou gaan, was Cambridge wel een logische keuze: ik had en heb een grote interesse in koloniale geschiedenis en rond dat thema, Congo, centraal Afrika, religie, waren er een heel aantal onderzoekers die interessant waren om mee samen te werken. Zo is de keuze gevallen op Cambridge.

Je hebt na je MPhil daar zowel in Leuven als in Cambridge een doctoraatsaanvraag ingediend. Waarom heb je ervoor gekozen om ook in Groot-Brittannië een projectaanvraag te doen? Was dat een heel ander proces of zijn beide procedures gelijklopend?

Ja, je bent natuurlijk nooit zeker van een plek, dus wedden op één paard verkleint je kansen enorm. Eerst was het de bedoeling om enkel mijn master in Cambridge te doen, maar zodra je daaraan start begin je quasi onmiddellijk opnieuw van nul: je moet vrijwel meteen solliciteren voor een positie na je master en ook dan leek het de beste keuze om verschillende universiteiten aan te schrijven. Je hebt dus een aantal opties in gedachten en dan is het natuurlijk ook wat afwachten wie er ‘ja’ zegt. Een beetje onverwacht kreeg ik de kans om mijn doctoraat in Cambridge te starten, met dezelfde promotor die mijn masterproef daar had begeleid.

Er zijn inderdaad wel verschillen in de aanvraagprocedures. Een doctoraatsaanvraag bij het FWO is eerlijk gezegd veel uitgebreider. De informatie en planning die je moet toevoegen is veel gedetailleerder dan wat ik aan mijn aanvraag bij Cambridge moest toevoegen. In Cambridge geven ze je iets meer vrijheid bij het schrijven van zo’n projectvoorstel. Dat is tegelijk een voordeel en een nadeel. Je weet minder goed wat concreet verwacht wordt, ook naast het doctoraat. Bijvoorbeeld wat lesgeven betreft. Ik heb tijdens mijn doctoraatsonderzoek les gegeven, maar het was niet verplicht. Ik heb er zelf voor gekozen omdat ik er ervaring in wilde opdoen. Dat zijn dingen die bij het FWO meer afgebakend zijn. De aanvraag voor FWO was uitgebreider, maar ook systematischer, waardoor je achteraf natuurlijk wel een duidelijker kader hebt om op terug te vallen.

Het was erg interessant om de procedures te kunnen vergelijken. Het helpt me ook bij mijn huidige sollicitaties om de soms sterk verschillende procedures te kunnen kaderen en de uitkomst te relativeren. De vereisten verschillen vaak, maar nu weet ik dat dat te maken heeft met verschillen in academische of bedrijfscultuur. De beslissingen hebben dan ook niet altijd iets te maken met jou als persoon; het verschil in procedures kan gewoon soms in je voordeel en soms in je nadeel werken. Veel hangt bovendien natuurlijk ook af van hoeveel andere mensen naar dezelfde positie meedingen en wie de aanvragen beoordeelt.

Soms denken mensen ook wel eens “Oh, je bent naar Cambridge geweest, dan zullen alle deuren wel automatisch open gaan”, maar het is geen gouden ticket. Na een doctoraat daar sta je geen stapje voor op anderen met een doctoraat. Je begint ook gewoon terug van nul te solliciteren. Er is niet een uniforme academische cultuur die, eens je die beheerst, overal toegang geeft.

Je koos voor een onderzoek naar Belgische koloniale geschiedenis, meer bepaald een onderzoek naar de werking van en debatten over de Commission pour la protection des indigènes tussen 1908 en 1957. Waarom fascineert dit onderwerp je zo?

