Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2019 Nummer 1

Geschiedenis online

De kleuren van de Bevrijding - Digitale verhalen vertellen in de Senaat

Hermione L’Amiral, Archivaris van de Senaat

Publieksgeschiedenis in de Senaat

Op 22 november 2018 is het honderd jaar geleden dat koning Albert zijn beroemde Troonrede voor de Verenigde Kamers hield. In het in der haast opgeknapte Paleis der Natie kondigde hij verregaande sociale en politieke hervormingen aan. Daarmee loodste hij België het post-Groote Oorlog-tijdperk in.

Ter gelegenheid van die honderdste verjaardag ontwikkelde de Senaat een digitale toepassing voor het grote publiek. Via een virtuele tentoonstelling kan dat publiek kennis maken met een uniek kunstwerk uit de vaste kunstcollectie van de Belgische Senaat: het wandtapijt ‘Le retour victorieux du Roi Albert à la tête de ses troupes à Bruxelles le 22 novembre 1918’ is een ontwerp van de Bergense kunstenaar Anto-Carte en wordt in 1935 geweven door de Mechelse Manufactuur De Wit. De bezoeker kan als het ware online het wandtapijt induiken en kennismaken met de personages die erop afgebeeld staan. Hun verhalen worden gekoppeld aan nooit eerder getoonde gedigitaliseerde documenten uit het senaatsarchief. Het archief van de Senaat is openbaar en, als archief van een parlementaire instelling, eigendom van de gemeenschap. De leden van deze gemeenschap vormen dan ook bij uitstek het doelpubliek van deze virtuele expo. Als tastbare pendant van dit virtuele project werd een kunsthistorische tentoonstelling uitgewerkt, die dieper ingaat op de artistieke context van het wandtapijt. Daarmee waagt de Senaat zich op het pad van de publieksgeschiedenis. Dit artikel beschrijft de grote uitdaging om niet te vervallen in een te verregaande popularisering van de geschiedenis, een kwestie die in de loop van dit project vaak naar voren is gekomen.

Startpunt van de virtuele tour via https://22nov1918.whi.be/

Geschiedenis voor het grote publiek?

Waar academisch geschoolde historici enkele decennia geleden nog zo goed als een monopolie hadden op het historische discours, lijkt het veld nu danig gefragmenteerd: ‘Technological improvements, funding changes, institutional revolutions and political interventions have all impacted on the selling, packaging and presentation of the past over the last two decades’1, zo stelt Jerome de Groot.2 Van alle kanten duiken alternatieve vormen van ‘geschiedenis vertellen’ op. ‘Geschiedenis, zegt Jerome de Groot, raakte intussen verspreid in verscheidene historicals, dat wil zeggen in uiteenlopende vormen van populaire cultuur die geschiedenis ‘verkopen’.3 Historische documentaires en geromantiseerde feuilletons tegen een historische achtergrond kunnen op veel bijval rekenen.4 De sociale media, waarin beeldcultuur primeert, versterken deze trend nog. Geschiedenis lijkt eigendom geworden van iedereen. Iedereen die zich betrokken voelt kan oude foto’s delen, reageren op berichten van anderen of zijn relaas doen.

Doorgaans verwelkomen we die betrokkenheid. Het maatschappelijk kritisch besef aanscherpen is een goede zaak. Toch bekijken professionele historici die opkomst van stories en historicals met argusogen. ‘Wordt de vraag naar de maatschappelijke relevantie van geschiedenis en cultuur-erfgoed in het licht van de aantrekkelijkheid voor en participatie van het publiek niet stilaan een obstakel voor een juiste omgang met die geschiedenis en dat erfgoed?’ vraagt Robert Nouwen zich af.5 Na ‘publieksgeschiedenis als trend’ ontstond dan ook een ‘publieksgeschiedenis als vak’.6 Die discipline onderzoekt hoe het publieke bewustzijn van het verleden ontstaat, door welke bronnen het gevoed wordt en hoe het tot uiting komt.7

Een populaire manier om een boodschap op vlotte wijze te brengen is digital storytelling. In de cultuursector is de term gemeengoed. Maar ook in sectoren zoals de bedrijfswereld en de gezondheidszorg wordt deze techniek meer en meer toegepast om diensten te verkopen of doelgroepen te sensibiliseren. Digital storytelling is ‘een procesmatige methode waarbij gebruik wordt gemaakt van software of applicaties om verhalen te vertellen. … Digitale verhalen bestaan meestal uit een combinatie van digitale beelden, tekst, opgenomen audio-, video- en/of muziekfragmenten’.8 Het is een dergelijke benadering die ook werd gehanteerd voor deze virtuele expo.

