×

Foutmelding

  • Warning: Illegal string offset 'header' in bvng_publicatie_header_view() (regel 797 van /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Notice: Array to string conversion in bvng_publicatie_header_view() (regel 797 van /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Warning: Illegal string offset 'header' in bvng_publicatie_header_view() (regel 807 van /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).
  • Notice: Array to string conversion in bvng_publicatie_header_view() (regel 807 van /home/spinternet.be/users/contemporanea/public_html/sites/all/modules/custom/akapivo/bvng/bvng.module).

Dierckx, Katrien: PRO ARTE! CUI BONO? Kunst en expertise in laatnegentiende-eeuws Brussel, 1860-1914 (Brussel: ASP Editions, 2021), 312 p.

Ulrike Müller, Universiteit Antwerpen/Museum Mayer van den Bergh

Het Belgische fin-de-siècle staat vooral bekend voor zijn bruisende kunstscène en de bloei van talrijke vernieuwende kunststromingen zoals de art nouveau, het neo-impressionisme en symbolisme. Daarnaast was de periode tussen ca. 1860 en 1914 gekenmerkt door een explosie van een veelstemmig en divers discours over kunst, zowel in gespecialiseerde tijdschriften als in dagbladen. In haar boek Pro Arte! Cui Bono? Kunst en expertise in laatnegentiende-eeuws Brussel (1860-1914) brengt Katrien Dierckx de massale verslaggeving over kunst in het laatnegentiende-eeuws Brussel voor de eerste keer in kaart. Het boek is het resultaat van Dierckx’ in 2019 aan de Universiteit Antwerpen (Centrum voor Stadsgeschiedenis) verdedigd doctoraatsonderzoek dat het fenomeen van het laatnegentiende-eeuwse kunstdiscours benaderde vanuit een geïntegreerd perspectief op het kruispunt van kunstgeschiedenis, culturele en politieke geschiedenis, en mediatheorie.

Dierckx’ boek vertrekt vanuit de vaststelling dat de explosie van kunstvertogen tijdens het fin-de-siècle gepaard ging met de tanende invloed van de traditionele instellingen zoals de academies, met een significant machtsvacuüm in het culturele en artistieke veld als gevolg. De gelijktijdige ideologische en politieke polarisering leidde bovendien tot ‘verwoede pogingen van diverse stakeholders met tegenstrijdige belangen om in deze gedeïnstitutionaliseerde omgeving het spreekrecht te verwerven over wat kunst was en moest zijn’ (p. 16). Deze hevige strijd om macht en voorrang in het kunstdebat verstilde opnieuw rond de eeuwwisseling, wanneer de geboorte van de kunstgeschiedenis als een wetenschappelijke discipline voor een hernieuwde (nu academische) institutionalisering zorgde (p. 191). In vijf hoofdstukken traceert Dierckx de groei en het functioneren van de publieke debatten over kunst in Brussel tijdens de late negentiende en vroege twintigste eeuw, alsook de achterliggende belangen, motivaties en doelen van de critici en experts die vorm gaven aan dit fenomeen.

Het boek is bijzonder origineel in zijn onderzoeksfocus, aanpak en methode. Het is bovendien helder gestructureerd en vlot geschreven. Het werk behelst een kritische lezing van de bestaande kunsthistorische literatuur rond het Brusselse fin-de-siècle, die volgens de auteur tot vandaag te sterk gefocust is op de avant-garde en het bijhorende discours gepromoot door het kunsttijdschrift L’Art Moderne, en die daarmee decennialang de canonisering van de moderne kunst in de hand werkte (p. 13). Een van de troeven van Dierckx’ onderzoek is de problematisering van deze traditionele gerichtheid op L’Art Moderne en haar centrale figuren Edmond Picard en Octave Maus. Daartegenover focust Dierckx precies op de diversiteit en veelstemmigheid van het kunstdiscours. In dit opzicht is Dierckx’ studie ongetwijfeld een standardwerk over de Brusselse kunstkritiek van het fin-de-siècle.