Ik denk dat het in de lessen van prof. Goddeeris over European Colonisation was dat de theorieën over waarom bepaalde landen andere landen gaan koloniseren aan bod kwamen. Vaak kwam dat neer op het idee van de beschavingsmissie. Die notie, dat zo’n idee een hele geschiedenis kon aandrijven, vond ik enorm interessant. Mijn masterproef in Leuven ging over een soort propaganda- en studievereniging, daar ben ik begonnen met mijn exploratie van de interactie tussen ideeën, overtuigingen en de praktijk. Ik wilde weten hoe dat idee van de beschavingsmissie een impact had op de propaganda en studie. Later ben ik dan op dat spoor verder gegaan. Mijn recente onderzoek naar de Commission pour la protection des indigènes is een studie naar het koloniale beleid aan de hand van die commissie en is vooral een ontleding van hoe bepaalde ideeën en debatten worden vormgegeven, bijvoorbeeld debatten rond respect voor lokale culturen, opvattingen over assimilaties etc. In plaats van dat soort opvattingen in het abstracte te bekijken, wil ik zien hoe ze evolueren onder invloed van de praktijk, in zo’n commissie. Het ligt dus op het snijpunt van cultuurgeschiedenis, ideeëngeschiedenis, religieuze en koloniale geschiedenis en politieke theorie.

Een PhD in het buitenland betekent dat je plots voor langere periodes je vrienden en familie niet meer ziet. Daarnaast probeerde je natuurlijk ook een leven op te bouwen in Cambridge. Hoe heb je dat beleefd?

Ik zat voordien op Leuven op kot en dan ga je natuurlijk wekelijks naar huis, maar eigenlijk is de overgang vlot verlopen. Het lag mij wel, dat buitenlandse avontuur. Je komt in Cambridge ook terecht in een grote groep van internationale studenten. Iedereen zit in een college1, woont daar of echt vlakbij, in een huis met andere (internationale) studenten. Zelf zat ik in Newnham College, één van de weinige Oxbridge “women’s colleges”. Dat was ook geen bewuste keuze. Aanvankelijk stond ik er wat argwanend tegenover, maar eigenlijk was het een enorm leuke en leerrijke “sisterhood” ervaring. Er heerste een heel sterk groepsgevoel. De colleges zijn ook waar je je vrienden ontmoet, waar activiteiten worden georganiseerd, er zitten mensen die gelijkaardig onderzoek doen… Er was een groot vangnet in Cambridge en het avontuurlijke lag mij ook echt wel. Je voelt je heel snel thuis. België is bovendien ook niet zo ver. Ik deed ook nog archiefonderzoek in België tijdens mijn doctoraat, dus zo groot was de afstand mentaal ook niet.

Maar niettemin was het heel moeilijk om tegelijk de banden te onderhouden met mensen thuis. Ik had een groot sociaal netwerk in België – ik had bijvoorbeeld voor het Leuvense studentenblad Veto gewerkt en had zo veel vrienden gemaakt en mensen ontmoet – maar je merkte wel dat, eens je daar fysiek uit wordt weggehaald, het plots toch moeilijk wordt om echt contact te blijven houden. Uiteindelijk hou je nog een paar goede vrienden op het thuisfront over. Ook in Cambridge was er wel wat verloop: veel mensen bleven maar voor de duur van hun studie of doctoraat. Dat maakte het soms wel een uitdaging om duurzame vriendschappen op te bouwen en je aandacht te verdelen tussen nieuwe vrienden, oude vrienden en familie. En zodra je weer in België bent, draait die situatie zich om. Ik had mij niet meteen verwacht aan de extra moeite die het zou kosten om familiebanden en relaties met vrienden te onderhouden. Maar sowieso is het een verrijking om met zoveel nieuwe mensen in contact te komen en vriendschappen te sluiten.

Zie je grote verschillen in de Belgische en Britse academische cultuur?