Na de zesde staatshervorming werden de bevoegdheden van de Senaat grondig herzien. De instelling zocht zelf naar een nieuwe benadering van zijn identiteit. Daarbij bleek onder andere het rijke archief een belangrijke toegevoegde waarde te kunnen bieden. De herdenking van de Groote Oorlog was op dat vlak een goed getimed geschenk. Voor de plechtigheid rond Gabrielle Petit in 2016 ontwikkelde het archief van de Senaat een online filmpje over het Duitse oorlogstribunaal dat in het halfrond van de Senaat zitting hield. Hierin doet Alexandre Braun, een senator met Duitse roots, zijn relaas als advocaat van de ter dood veroordeelde verzetslui. Het filmpje wordt nog steeds gebruikt bij activiteiten rond burgereducatie. Het stelde de archiefmedewerkers wel voor een netelige kwestie. Een opname van amper tien minuten had het vierkoppige team gedurende maanden volledig opgeslokt. Is digital storytelling – of publieksgeschiedenis in het algemeen – een rendabele manier om het archief van de Senaat bekendheid te geven of leggen we ons beter toe op onze basiswerking rond archiefbewaring?
Tegelijk verwierf het archief hiermee ook een zekere geloofwaardigheid en een publiekswerking werd voorbereid. Het uitgangspunt is de burger als rechthebbende op zijn eigen patrimonium. Het historisch bewustzijn van die burger kan aangescherpt worden door ‘betekenis’ (historische gebeurtenissen) te koppelen aan ‘beleving’ (een document met een geschreven handtekening,…). Op de home page van de Senaat ontstond de rubriek Sporen uit het Verleden.9 Daar verschijnt regelmatig een anekdote, een kort verhaal, een markant feit uit de lange geschiedenis van de Senaat, vergezeld van illustraties, bij voorkeur uit het eigen archief.10

‘De kleuren van de bevrijding, het wandtapijt vertelt’ is veruit het meest omvattende publieksgeschiedenis-project tot nog toe omtrent het documentair en artistiek erfgoed van de Senaat. Alles draait om het wandtapijt waarop koning Albert op 22 november 1918 te paard voor het Paleis der Natie, omringd door zijn familie, de parade van de zegevierende troepen schouwt. Dadelijk zal hij zijn Troonrede uitspreken. In zijn buurt staan de militaire bevelhebbers die zonet de oorlog in het voordeel van hun geallieerde Naties hebben beslecht. Rechtsonder bejubelt het volk zijn koning-soldaat. Weldra zal het te horen krijgen dat alle volwassen Belgische mannen zonder onderscheid recht zullen hebben op één stem. Op de balkons kijken de prominenten toe. Sommigen waren erbij in Loppem. Anderen zien de hervormingen waartegen ze zich steeds hebben verzet bewaarheid.

Historische sensatie in de Senaat

‘Hoe kunnen wij een historische sensatie bewerkstelligen, d.w.z. een vorm van emotionele betrokkenheid met het verleden, gestoeld op onderzoek en ervaring en wars van nostalgie en utopie?’11 vroeg de projectgroep zich net als Robert Nouwen af. De grote sterkte van de Senaat is ontegensprekelijk zijn nog grotendeels onbekende erfgoed. Een zwakte is dat publieksgeschiedenis niet tot de core business van een parlementaire instelling behoort. Historisch wetenschappelijk onderzoek wordt wel door de Senaat ondersteund via de terbeschikkingstelling van bronnen, maar wordt er niet als zodanig bedreven. Vandaar werd beslist om een historisch-wetenschappelijke partner te zoeken die de projectgroep kon bijstaan om een goed evenwicht tussen wetenschap en de historische sensatie te vinden. Er werd een samenwerking opgezet met het War Heritage Institute. Op artistiek vlak bood het fonds Léon Eeckman en de vzw ‘Les Amis d’Anto-Carte’ ondersteuning. Tijdens de realisatie werd bovendien ad hoc een beroep gedaan op het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium en Cinematek.
Voor bepaalde expertisegebieden, waaronder de organisatie van een dergelijk veelzijdig erfgoedproject, het inzetten van sociale media, het inrichten van een ‘scenografie’ en de ontwikkeling van de webtoepassing, werd aanvullende ondersteuning voorzien door externe consulting. Conditio sine qua non was telkens het ‘leeraspect’ - de expertise binnen de organisatie moet erdoor vergroten – en ‘duurzaamheid’ – hergebruik van de infrastructuur en content-.

