Contemporanea
Jaargang XLII Jaar 2020 Nummer 1

Recensies

Baillargeon, Camille & Peiren, Luc, BBTK 125 (Gent, Brussel, Seraing, Gent: AMSAB-ISG, BBTK, IHOES, Tijdsbeeld & Pièce Montée, 2019), 317 p.

Martin Schoups, UGent

Met BBTK 125 schreven Camille Baillargeon (IHOES) en Luc Peiren (AMSAB) een eerste overzichtsgeschiedenis van de socialistische bediendenbond in België. Die geschiedenis is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Vanuit een eerder marginale positie evolueerde de BBTK tot de op een na grootste socialistische beroepscentrale. Hoewel syndicale geschiedschrijving vandaag meestal in een sfeer van ondergangspessimisme is gedrenkt, is dit een onmiskenbaar feestboek. De machtspositie die de BBTK vandaag binnen de ABVV bekleedt, als machtigste centrale naast de AC, is welbekend. Het is ook geen toeval dat de BBTK juist vandaag met dit boek naar buiten komt. In die zin is deze publicatie, met de allures van een salontafelboek, ook een interessant tijdsdocument. In het boek laten de auteurs zien dat het ooit ook anders was.

Het socialistisch bediendensyndicalisme kwam aan het einde van de negentiende eeuw eigenlijk maar moeilijk van de grond. De bedienden waren met erg weinig en wouden zich bovenal zoveel mogelijk onderscheiden van de arbeidersklasse. In 1909 verenigden zes verschillende socialistische bediendenverenigingen slechts 940 leden (p. 97). Van bij aanvang moest het socialisme in deze sectoren het onderspit delven tegenover andere spelers met een meer mutualistische ingesteldheid. Binnen het socialistische jargon leek een bediendenvakbond vooral een oxymoron. In de eerste hoofdstukken schijnen de auteurs hun licht op de niettemin interessante ontstaansgeschiedenis ervan. Dat levert een heel aantal episodes op, zoals de eerste acties in de grote Brusselse warenhuizen zoals Grand Bazar, A l’Innovation en Tietz waarbij het syndicaat trachtte in te spelen op de schuldgevoelens van de kopers. Voor de oorlog was de belangrijkste eis de zondagsrust, een strijdpunt dat vandaag helaas terug actueel geworden is. Het boek toont ook de prominente rol die Joseph Jacquemotte, later oprichter van de Belgische Kommunistische Partij, in deze beginjaren speelde. In 1925 werd hij definitief geroyeerd. De ABB zou tijdens het interbellum gestaag groeien en zich ook sterker manifesteren, zoals op de eerste landelijke bediendenbetoging op 29 september 1929 en tijdens enkele stakingen in verschillende grote warenhuizen. Toch bleef het straatrepertoire (in het boek ietwat ongelukkig “repertorium” genoemd) van de socialistische bedienden eerder zeldzaam en speelde de meeste actie zich binnenskamers af, een kenmerk dat tot op vandaag doorwerkt.

In 1937 verenigde het socialistisch syndicaat landelijk al 21.756 bedienden. Ondanks deze stijging bekleedden de socialistische bedienden daarmee in 1937 nog steeds slechts 4 procent van het totaal aantal socialistisch gesyndiceerden. De christelijke centrale verenigde toen ongeveer 30.000 leden. Na de Tweede Wereldoorlog nam het ledenaantal fors en snel toe. Van ca. 18.000 leden in 1945 evolueerde de bond naar 425.000 leden in 2015. Het omslagpunt vond plaats in 1999, toen de BBTK officieel de tweede grootste centrale van de ABVV werd. Sindsdien steekt het de Algemene Centrale nipt naar de kroon. Deze sterke groei was uiteraard het gevolg van ruimere economische ontwikkelingen. Het aandeel bedienden in de werkzame bevolking nam immers op een eeuw tijd exponentieel toe (van 7,5% in 1910 naar 51% in 2019). Moment pivot was 1992: vanaf toen telde België officieel meer bedienden dan arbeiders. Ook de syndicalisatiegraad steeg van 15 naar 50 procent. Daarenboven kwam de BTTK na de oorlog steeds meer in de voorhoede van de ABVV terecht, bijvoorbeeld wat de strijd voor arbeidsduurvermindering betreft.

Door de ogen van de BTTK krijgen we een bijzonder perspectief op de Belgische economische geschiedenis. Luc Peiren geeft in het eerste hoofdstuk een knappe synthese van deze ruimere socio-economische ontwikkelingen. In de twee daaropvolgende hoofdstukken behandelen de auteurs de ontstaansgeschiedenis van het socialistisch bediendensyndicalisme voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum. Wat de periode 1945-2015 betreft, bevat het boek heel wat relevante informatie en fotomateriaal, hoewel het mijns inziens hier een wat meer institutioneel en opiniërend karakter krijgt, in tegenstelling tot de eerder historiserende insteek van de eerste hoofdstukken. De geschiedenis van het heden blijkt zoals vaak het moeilijkst te schrijven, zeker als het over heikele thema’s gaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor het eenheidsstatuut, een dossier waarin de BBTK toch een cruciale rol speelt en heeft gespeeld. De auteurs besluiten wat voorzichtig dat de “BBTK een constructieve rol speelde in het toenaderingsproces tussen de statuten van de arbeiders en die van de bedienden en openstaat voor samenwerking met de arbeiderscentrales van het ABVV om alle werknemers in één bedrijf of sector in onderling overleg te vertegenwoordigen” (p. 309). Die “samenwerking” zal volgens de auteurs “het gezicht van de socialistische vakbeweging in de (nabije) toekomst grondig zal wijzigen” (p. 309). De nieuwe machtspositie zal inderdaad implicaties hebben voor de vakbeweging, gezien het wat aparte profiel van de BTTK met zijn eerder gefragmenteerd ledenbestand dat schijnbaar toch iets minder politiek militant is en minder makkelijk op straat komt. Want hoewel de auteurs spreken over toenadering tussen arbeiders en bedienden, blijkt uit dit boek toch vooral hoe sterk dit bediendenparticularisme historisch geworteld is. Ondanks de economische convergentie tussen beide groepen, persisteren bepaalde culturele verschillen en lijken veel bedienden zich nog steeds als een aparte klasse te beschouwen. Dit boek biedt een interessant historisch en rijkelijk geïllustreerd perspectief op de ontwikkeling van deze identiteit. Het is daarenboven een bijzonder stuk Belgisch geschiedenis dat in tijden van flexibilisering en deregulering zeer lezenswaardig is

- Martin Schoups