Het onderwijs en de academische cultuur in Cambridge zijn veel meer discussiegericht. Hier in België wordt je eigenlijk pas vanaf je laatste bachelor of in de masteropleiding aangemoedigd om over bepaalde onderwerpen in discussie te treden, maar daar is dat echt vanaf de start van de opleiding. De studenten krijgen bovendien veel minder hoorcolleges en moeten meer papers schrijven over uiteenlopende thema’s. Voor zo’n paper krijg je één op één begeleiding van een docent. Aan de hand van het onderzoek dat ze naar aanleiding van die paper voeren, leren ze dan over een bepaald onderwerp. Het aanbod aan seminaries die je kan bijwonen is ook enorm groot. Je zou bij wijze van spreken elke dag wel drie seminaries kunnen bijwonen als je dat zou willen. Het is heel verrijkend en laat veel ruimte voor eigen keuzes, maar het is natuurlijk ook intensief. Als (PhD) student is het de uitdaging om een juiste balans te vinden tussen alle opties die je hebt.

Er is geen vast traject, maar een promotor kan je wel wat structuur bieden en advies geven. Veel hangt natuurlijk af van de persoonlijkheid van je promotor. Sowieso wordt het initiatief om ondersteuning te vragen in Cambridge meestal wel aan de masterstudenten of doctorandi overgelaten. Je moet dus wel zelf uit je pijp komen, wat veel ruimte voor eigen invulling geeft maar het natuurlijk ook moeilijker maakt om een goed evenwicht te vinden. Er is meer vrijheid, maar ook meer individuele verantwoordelijkheid, denk ik.

Je kwam in Cambridge als onderzoeker naar het Belgische koloniale verleden ook in nauw contact met onderzoekers die zelf afkomstig waren uit ooit gekoloniseerde landen. En ook Groot-Brittannië zelf heeft natuurlijk een koloniaal verleden. Heeft die omgeving een impact gehad op je eigen houding ten aanzien van je onderzoeksthema?

Het is heel interessant om die achtergronden te kunnen vergelijken en te merken hoe dat toch je perspectief mee bepaalt. Het is fantastisch om daar, binnen die discussiecultuur van Cambridge, uitgebreid over te kunnen praten. Als je zoals ik Belgische kolonisatie onderzoekt is het gemakkelijk om je enkel daarop te richten, maar in Cambridge bijvoorbeeld ontdek je ook debatten over Brits kolonialisme, over Zuid-Afrika, Brazilië… je denkkader wordt enorm verbreed. Je ontmoet mensen die op hetzelfde thema werken maar dan in een heel andere context en dat kan je ogen echt openen.

Britten gaan naar mijn gevoel ook iets bewuster om met dat postkoloniale verleden en het is in dat opzicht wel een goede plek om dit soort thema’s te bespreken. Het helpt je om bewuster te reflecteren over je eigen onderwerp. Het Congo Research Forum, buiten Cambridge, is ook een goede plek om je visies voor te leggen, het water te testen, ideeën uit te wisselen.

Heb je advies voor anderen die op het punt staan een PhD te starten in het buitenland?

Gewoon de sprong wagen. Het is een academische verrijking om in een andere academische cultuur terecht te komen. Zo krijg je een nieuwe blik op je eigen onderzoek.

Ook op sociaal vlak was het een verrijking. De meeste mensen die aan een doctoraat beginnen hebben een leeftijd waarop je nog veel flexibiliteit hebt om je leven in België voor een bepaalde tijd achter te laten of op pauze te zetten. Zoals gezegd is het natuurlijk niet altijd evident om je sociale relaties hier te onderhouden maar uiteindelijk is het de extra inspanning die dat vraagt helemaal waard.

Had je aan het einde van je PhD in Cambridge zelf het verlangen om terug te keren naar België? Of heb je de smaak te pakken en plan je om ooit nog andere (academische) horizonten te verkennen?