Deze verbreding van het onderwerp wordt vervolgens gecombineerd met een scherpe theorievorming. Zo past Dierckx in haar analyse een goed doordacht theoretisch kader toe, waarbij de concepten van Deutungsdrang, Deutungsmacht en Deutungskampf centraal staan. Deze clusterbegrippen vervatten de machtstheorieën van Michel Foucault, Niklas Luhmann en Pierre Bourdieu en worden hier ingezet om het fenomeen van het ontluikende kunstkritische discours te verklaren, maar niet “onnodig te abstraheren.1 Aansluitend bij het concept van de_animateur d’art_ 2 benadrukt Dierckx bovendien de grote hybriditeit van de Brusselse kunstwereld, en de fluïde grenzen van de rollen die spelers in dit culturele veld innemen (als critici, kunstenaars, verzamelaars, handelaars, kunsthistorici, etc.).

Het boek verrijkt deze geïntegreerde theoretische benadering met een diepgaande analyse van een omvangrijke en diverse corpus van gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen: niet minder dan 103 tijdschriften over kunst die tussen 1860 en 1914 in Brussel het licht zagen, alsook zorgvuldig geselecteerd archiefmateriaal betreffende de gekozen case studies. De bronnen worden systematisch in kaart gebracht en kwantitatief alsook kwalitatief onderzocht. Hierbij komt onder meer de ‘vergelijkende oppervlaktemeting’ van pas, een methode die vooral gebruikt wordt in de communicatiewetenschappen, maar eerder ongebruikelijk is in de kunsthistoriografie (p. 51). De toepassing van deze methode laat de auteur toe om het complexe fenomeen van de explosie aan kunstvertogen in kranten en kunsttijdschriften op een heldere manier te objectiveren, vooraleer zij het discours zelf in detail en via close reading analyseert.

Ondanks de theoretische en methodologische rijkdom werpt het boek enkele vragen op, voornamelijk omtrent de definitie en afbakening van de gehanteerde concepten. Zo wordt er in de analyse bijvoorbeeld geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘kunstkritiek’ en ‘expertise’, en worden termen als ‘kunstkenner’, ‘criticus’ en ‘expert’ vaak door elkaar gebruikt. Ook tussen de discoursen over eigentijdse en oude kunst wordt geen duidelijk verschil gemaakt. Dit is vooral problematisch gezien de structuur van het boek een verschuiving suggereert van een focus op eigentijdse kunst (hoofdstukken 1-3) naar oude kunst/antiek (hoofdstukken 4-5), en daarmee een trend naar toenemende historisering beargumenteert. Nochtans levert Dierckx’s boek een waardevolle bijdrage aan de interdisciplinaire studie van het culturele veld tijdens het fin-de-siècle. De combinatie van vraagstellingen en methodes uit de kunstgeschiedenis, mediatheorie, politieke, culturele en wetenschapsgeschiedenis is op een heldere en overtuigende manier toegepast op het bestudeerde onderwerp. Zoals Dierckx zelf aangeeft (p. 8) streeft zij met haar onderzoek vooral naar een verbreding en verrijking van het veld van de kunstgeschiedenis, wat haar met dit boek dus zeker is gelukt. Naast de omvang van het aangereikte bronnenmateriaal zal vooral Dierckx’ kritische omgang met de bestaande literatuur en vernieuwende methode inspiratie bieden voor verder onderzoek en discussie, niet enkel omtrent kunstkritiek en expertisevorming in fin-de-siècle Brussel, maar ook rond bredere thema’s als democratiserings- en privatiseringstendensen en de relatie tussen kunst, politiek en maatschappij in België in de late negentiende en vroege twintigste eeuw.

- Ulrike Müller, Universiteit Antwerpen/Museum Mayer van den Bergh

Referenties

  1. Stoellger, Philipp, ‘Deutungsmachtanalyse. Zur Einleitung in ein Konzept zwischen Hermeneutik und Diskursanalyse’, in: Stoellger, P. (ed.), Deutungsmacht. Religion und belief systems in Deutungsmachtkonflikten (Tübingen: Mohr Siebeck, 2014), 1-85.
  2. Goldman, Noémie & Goddeeris Ingrid (ed.), Animateur d’art. Dealer, collector, critic, publisher…: The animateur d’art and his multiples roles. Pluridisciplinary research of these disregarded cultural mediators of the 19th and 20th centuries (Brussel: Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, 2015).