Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2016 Nummer 2

Recensies

Vanden Borre, Saartje. Toga’s voor ’t Hoge. Geschiedenis van de Leuvense universiteit in Kortrijk. Leuven: Lipsius, 2015. 183 pp.

Fien Danniau, UGent

Zoals de universitaire traditie het wil, gaf de KULAK naar aanleiding van haar jubileum in 2015 een vijftigjarige geschiedenis uit. Cultuurhistorica Saartje Vanden Borre deed als embedded historian drie jaar onderzoek op en naar de Leuvense universiteit in Kortrijk en schreef het ‘historisch overzicht’ van KULAK in Toga’s voor ’t Hoge. Nog zoals de traditie het wil, kondigt ze in de korte inleiding aan dat het boek weliswaar retrospectief van aard is, het toch dienstbaar wil zijn voor het toekomstbeeld van de campus. Want na lectuur weze duidelijk: KULAK heeft het niet gemakkelijk (gehad) om zich te handhaven in een snel evoluerend en competitief universitair landschap.

Het besluitvormingsproces naar de ‘Universitaire expansie’ en in casu de oprichting van de KULAK is het onderwerp van het eerste uitgebreide hoofdstuk. Vanden Borre maakt snel komaf met het simplistische idee dat er een duidelijke blokvorming, de katholieke versus de vrijzinnige/Gentse zuil, aan ten grondslag lag. Ze ontwart met veel zorg het kluwen van de uiteenlopende lokale, regionale, politieke, religieuze en communautaire belangen voor een geografische spreiding van het hoger onderwijs. Niet alleen rector Bouckaert van de UGent, maar ook de opeenvolgende Leuvense rectoren Van Waeyenbergh en Descamps voelden niets voor extra universitaire campussen. De gepropageerde doelstelling het hoger onderwijs democratischer te maken blijkt niet primair voor de protagonisten van de spreiding, enerzijds de Brugse bisschop De Smedt die de zonen van het katholieke bastion West-Vlaanderen wil vrijwaren van de al te vrijzinnige UGent enerzijds en anderzijds het provinciebestuur dat de economische achterstand van de provincie tracht weg te werken.

Het tweede hoofdstuk handelt over de infrastructurele en personele uitbouw van de KULAK en hoe een campus zonder universitaire traditie toch ‘universitas’ nastreeft. De nadruk ligt bijna onvermijdelijk op structuren, besturen en gebouwen maar krijgt een interessante aanvulling in de beschrijving van de rol van het Universitair Religieus Centrum en haar onverdacht paternalistische benadering van volksverheffing en dienstbetoon. Mei 1968 lijkt grotendeels aan de KULAK, en zeker haar docenten, voorbij te gaan maar uit de volgende thematische hoofdstukken zal blijken dat maatschappelijke en universitaire veranderingen uiteindelijk ook de KULAK bereiken.

Vanden Borre buigt zich vervolgens over 50 jaar onderwijs en onderzoek. Zoals ze zelf aangeeft in haar bibliografische toelichting, zijn deze onderwerpen niet van de poes. Het is niet altijd duidelijk of de elementen en casussen die worden aangehaald exemplarisch of uitzonderlijk zijn voor KULAK zelf en hoe ze zich verhouden tot ontwikkelingen aan andere universiteiten. ‘Permanente vorming’, Universiteit Derde Leeftijd’, ‘Open Universiteit’, ‘innovatie en incubatiecentrum’ zijn bijvoorbeeld niet eigen aan de Kortrijkse campus of Leuvense universiteit. Het gebrek aan synthese en context is de auteur niet echt aan te wrijven: contextualiserende literatuur over de transities van het universitair onderwijs en onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw is nagenoeg onbestaande. Wel maakt Vanden Borre in deze hoofdstukken haar eigen voornemen waar geen succesgeschiedenis te schrijven. Pijnpunten, mislukte initiatieven, holle slogans en lege dozen worden bij naam genoemd. Het defensieve discours dat ze detecteert in de KULAK-communicatie is alleszins het hare niet.

Vanden Borre eindigt met een containerhoofdstuk ‘Campusleven’ over de ‘evoluties in het leven, werken en studeren’ aan de KULAK waarin de claim ‘kleinschalig, informeel en gezellig’ wordt geproblematiseerd. Na het idyllische plaatje van de beginjaren kampt de KULAK met een langgerekte imago- en identiteitscrisis. Met de komst van het bachelor/mastersysteem en het multicampusmodel van associaties komt de geschiedenis erg dichtbij. Na de jarenlange claim een frisse en jonge campus te zijn, haast de campus zich nu om haar gevestigde waarde als ‘oudste’ en ‘enige echte’ dochter van de KUL in de verf te zetten. Een boek over haar 50-jarige bestaan, past perfect in dat plaatje.

De aanleiding mag dan wel een jubileumboek zijn, ‘inhoudelijk is het dat zeker niet’, zo schrijft Vanden Borre stellig in haar inleiding. Een vreemde claim gezien de universiteitsgeschiedenissen die de voorbije twee decennia in de lage landen naar aanleiding van een jubileum verschenen, van erg overtuigende kwaliteit zijn; respectievelijk Leiden, KULeuven, Gent en Groningen.1 De auteur specifieert helaas niet wat volgens haar de (blijkbaar erg negatieve) eigenschappen van een jubileumboek zijn. Doelt ze op een overdaad aan succesverhalen en een gebrek aan historische kritiek, dan is dit inderdaad geen ‘typisch’ jubileumboek. Maar haar werk is, hoewel inhoudelijk afwisselend en goed geschreven, wel degelijk institutioneel van aard, een andere klassieke valkuil voor een jubileumgeschiedenis. Structuren, protagonisten, instituten en gebouwen vormen misschien niet het uitgangspunt, ze zijn wel het belangrijkste kader van het overzicht. Dat wordt nog eens onderstreept door de afbeeldingen van voornamelijk gebouwen en grijze mannen. De probleemstelling, een onderzoek naar de dynamiek van een campus, is allicht wat te vaag om een historisch overzicht te kunnen ombuigen naar een fascinerend narratief. Op de complexe ontstaansgeschiedenis en de relatie met de KUL na, blijft de maatschappelijke context van de KULAK summier op de achtergrond. Aan de economische revival en ontkerkelijking van (Zuid-)West-Vlaanderen gaat de auteur voorbij. Maar misschien verwijst Vanden Borre met een inhoudelijk jubileumboek naar anekdotiek en collectieve herinnering? Ook die zijn inderdaad afwezig, zo geeft ze op het einde toe, en dat heeft behalve op de identificatie door de betreffende gemeenschap met het boek, opnieuw een impact op de meeslependheid van het verhaal.

Deze kanttekeningen staan een positieve waardering van Toga’s voor ’t Hoge niet in de weg: recente universiteitsgeschiedenis is aartsmoeilijk te schrijven en het onderzoek van Vanden Borre biedt een substantiële bijdrage aan de geschiedenis van ons Vlaams universitair landschap. De auteur is er bovendien in geslaagd de geschiedenis tot in zeer nabije vaarwateren te brengen en haar betoog biedt ongetwijfeld een spiegel voor de huidige beleidsmakers.

- Fien Danniau

Referenties

  1. Zie bijvoorbeeld: Otterspeer, Groepsportret met dame, (2000-2005); Tollebeek en Nys, Stad op de Berg, 2005: Mantels, Gent: een geschiedenis van universiteit en stad 1817-1940, 2013; Van Berkel, Universiteit van het Noorden, vier eeuwen academisch leven in Groningen, 2014.