Eerlijk: het tweede. Ik hou er eigenlijk wel van om in een heel nieuwe omgeving mijn weg te zoeken. De voornaamste reden waarom ik terug naar huis ben gekeerd toen was vooral praktisch: ik had op dat moment nog geen zicht op een nieuwe positie en thuis werd ik in tussentijd natuurlijk warm ontvangen. Maar ik zou er zeker niet tegenop kijken om terug naar het buitenland te gaan. Ik heb het gevoel dat ik nu wel overal ter wereld mijn draai zou kunnen vinden, na die ervaring van 5 jaar in het buitenland te zijn geweest. Ik zou liefst niet terug naar Cambridge gaan, maar nieuwe horizonten opzoeken. Die buitenlandse ervaring heeft me een zekere flexibiliteit gegeven, de overtuiging dat ik overal wel kan functioneren. De ervaring om met mensen van over de hele wereld ergens terecht te komen, daaruit te kunnen leren, is fantastisch.

Cambridge is natuurlijk ook wel een erg bijzondere plek. Zo was Stephen Hawking er mijn buurman. Hij woonde in het huis recht tegenover mijn studentenhuis daar en ik kwam hem ook tegen op de housewarming bij onze andere buren. Dat zijn dingen die kunnen gebeuren in Cambridge: je kan in de bibliotheek of in de gangen ook grote namen tegen het lijf lopen, zoals Richard Evans of Peter Burke. Maar wat mij uiteindelijk het meest is bijgebleven en het meest waardevol was, waren de mensen uit alle windstreken die er samenkwamen en die mijn nieuwe vrienden werden. Die uitwisseling met mensen uit allerlei achtergronden en culturen verruimt je horizon en verrijkt je enorm.

Je hebt gepubliceerd over Belgisch imperialisme in Congo. Momenteel ben je bij Bestor aan de slag en richt je je op wetenschapscommunicatie. Wat zie je zelf als de rode draad in je werk?

Het is voor een deel toeval dat ik bij Bestor aan de slag ben gegaan. Al was ik al sterk geïnteresseerd in ‘public history’ sinds mijn ervaringen daarmee in Cambridge. Daarom zag ik in Bestor ook een kans om dat verder uit te diepen. Wetenschapskennisvorming komt ook wel aan bod in mijn onderzoek en in deze positie bij Bestor komen wetenschap en communicatie mooi samen. Dat sprak mij erg aan. Ik was niet bewust op zoek naar een positie zoals degene die ik nu heb, maar deze kans deed zich toevallig voor en ik heb hem met beide handen gegrepen.

Helaas loopt mijn contract over enkele maanden af, dus moet ik weer nieuwe horizonten opzoeken. Een groot “masterplan” heb ik daarbij niet, ik laat de vacatures gewoon op me afkomen. Ik heb al gemerkt dat het een moeilijk moment is om te solliciteren, maar ik ben nu wel uitgedaagd om verder te kijken dan voordien. Vroeger zou ik sneller gezegd hebben “Nee, dat ligt niet binnen mijn mogelijkheden”, terwijl ik nu meer geneigd ben om het toch te proberen. Je wordt nu gedwongen om meer te reflecteren over je eigen kennis en mogelijkheden.

Zeker na mijn doctoraat dacht ik eigenlijk dat ik iets anders wilde doen, buiten academia. Maar nu mis ik het onderzoek voeren toch wel weer. Dat is uiteindelijk ook de reden geweest waarvoor ik naar het buitenland ben getrokken. Ik weet nog niet helemaal wat de toekomst zal brengen, veel factoren heb ik zelf niet in de hand natuurlijk. Er is dus geen uitgestippeld parcours dat ik per se wil volgen, ik hou gewoon mijn opties open. Daar komt die flexibiliteit die je opdoet tijdens zo’n buitenlands verblijf weer goed van pas.

Hartelijk dank voor dit gesprek, Eva, en veel succes gewenst bij het vinden van een nieuwe uitdaging!

- Nelleke Teughels

Références

  1. Colleges zijn de eenheden aan de universiteit waarbinnen de studenten en doctorandi leven en een deel van hun onderricht krijgen. Hoorcolleges en examens worden veelal door de faculteiten georganiseerd, terwijl het onderwijs binnen de colleges in kleinere groepen of één op één wordt gegeven. Het gaat dan bijvoorbeeld om discussiecolleges en de begeleiding van papers.