Robert Nouwen suggereert drie pijlers waarop een “gezonde” publieksgeschiedenis gestoeld zou moeten zijn.12
Authenticiteit. Het zou van weinig authenticiteit getuigen als de bezoekersaantallen zouden prevaleren op de kwaliteit van de historische en artistieke inhoud van het project. Het spreekt voor zich dat een archivaris geen archieven beheerd en bewaart om ze af te schermen van het publiek. Het is net de bedoeling ze beschikbaar te stellen voor iedereen die er interesse in toont. Hiertoe besliste de Senaat gebruik te maken van het communicatiemiddel waarmee ze de grootst mogelijke doelgroep zou kunnen aanspreken: het internet. Dat was geen knieval voor bezoekersaantallen. Zo werd er bijvoorbeeld bewust gekozen om geen toepassing voor smartphone te ontwikkelen. Het verhaal dat we willen vertellen laat zich immers niet lezen tussen twee treinhaltes of in de rij van de supermarkt. De bezoeker wordt uitgenodigd oog te hebben voor de kleine details van het wandtapijt en de tijd te nemen om te luisteren naar het verhaal dat er achter schuilt. De tentoonstelling in de leeszaal van de Senaat kadert in de slow art tendens.

Creativiteit is nodig om op een dynamische manier met erfgoed aan de slag te gaan. Nouwen vergelijkt het verleden met een boek waar maar enkele pagina’s van bewaard bleven. De ontbrekende pagina’s kunnen steeds opnieuw herschreven worden vanuit verschillende invalshoeken.14 Zo voelt het inderdaad voor de onvoorbereide archiefbezoeker. Een initiatief om de doorsnee-burger bij het archief te betrekken zonder omkadering is dan ook tot mislukken gedoemd. Specifieke creativiteit was ook vereist omwille van de dubbele tijdsvork van het project. Het tafereel op het tapijt speelt zich af op een bepaald tijdstip in 1918. Het kunstwerk dateert zelf echter uit de jaren dertig. Beide tijdsgeesten moeten adequaat gekaderd worden om te vermijden dat het tapijt benaderd zou worden als een ‘tijdsdocument’ uit de Eerste Wereldoorlog. De kunstenaar keek met een tijdsgebonden en artistieke blik naar een evenement dat al bijna twintig jaar achter hem ligt. Anto-Carte verweefde symbolische en historische elementen. Bepaalde personages werden op het tapijt afbeeld omdat ze niet mochten ontbreken. Maarschalk Foch was zeker niet aanwezig op die 22e november, maar verdiend zeker een plaats in het groepje van opperbevelhebbers.
Daarnaast kampte Anto-Carte met een gebrek aan bronnen. Enkel de prominenten die een portretfoto aan de Senaat bezorgden,kregen een plek op het tapijt. Uit briefwisseling met de Senaat blijkt dat Anto-Carte zijn eigen historisch onderzoek heeft gevoerd en zich onder meer baseerde op krantenfoto’s, opnames van tijdens en naslagwerken over de Oorlog. Het aspect van historische kritiek komt dan ook expliciet aan bod. De webtoepassing moedigt de bezoeker aan om na te denken over de mogelijke identiteit van sommige figuren op het balkon. De ‘favoriete keuze’ van de Senaat wordt voorgesteld, met argumentatie pro en contra. Wat vindt de bezoeker zelf daarover?

Finaliteit. Wat we vertellen of presenteren doen we in een specifieke context die weerspiegelt en mee vormgeeft aan wie we zijn hoe we onszelf willen presenteren. In het geval van ‘Kleuren van de Bevrijding’ is identiteit een belangrijk motief. De vraag is of de Senaat hiermee moreel in de fout gaat. Willen we, ten koste van het historische, deze virtuele expo aanwenden om de Senaat te promoten? Of brengen we een ‘coherent historisch discours’ dat de aandacht vestigt op een stukje erfgoed dat publieke eigendom is? De hoop dat de ‘historische sensatie’ ervan een blijvende bewustwording creëert over een historische episode is alvast een expliciet vastgelegde finaliteit.

‘Wie iets wil begrijpen van het historische besef in een maatschappij hoe gelaagd, complex en dynamisch dat ook werkt, kan niet om populaire vormen van geschiedenisconsumptie heen’ bedenkt Jan De Maeyer.15 Zelfs de Senaat kan daar niet omheen en omarmt die ‘geschiedenisconsumptie’ evenwel zonder de eigenheid van de instelling te verliezen.

In cijfers

Voor ‘Kleuren van de Bevrijding – het wandtapijt vertelt’ werd het wandtapijt Le retour victorieux du Roi Albert à la tête de ses troupes à Bruxelles le 22 novembre 1918’ virtueel opgedeeld in

  • 7 thematische zones (opgehangen aan topics uit de Troonrede van 1918)
  • 82 ‘spots’ (aanklikbare elementen)

Gelinkt met

  • 169 illustraties (hoofdzakelijk uit het archief van de Senaat)
  • 1160 teksten

Geschreven in 4 talen.

- Hermione L’Amiral

Webreferenties

  1. virtuele tentoonstelling: https://22nov1918.be
  2. bevoegdheden van de Senaat: http://www.senate.be/actueel/homepage/Staatshervorming/Infobrochure.pdf
  3. Alexandre Braun: http://www.senate.be/groote_oorlog/Alexandre_Braun/alexandre_braun_film_nl.html
  4. Sporen uit het Verleden: http://www.senate.be/www/?MIval=/index_senate&LANG=nl
  5. ‘De kleuren van de bevrijding, het wandtapijt vertelt’: https://22nov1918.be/index.html
  6. War Heritage Institute: https://www.warheritage.be/nl
  7. fonds Léon Eeckman: http://www.fonds-leon-eeckman-et-le-groupe-nervia.be/

Referenties

  1. ‘Technological improvements, funding changes, institutional revolutions and political interventions have all impacted on the selling, packaging and presentation of the past over the last two decades.’ In: de Groot, Jerome, Consuming history. Historians and heritage in a contemporary popular culture (Abingdon: Routledge, 2e ed., 2016). p. 19.
  2. Jerome de Groot is hoofddocent aan de School of Arts, Languages and Cultures van de Universiteit van Manchester.
  3. de Groot, Jerome, Consuming history. Historians and heritage in a contemporary popular culture (Abingdon: Routledge, 2e ed., 2016). p. 18
  4. Zie bijvoorbeeld de kritische analyse van het feuilleton “Ten Oorlog”. Boers, Hans, Dobbels, Jelena en Leonard, Ingrid, ‘Verhalen sprokkelen langs de frontlijn. Een kritische blik op Ten Oorlog’, in: Low Countries Historical Review, 130:1 (2015): 107-119.
  5. Nouwen, Robert, ‘Nadenken over publieksgeschiedenis en erfgoed’. In: Limburg – Het Oude Land van Loon, 87 (2008), pp.193-203
  6. De Wever, Bruno en Deneckere, Gita, ‘Publieksgeschiedenis in Vlaanderen. Tussen erfgoed, herinnering en media’. In: Van Nieuwenhuyse en De Schampheleire (eds.), Geschiedenis: zijn werk, zijn leven. Huldeboek René De Herdt (Gent: MIAT, 2010), pp.59-72
  7. de Groot, Jerome, Consuming history. Historians and heritage in a contemporary popular culture (Abingdon: Routledge, 2e ed., 2016).
  8. De Nil, Bart, Gids digital storytelling voor archief én bibliotheek. (Brussel: Faro, 2014), pp. 4-5.
  9. Het is een bescheiden vorm van storytelling, meer haalbaar voor een kleine ploeg. Betekenis wordt hier gekoppeld aan beleving door drie betekenislagen aan te boren. De centrale betekenis draait steeds rond de Senaat als plaats van actie. Op de achtergrond speelt het contextuele niveau waarbij een historisch evenement geschetst wordt. Op de voorgrond staat steeds een voor de inleefbare situatie. Hartenkreet van een terdoodveroordeelde illustreert dit goed.
  10. Het doelpubliek blijft ongewijzigd het brede publiek van de Belgische bevolking, de liefhebber van verhalen. Er wordt dus niet zozeer gemikt op de academische historici.
  11. Nouwen, Robert, ‘Nadenken over publieksgeschiedenis en erfgoed’. In: Limburg – Het Oude Land van Loon, 87 (2008), pp.193-203
  12. Ibid.
  13. Ibid.
  14. Ibid.
  15. De Maeyer, Jan, Van Goethem, Geert en De Scheemaeker, Koen, ‘Erfgoed in beweging: over de dynamiek van erfgoed en geschiedenis’. In: Kerremans, Laroy, en Prevenier (eds.), 35 Jaar Erfgoedbeleid : 35 Jaar Liberaal Archief (Gent: Liberaal Archief, 2016), pp. 31–41.